Energie als veiligheidsvraagstuk

1 november 2014
Auteurs:
Virginie Mamadouh
Geografie, Planologie & Internationale Ontwikkelingsstudies, Universiteit van Amsterdam
Herman van der Wusten
Geografie, Planologie & Internationale Ontwikkelingsstudies, Universiteit van Amsterdam
Dit artikel is verschenen in: geografie november/december 2014
Europese kwestie
energie
Kennis
FOTO: KEES TORN
Op de Maasvlakte in Rotterdam werd in 2011 de eerste Nederlandse lngimportterminal geopend. Deze past binnen het Nederlandse en Europese energiebeleid voor strategische diversificatie van de aanvoer van lng. Gasunie en Vopak zijn de initiatiefnemers en partners.

De crisis rond de Oekraïne onderstreept nog eens hoezeer de EU voor de dekking van energiebehoeften is aangewezen op Rusland. Die afhankelijkheid maakt kwetsbaar en de energiedekking wordt nu scherper als veiligheidsvraagstuk gezien.

 

Europese bemoeienis met energie is niet nieuw. De voorgangers van de Europese Unie hielden zich er al mee bezig, bij gelegenheid in verband met de militaire veiligheid. Maar de afhankelijkheidsrelaties waren destijds heel anders. In 1950 riep de Franse minister van buitenlandse zaken, Robert Schumann, Europese landen op om de productie van kolen en staal onder het gezag te brengen van een gemeenschappelijke autoriteit (de voorloper van de Europese Commissie). Steenkool was toen de voornaamste energiebron voor de industriële productie en ook voor de wapenindustrie. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1952-2002) wilde door wederzijdse afhankelijkheid tussen de lidstaten onder andere een nieuwe eigen Duitse wapenindustrie voorkomen. De oprichting van Euratom moest een gemeenschappelijke vreedzame exploitatie van kernenergie mogelijk maken. Vanaf de jaren 1990 tot eind jaren 2000 was energie opnieuw een belangrijk onderwerp in Brussel, maar gekoppeld aan economische groei, klimaatbeleid en duurzaamheid. Reductie van de uitstoot van CO2 en het overstappen op duurzame energiebronnen waren de belangrijkste punten.

Afhankelijkheid

In 2005 spraken de lidstaten af dat ze een gemeenschappelijk energiebeleid zouden ontwikkelen met het oog op de grote afhankelijkheid van externe energiebronnen (97 procent van het benodigde uranium, 82 procent van de olie en 57 procent van het gas). Het veiligheidsaspect stond daarbij aanvankelijk niet op de voorgrond. Op nationaal niveau werd de (voor ieder land verschillende) afhankelijkheid al langer strategisch benaderd. Zo ontwikkelde Frankrijk zich na de oliecrisis van 1973 tot een grootproducent van kernenergie (zie Geografie januari 2008). Maar veel lidstaten slaagden er de afgelopen decennia niet in hun afhankelijkheid te verminderen. Voor de EU als geheel is vooral Russisch aardgas van levensbelang: het beslaat 40 procent van de invoer en voorziet in ruim 25 procent van de vraag. Voor sommige landen zoals Finland is de afhankelijkheid totaal: twee keer 100 procent.

Oekraïense crisis

Als de Europese Raad in maart 2014 voor een periodieke vergadering bijeen is in Brussel, confisqueert Rusland de Krim. Op de agenda staan de voornemens van de Unie voor het energiebeleid tot 2030 in verband met de klimaatdoelstellingen: minder verbruik en een schonere mix. De actualiteit noopt echter tot een andere prioriteit. De raad verzoekt de Europese Commissie binnen drie maanden met een rapport en voorstellen over energie en veiligheid te komen en bewaart de klimaatdoelstellingen voor een volgende keer.