Standaardisering van geografische namen tijdens VN conferentie

14 september 2017
Auteurs:
Ferjan Ormeling
Voorzitter werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige Namen van de Nederlandse Taalunie, vice chair van de United Nations Group of Experts on Geographical Names
Nieuws
FOTO: KEVIN HALE/FLICKR

Aardrijkskundige namen in Nederland

De zorg voor geografische namen is in Nederland bij het KNAG ondergebracht omdat geografen traditioneel het meest betrokken zijn bij de kaartvervaardiging, en zonder namen hebben kaarten geen zin. Willen die namen eenduidig naar ruimtelijke objecten verwijzen en gebruikt kunnen worden als link tussen bestanden, dan moet hun schrijfwijze gestandaardiseerd worden. Het KNAG heeft een Adviescommissie aardrijkskundige namen in Nederland (AaniN), die bijvoorbeeld geraadpleegd wordt als gemeenten fuseren en er een nieuwe naam nodig is, maar ook wanneer de naambestanden van onze topografische kaart (van Top10NL) aangepast moeten worden aan een nieuwe spelling. Bij de productie van schoolatlassen komt weer een ander aspect om de hoek: hoe zetten we de namen uit het buitenland, vaak uit landen met andere schriftsystemen, op onze atlaskaarten?

Daarover worden besluiten genomen door de United Nations Group of Experts on Geographical Names (UNGEGN) die eens in de vijf jaar een conferentie houdt. Daarop worden afspraken gemaakt over omzettingssystemen van het ene alfabet naar het andere, de manier waarop we gazetteers vormgeven (aardrijkskundige namenlijsten), in welke gevallen we exoniemen hanteren (de Nederlandse Taalunie heeft een Werkgroep Buitenlandse Aardrijksundige Namen, waarin we samen met Vlaanderen en Suriname afspreken voor welke landnamen (Tsjaad of Chad?) of plaatsnamen (Khartoum of Chartoem?) in het niet-Nederlands taalgebied we afwijkende versies gebruiken) of hoe we mensen opleiden die namen in het terrein moeten verzamelen. De conferentie vond dit jaar plaats in New York en ondergetekende (van 2007 tot 2012 vicevoorzitter van de UNGEGN) werd bij aanvang gekozen als conferentievoorzitter vanwege die belangrijke Nederlandse inbreng.

De 11e UNGEGN-conferentie (New York, 8-17 Augustus 2017)

Em. prof. dr. Ferjan Ormeling als voorzitter tijdens de VN Conferentie in New York, augustus 2017

Wat hadden de Nederlandse vertegenwoordigers voorbereid voor deze conferentie? Toponymical Guidelines (een gids hoe buitenlanders met Nederlandse geografische namen moeten omgaan en hoe ze deze moeten uitspreken), een paper over de nieuwe website over buitenlandse aardrijkskundige namen van de Nederlandse Taalunie, een verslag over wat er in Nederland de laatste vijf jaar gebeurd is op het gebied van de plaatsnamen, een verhaal over het nieuwe toponimieleerboek (Toponymy training manual) dat o.l.v. Nederland ten behoeve van deze conferentie was vervaardigd (kan van de UNGEGN-website worden gedownload), een verslag van de laatste toponimiecursus in Rio de Janeiro  in mei 2017, en een overzicht van de toponimiecursussen, wereldwijd, vanaf 2012.

Rol van Nederland in de UNGEGN

De UNGEGN hield in augustus 2017 in New York haar 11e conferentie; die conferenties bestaan dit jaar 50 jaar wat het een feestelijk tintje gaf en bovendien de gelegenheid bood om de Nederlandse inbreng door de jaren heen te memoreren. Nederland heeft er vanaf 1967, door inbreng van de professoren Dick Blok en oud KNAG-voorzitter Fer Ormeling sr. een belangrijke rol gespeeld, zowel bestuurlijk als inhoudelijk. Blok was conferentievoorzitter voor de vierde conferentie in 1977 en UNGEGN-voorzitter 1982-1987, beiden hebben gezorgd voor VN-resoluties die het gebruik van exoniemen beperkten (voor betere internationale communicatie) en Ormeling sr. leidde lang een UNGEGN-werkgroep voor toponimiecursussen. Met de Surinaamse aardrijkskundeleraar Henk Dahlberg en geodeet Justus Wekker werd proefgedraaid in Suriname met het verzamelen van geografische namen in het binnenland bij de Bosnegers, er werd een lesprogramma opgesteld en in 1982 had de eerste UNGEGN toponimiecursus plaats in Cisarua, Indonesië. Kort daarna de tweede in Rabat, Marokko – voorlopers van een uitgebreid UNGEGN cursusprogramma.

In de UNGEGN bestaan naast werkgroepen ook geografisch-taalkundige divisies, en de Nederlands- en Duitstalige landen werken samen in de Dutch- and German-speaking Division. In dat kader worden ook projecten als het EuroGeoNames project uitgevoerd, voor het maken van een Europees zoeksysteem/server voor geografische namen. Dat wordt nu ingebracht in het European Locator Framework project en is medebepalend geweest voor delen van de architectuur van INSPIRE.

Op het ogenblik wordt Nederland in de UNGEGN vertegenwoordigd door Tjeerd Tichelaar, redacteur van de Grote Bosatlas (en voorzitter van de UNGEGN-werkgroep voor de uitspraak), Jasper Hogerwerf, senior data-analist bij het Kadaster, en Ferjan Ormeling (ondergetekende), die als convenor van de UNGEGN werkgroep voor toponimiecursussen al vanaf 1989 dergelijke cursussen over de hele wereld organiseert.

Conflicten

Op elke UNGEGN-conferentie moet een vaste agenda worden afgewerkt. Die wordt voortdurend onderbroken door allerlei conflicten over namen, zoals over de naam van de zee tussen Japan en Korea (Oostzee of Japanse Zee, of beide), waarbij de betreffende landen het echte vakinhoudelijke werk soms urenlang ophouden met allerlei oneigenlijke argumenten. Vanwege China’s expansie in het gebied van de Zuid-Chinese Zee had Indonesië bijvoorbeeld voorgesteld haar deel van die zee voortaan de (Noord) Natuna-Zee te noemen naar de archipel die in het Indonesische deel ligt. Turkije heeft de Griekse namen op Noord-Cyprus veranderd na de Turkse bezetting, welke door de VN niet wordt erkend, en dat wordt natuurlijk bestreden door de Republiek Cyprus. Conflicten zijn er ook over de namen Macedonië en Perzische Golf, en die worden hier ook uitgevochten al weet iedereen dat de UNGEGN geen individuele namen kan vaststellen, alleen procedures aannemen volgens welke zulke naamconflicten opgelost kunnen worden.

Bij al zulke conflicten moet je als voorzitter vaste procedures volgen: van te voren is vastgesteld hoeveel spreektijd iedereen heeft, hoe vaak de partijen op elkaars argumenten mogen reageren, maar dan nog blijft het spannend en moeilijk de voortgang in de gaten te houden, alle experts zoveel mogelijk in hun waarde te laten, en ferm op te treden en sprekers af te hameren wanneer ze over de schreef gaan. Daarbij word je als voorzitter geholpen door een vertegenwoordiger van het VN-conferentiebureau die je voor alle noodgevallen passende teksten toeschuift of suggereert de vergadering te onderbreken voor overleg, of anderszins. En bovendien moet je de vergadertijd in de gaten houden, de tolken die alles in de zes VN-talen vertalen zijn alleen binnen vaste tijden beschikbaar. Alles wordt vastgelegd op video, zodat de VN een volledige audio- en videobeeldregistratie van elke conferentie hebben. Er zitten steeds VN-mensen bij die eventueel kunnen ingrijpen als het dreigt dat mensen elkaar in de haren zullen vliegen (zoals nu vanwege een conflict tussen Noord-Afrikaanse en Aziatische Arabisch-sprekende landen). Er zijn mensen die briefjes bezorgen voor degenen die nog geen mobieltje hebben, en er is dus ook het onderlinge verkeer per mobiele telefoon dat zich onttrekt aan de waarneming van de voorzitter, maar waardoor hij wel voor verrassingen kan komen te staan. Kortom, het is een interessante ervaring. Na afloop kreeg ik van de overkoepelende VN-afdeling (UN Statistics Division) de voorzittershamer aangeboden als aandenken.

Wat hebben we ditmaal bereikt?

Veel van het werk van de UNGEGN is een kwestie van onderhoud: de kennis moet met cursussen op peil worden gehouden, nieuwe naamcategorieën moeten worden verzameld, er komt nieuwe programmatuur en nieuwe standaarden. We hebben een nieuwe, meer efficiënte vergaderstructuur afgesproken, er zijn werkafspraken gemaakt met de UN-GGIM (een nieuwe loot van de VN die zich met de uitwisseling van ruimtelijke informatie bezighoudt) om onze competenties ten opzichte van elkaar af te perken en eindelijk, na veertig jaar onderhandelen, is er een gestandaardiseerde manier afgesproken om namen uit Arabisch-sprekende landen om te zetten naar ons Latijnse schrift. Tegelijkertijd was er een voortdurende uitwisseling van best practices om namen te verzamelen, bewerken, in bestanden om te zetten en die bestanden voor iedereen beschikbaar te maken: standaardisering van aardrijkskundige namen heeft alleen maar zin als iedereen ook toegang tot die standaarden heeft.

We blijven aanlopen tegen het feit dat Nederland, als zo’n beetje enige land in Europa, geen instantie heeft die voor het vaststellen van geografische namen verantwoordelijk is (en daarbij de resolutie van de VN om zo’n instantie in te stellen naast zich neerlegt). Bij gebrek aan zo’n instantie neemt nu het Kadaster die rol een beetje waar, voor zover de basisregistraties daar ruimte voor laten.

Maar ook buiten Nederland blijft er genoeg werk: er blijven nieuwe objecten ontstaan die benoemd moeten worden, of nieuwe gegevenscategorieën die op de kaart moeten worden opgenomen, en er blijft onderwijs nodig: in 2018 geven we een cursus op Palawan.