Negatieve gevolgen van een verhuizing

30 mei 2017
Auteurs:
wijkenbeleid
Nederland
Opinie
verhuizing
FOTO: STIJN HAZEN/FLICKR

Reactie op artikel: 'Probleemgedrag in betere wijken?'

Onlangs liet de Amerikaanse minister van Wonen, Ben Carson, zich de uitspraak ontvallen: ‘I think poverty to a large extent is also a state of mind.’ Als Nederlander ben je dan al snel geneigd om meewarig met je hoofd te gaan schudden. Carson, dat is dezelfde idioot die gezegd heeft dat de Holocaust niet plaats had gevonden als er in Europa vrij wapenbezit was geweest. Van zo’n reactionair type kun je dan ook wel verwachten dat hij armoede verklaart vanuit een verkeerde ‘mindset’.

Toch gaat het Nederlandse sociale mengingsbeleid uit van een vergelijkbare denigrerende houding ten aanzien van kansarmen. Uiteraard is het taalgebruik veel subtieler dan van wat je van een minister uit het kabinet van Trump mag verwachten, maar het paternalistische uitgangspunt dat mensen die leven in armoede heel wat te leren hebben van hun meer gefortuneerde buurtgenoten is net zo goed in het Nederlandse beleidsdiscourse bon ton. Kansarme mensen hebben mensen nodig uit de middenklasse als goed rolmodel, want iemand met een laag inkomen kan blijkbaar niet als positief rolmodel fungeren. Mensen met lage inkomens hebben de sociale controle nodig van mensen met een hoger inkomen, want anders weten ze blijkbaar niet hoe ze zich moeten gedragen.

Het onderzoek van Jaap Nieuwenhuis en consorten plaatst vraagtekens bij het Nederlandse mengingsbeleid. Het laat zien dat jongeren die naar rijkere buurten verhuizen relatief vaak te maken  krijgen met psychische problemen. Een mogelijke verklaring hiervoor is relatieve deprivatie: Als je in een omgeving woont met veel succesvolle mensen, ga je negatiever over jezelf denken.

Het onderzoek is een belangrijke aanvulling op de talloze kritische studies over het mengingsbeleid die vooral wijzen op het gebrek aan contacten tussen de verschillende bevolkingsgroepen in gemengde wijken. Deze studies betogen vooral dat van sociale menging niet al te veel verwacht mag worden, terwijl Nieuwenhuis e.a. wijzen op de negatieve effecten die menging teweeg kan brengen.

Een kanttekening bij de studie van Nieuwenhuis is dat er geen onderscheid wordt tussen de effecten van het wonen in een meer welvarende buurt dan voorheen en het effect van de verhuizing zelf. Uit onderzoek is bekend dat verhuizen over grotere afstanden disruptieve gevolgen heeft voor jongeren. Zij moeten van school veranderen en raken hun sociale netwerk kwijt. Amerikaans onderzoek laat zien dat die verhuismobiliteit gevolgen heeft voor sociale mobiliteit op latere leeftijd (scholingsniveau, inkomensniveau). Een verklaring voor de uitkomsten van Nieuwenhuis zou kunnen zijn dat het vooral bij verhuizingen naar rijkere buurten vaak gaat om een grotere verhuisafstand. (Als je in Rotterdam-Zuid of Den Haag Zuidwest woon moet je bijna automatisch over een grotere afstand verhuizen om in een welvarende wijk terecht te komen). Het zou mooi zijn als de auteurs kunnen aantonen dat hun resultaten overeind blijven als ze verhuisafstand meenemen in hun modellen.

Over de auteur
Gideon Bolt

Gideon Bolt, assistent professor Sociale Geografie & Planologie, Universiteit Utrecht