Stadsrand

1 september 2017
Auteurs:
Dit artikel is verschenen in: geografie september 2017
Blog: Fietslandschappen
Den Haag
Opinie
Vlaardingen
FOTO: FRANK VAN DAM
De foto heb ik afgelopen maandag genomen in Vlaardingen (of all places!), op een brug over de Vlaardingervaart. Die woningen rechts stonden daar nog niet toen ik hier een eindje verder opgroeide (100 jaar geleden). Toen was dit nog aan beide zijden polderland en potentieel bouwterrein. Aan de linkerkant (achter de fotograaf) bevindt zich een jachthaven en een groot recreatiebos met sportvelden en klauterbos, linksvoor in datzelfde recreatiepark bevindt zich een grote golfbaan. De brug waarop ik sta was er vroeger niet. De Vlaardingervaart verbindt het oude centrum van Vlaardingen met het dorp Schipluiden. Het is een druk bevaren (pleziervaart) oud afwateringskanaal. Heel oud, volgens mij is dat al in de 12e of 13e eeuw gegraven.

Ik schreef het al eerder: voor een fietser die in Den Haag woont, is het een beetje behelpen. Niet alleen bestaat de helft van zijn potentiële actieradius uit zee, de andere helft is verstedelijkt gebied. Of je nu een rondje van 60 of 100 kilometer fietst, de stad is altijd zichtbaar. Hoorbaar, voelbaar. 

Als stedeling geniet ik van de drukte, de veelzijdigheid en de veelkleurigheid van de stad. Al gebiedt de eerlijkheid hier te vermelden dat ik in een brave, rustige buurt woon en dus vooral de lusten en nauwelijks de lasten van het wonen in de grote stad ervaar. 

Als geograaf was ik jarenlang gefascineerd door de ontwikkelingen aan de randen van de stad. Die rommelzone met een combinatie van laagwaardige bedrijvigheid en recreatie. Autosloperijen, tuincentra, maneges, partycentra, noem maar op, geleidelijk weggedrukt door de nieuwe woonwijken van de oprukkende stad. Tussenland. Telkens anders. 

Maar als fietser wil ik weidse uitzichten. Groene weilanden tot de horizon, glooiend akkerland, in de verte een dorpje, af en toe de beschutting van een bos en de eindeloze uitzichten van de bergen. Ik wil niet worden geconfronteerd met de onpeilbare lelijkheid van de stadsrand. Met alleen af en toe een glimp van hoe het er ooit moet hebben uitgezien. Een uitvalsweggetje met knotwilgen. Een historische boerderij. 

Mijn ergernis betreft niet alleen de uiterlijke verschijningsvorm, maar vooral het innerlijk van de stadsrand. De fantasieloosheid van de hondenuitlaatparken rond de Vinex-wijken. Het ondoorgrondelijke fietspadenstelsel. De boerderettes en de golfbanen. De eenvormigheid, de inwisselbaarheid, de totale verveling. 

Pijn aan mijn ogen, pijn in mijn hart, pijn in mijn benen.

Of je nu een rondje van 60 of 100 kilometer fietst, de stad is altijd zichtbaar