Duizend jaar wisselvalligheid
Bedrijvigheid in stad en streek
Paul Brusse schetst een weids panorama van duizend jaar economisch-geografische geschiedenis van steden en streken in Nederland. Geen stad of regio ontsnapt aan de wisselvalligheid van het bestaan. Brusses boek verdient beslist een plek naast de oudere werken van geograaf H.J. Keuning.
Naburige steden kunnen elkaar lelijk in de weg zitten. Neem Zutphen en Deventer. Ten opzichte van Deventer lag Zutphen ongunstig. In de Hanzetijd moesten schepen vanaf de Zuiderzee stroomopwaarts de IJssel opvaren – een rivier die bovendien aan het verzanden was en dus moeilijker bevaarbaar werd. De ‘Koekstad’ kwam eerder in zicht dan de zuidelijker gelegen ‘Torenstad’. ‘Deventer’, concludeert Paul Brusse, ‘bleef Zutphen altijd de baas, ook nadat ze beide geen internationale handelsfunctie meer hadden.’ Niet langer steden in een Noordwest-Europees netwerk, vielen ze terug op hun functie van centrale plaats (in de zin van Christaller): de verzorging van het ommeland. De toekomst was aan Hollandse steden.
en chemiebedrijf Noury & Van der Lande, een van de ondernemingen die aan de basis stonden van het AKZO-concern. Het pakhuis werd in 1972 gesloopt.
Zutphen kwam nooit toe aan serieuze industrialisatie, afgezien van het kortdurende succes van confectiefabrikant Sturka. De stad lag niet alleen in de schaduw van Deventer, maar ook van Apeldoorn. Dat was in 1870 niet meer dan een Veluws dorp, maar honderd jaar later veel groter dan de beide IJsselsteden. Dit dankzij papierfabrieken en wasserijen, die profiteerden van het schone water, en later kazernes, overgeplaatste rijksdiensten en verzekeraar Centraal Beheer. Ook Doetinchem overvleugelde Zutphen, dankzij ijzerindustrie (ijzeroer langs de Oude IJssel) en de vestiging van fietsbandenfabriek Vredestein. Zutphen was gedoemd een streekcentrum te blijven. Aan de kwaliteit van de lokale ondernemers lag het niet, aan de minder gunstige situering binnen de vierhoek van Arnhem (met een hoog voorzieningenniveau), Apeldoorn, Deventer en Doetinchem wel. Of zoals Paul Brusse generaliserend in zijn slotzin van zijn boek zegt: ‘In alle regio’s hebben mensen hun best gedaan hun lot en dat van stad en streek te verbeteren. Dat dat niet iedereen even goed lukte, lag vaak niet aan hen, maar aan de geografische omstandigheden.’
Magnum opus
Bedrijvigheid in stad en streek, waaraan ik de vergelijking van Deventer-Zutphen ontleen, is het magnum opus van Paul Brusse, als economisch-geografisch historicus tot zijn pensionering verbonden aan de Universiteit Utrecht. Hij werkte zes jaar aan dit boek en het mag er zijn. Het omvat ruwweg vijfhonderd pagina’s tekst en honderd pagina’s randwerk: eindnoten, literatuur en registers. Anders dan in conventionele studies van de economische geschiedenis gaat het niet om Nederland als geheel (vaak impliciet ingeperkt tot Holland, constateert Brusse), maar om de ruimtelijke verscheidenheid in economische dynamiek in Nederland. De toe- of afname van inwonertallen van steden gebruikt Brusse vaak als graadmeter voor fluctuaties in de lokale welvaart en werkgelegenheid. De nadruk op ruimtelijke verschillen en het perspectief van eeuwen doen denken aan de klassiekers van de Groningse geograaf Hendrik Jacob Keuning: Mozaïek der functies (1955) en de herschreven vorm daarvan, Kaleidoscoop der Nederlandse landschappen (1979). Brusse bespreekt de economie van streken als het Westland, de Langstraat en de Brabantse zandgronden, maar vooral van vele tientallen steden van omstreeks 1000 tot heden.
Stabiel én veranderlijk
Stedensystemen tonen zowel stabiliteit als – zeker over langere perioden – veranderlijkheid. Rond 1500 bestond de top-4 in Holland uit Utrecht, Leiden, Haarlem en Delft, rond 1650 uit Amsterdam, Leiden en Haarlem en Utrecht. Maar vanaf 1800 is de top-4 onveranderlijk Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Als enige stad buiten het westen is Groningen gedurende al die eeuwen nooit buiten de Nederlandse top-10 gevallen. Groningen had en heeft ‘een centrumpositie van de eerste orde’ (Keuning) in heel Noord-Nederland, met een uitgestrekt verzorgingsgebied, zonder rivalen in de wijde omgeving. Leeuwarden kon nooit tippen aan Groningen en had/heeft ook nog concurrenten als Harlingen en Sneek. Brusse besteedt veel aandacht aan deze categorie kleinere historische steden (van Alkmaar tot Zierikzee) maar ook aan dorpen die uitgroeiden tot steden: Den Helder, Assen, Hoogeveen, Emmen, Eindhoven. Ministeden als Edam of Monnickendam blijven buiten beeld.
Vier tijdvakken
Een geograaf zou wellicht een indeling in regio’s als ordenend principe gebruiken, maar historicus Brusse koos voor een hoofdindeling in vier tijdvakken. Elk deel is gewijd aan een periode: de middeleeuwen (1000-1500), de vroegmoderne tijd (1500-1870), de tijd van industrialisatie (1870-1970) en van 1970 tot op heden – jaren van de-industrialisatie en overgang naar een diensteneconomie. In alle delen is aandacht voor steden(systemen); sommige (Nijmegen bijvoorbeeld) komen in alle perioden aan de orde, de meeste slechts in enkele. Ruimte voor het platteland en landbouw is er ook in elk deel, maar minder dan in de boeken van Keuning.
Binnen de vier delen komen wel enkele regionale hoofdstukken voor. Zo krijgt West-Nederland (inclusief Zeeland) een eigen hoofdstuk in de periode 1500-1870, de Randstad in 1870-1970. De steden buiten de Randstad worden in de periode van industrialisatie en hernieuwde verstedelijking niet per regio (bijvoorbeeld Noord, Oost en Zuid) besproken, maar ingedeeld naar demografische groei. Snelle groeiers (meer dan gemiddeld) staan dan in het hoofdstuk ‘Emancipatie van de periferie’, zoals Twentse en Brabantse industriesteden, en de Zuid-Limburgse mijnsteden. Gemiddeld groeiende steden komen aan de orde in ‘Tussen centrum en periferie’ en trage groeiers in ‘De economische rand van het land’. Deze indeling leidt tot geografisch verbrokkelde hoofdstukken. Zo zitten Oost-Groningen en Amersfoort beide in ‘Tussen centrum en periferie’ en Drachten, Zwolle en Vlissingen komen elkaar tegen in ‘De economische rand van het land’. Het maakt in ieder geval duidelijk dat de algemene aanduiding die Keuning gebruikte voor de toenmalige ontwikkeling van gebieden buiten de Randstad – ‘wedergeboorte van de randpartijen’ – baat heeft bij nuancering.
Traditionele en hedendaagse inzichten
Bedrijvigheid in stad en streek is goed leesbaar, al wordt het op de duur wat eentonig. Gelukkig maken een uitgebreide inhoudsopgave en een geografisch register selectief lezen gemakkelijk: beperk je tot de stad of regio die je interesseert. Brusse beschrijft en verklaart, zonder theoretische overkill. Hij gebruikt traditionele inzichten, zoals van Johan Winsemius die vlak na de oorlog als vestigingsplaatsfactoren voor industrie onder meer wees naar de aanwezigheid van grond- en hulpstoffen in de bodem, agrarische producten, goedkope arbeid en een gunstige verkeersligging. Brusse combineert deze met meer hedendaagse begrippen als pad-afhankelijkheid, cluster, netwerken, gateways en lock-in. Ook van deze tijd: Brusses aandacht voor ondernemers, voor achievers, innovatieve pioniers die staan tegenover ietwat ingedommelde survivors, die tevreden zijn als hun bedrijf het overleeft. Denk aan een man als Jacques van Marken, die in 1869 begon met een gist- en spiritusfabriek in Delft, later bekend als de Calvé-fabriek.
Als overzicht van de economisch-geografische verscheidenheid en geschiedenis van Nederland zal het boek vele jaren toonaangevend zijn
De stijl is academisch, verwacht geen verwijzingen naar journalistieke boeken als Een klein land met verre uithoeken van Floor Milikowski of naar populairwetenschappelijke boeken als Historische stadsatlas NL van Martin Berendse en Paul Brood. Het is ook een ‘tekstboek’; het telt slechts drie eenvoudige kaartjes, naast elf tabellen en negen afbeeldingen in zwart-wit. Maar als een overzicht van de economisch-geografische verscheidenheid en geschiedenis van Nederland zal Bedrijvigheid in stad en streek vele jaren toonaangevend zijn. Zet het naast Keunings boeken op de plank.
Brusse, P. (2026). Bedrijvigheid in stad en streek. Economisch-geografische geschiedenis van Nederland vanaf circa 1000. Prometheus, 599 p., € 45.