16 juni 2023

Geografisch onderzoek vroeger en nu

Dit artikel is verschenen in: geografie juni 2023 - lustrumeditie
150 jaar KNAG
Kennis
BEELD: NWO
Veel promotieonderzoek is tegenwoordig ingebed in langlopende projecten/samenwerkingsverbanden, zoals het Joint Programming Initiative Urban Europe, in 2010 opgericht als Europees centrum voor onderzoek en innovatie op het gebied van stedelijke aangelegenheden.

Van hobbyisme naar professionalisme

Een proefschrift schrijven is al lang niet meer eenzaam zwoegen aan een zelfgekozen onderwerp. Onderzoek gebeurt nu in teamverband, met deadlines en tussentijdse beoordelingen.

 

Gerard Hoekveld, hoogleraar stadsgeografie aan de Vrije Universiteit in de jaren 1970-1985, later hoogleraar regionale geografie en geografie voor educatie in Utrecht, kon er met smaak over vertellen: het schrijven van een proefschrift was lijden, een jarenlange eenzame reis door het donker, om uiteindelijk – hopelijk gelouterd en verlicht – de finish te halen met wat misschien wel een levenswerk zou zijn. Luctor et emergo. Een proefschrift was destijds zeldzaam in de geografie en had mede daarom veel gewicht. De doctorstitel opende veelal de weg naar een benoeming als hoogleraar.

Hoe anders is het nu, zoals het interview met Dolly Loomans (zie kader ‘Geen eenzame reis’) laat zien. Een dissertatie schrijf je tijdens een reguliere aanstelling met strikte deadlines. Onderzoek gebeurt niet meer in de vrije uurtjes die een andere baan overlaat, zoals bij Hoekveld, die werkte aan zijn proefschrift (over de ontwikkeling van Baarn; hij promoveerde in 1964) naast een baan als docent aardrijkskunde. Een proefschrift is nu geen boek meer, maar een bundel artikelen die eerder zijn (of nog worden) gepubliceerd in Engelstalige, peer-reviewed tijdschriften. Het is ook geen soloproject meer. De promovendus werkt samen met anderen, onder wie een promotor en dagelijkse begeleiders. Hun namen staan als coauteur vermeld bij de meeste artikelen, ook al heeft de promovendus het leeuwendeel verricht. Ook de impact is anders. Er lonkt geen leerstoel meer. Wie promoveert en aan de universiteit wil blijven werken, wacht veelal een moeizaam gevecht om tijdelijke aanstellingen en schaarse subsidies.

Dit alles weerspiegelt de veranderingen in de wereld van het universitaire (geografische) onderzoek tussen pakweg de jaren 1960-1970 en de jaren na 2000.

Losse onderzoeken

Tot eind jaren 1970 was onderzoek doen overwegend een individuele aangelegenheid. Ieder staflid op de universiteit kon de werktijd die overbleef na onderwijs en bestuur (plus tijd in de avonden en weekends) vullen met onderzoek dat hem of haar interessant leek. Voor een vaste aanstelling of benoeming tot wetenschappelijk hoofdmedewerker was de doctorstitel niet verplicht. De (schaarse) proefschriften waren overwegend dik, monodisciplinair en Nederlandstalig. De onderwerpen waren vaak zelfgekozen en weerspiegelden dus de interesses van de auteur.

Dit resulteerde in een stapel losse proefschriften, die – hoe waardevol misschien op zich ook – onderling geen verband hielden. Van werk aan een gemeenschappelijke research frontier of op elkaar voortbouwen was geen sprake. Overigens werd in de jaren 1960-1970 wel een voorzichtige start gemaakt met grotere projecten waaraan meerdere onderzoekers en soms ook studenten meededen. Bekend werden het Urban Core and Inner City-project van UvA-stadsgeografen en het Groene Hart-onderzoek in Utrecht.

VF

In de jaren 1980 werd het hobbyisme teruggedrongen. Er kwamen Voorwaardelijk Gefinancierde onderzoeksprogramma’s (VF-onderzoek) waarin teams van zo’n tien onderzoekers, allen afkomstig uit eigen instituut of faculteit, samenwerkten. Voor toezicht op de VF-programma’s werden gaandeweg lokale onderzoeksinstituten in het leven geroepen, met eigen namen, directeuren en visitekaartjes. Zij beoordeelden om de paar jaar de resultaten van elk programma. Kwam er weinig uit of was de samenhang gering (onder een VF-paraplu hingen vaak heel verschillende projecten; vaste stafleden lieten zich niet zo gemakkelijk dresseren), dan konden VF-programma’s worden beëindigd en onderzoekers overgeplaatst naar programma’s die wel resultaten boekten. Proefschriften werden geschreven binnen het kader van een VF-programma. Deze waren nog steeds monodisciplinair en Nederlands was de voertaal.

Focus en massa

Vanaf het eind van de  jaren 1980 streefden ministers naar grotere, langlopende en samenhangende onderzoeksprogramma’s, zoals het programma Stedelijke Netwerken (ook al met een Engelstalige aanduiding: Urban Networks), waarin veel sociaal geografen en planologen participeerden. Dit waren de voorlopers van de latere nationale onderzoeksscholen, waarin meer dan honderd onderzoekers van verschillende universiteiten in Nederland werden samengevoegd. Focus (op ‘sleutelgebieden’) en massa (onderzoek in grote teams) waren het devies. Zo kwamen ontwikkelingsgeografen terecht in Ceres, stadsgeografen en planologen in Nethur, een acroniem voor Netherlands Graduate School of Housing and Urban Research. In dergelijke onderzoeksscholen waren tal van disciplines vertegenwoordigd, in Nethur bijvoorbeeld ook stadssociologie, verkeer & vervoer en economie. Het leidde tot multidisciplinaire studies, soms zelfs tot onderzoek dat paste in opkomende interdisciplines. Steeds meer publicaties verschenen in het Engels. Tussentijdse beoordelingen waren vanzelfsprekend en strenger dan voorheen.

Naast basisfinanciering (de eerste geldstroom) kwam projectfinanciering op: onderzoekers konden bij NWO (tot 1988 ZWO) voorstellen tot onderzoek indienen. Dan begon het hoopvol wachten: vielen ze in de prijzen (de tweede geldstroom)? Meestal draaide het uit op een teleurstelling. Ook voor (heel) goede voorstellen bleek vaak geen geld beschikbaar. Lukte het toch, dan werd er op taart getrakteerd, al keek de lokale boekhouder zuinig, want matching was veelal een voorwaarde. Dat wil zeggen dat de eigen organisatie geld in het project moet stoppen om de subsidie te matchen. Naast NWO werd de Europese Unie met haar kaderprogramma’s een steeds belangrijker financier van onderzoek. Ook kwam de zogeheten derde geldstroom tot ontwikkeling: concrete onderzoeksprojecten in opdracht van en betaald door (semi)overheden en bedrijven. Universiteiten ontwikkelden zich zo tot concurrenten van commerciële onderzoeks- en adviesbureaus.

Internationaal

Na het jaar 2000 was het tijdperk van nationale onderzoeksscholen een beetje voorbij; de rivaliteit tussen universiteiten bleef groot. Lokale onderzoeksscholen kregen weer meer de wind in de zeilen. Ze zijn sterk internationaal georiënteerd, met veel stafleden en PhD-studenten (veelal met een eigen beurs) uit het (verre) buitenland, sterk multidisciplinair, en om de zo veel jaar is er een beoordeling door een internationale visitatiecommissie. Dat zijn spannende momenten, want daarvan hangen de financiering en continuering af.

Onderzoekers van lokale onderzoeksscholen werken veel samen met collega’s in andere EU-landen. Geografen leerden gaandeweg de weg naar en in Brussel te vinden. Europees geld is alleen beschikbaar voor samenwerkingsprojecten waaraan onderzoekers uit meerdere EU-landen deelnemen. In de praktijk betekent het dat in bijvoorbeeld stadsgeografische projecten veel comparatief onderzoek wordt gedaan. In alle deelnemende landen bestuderen dan lokale onderzoekers een of twee steden: hoe staat het daar met segregatie of armoede of diversiteit? De voertaal is Engels.

FOTO: SMILEY.TOERIST/WIKIPEDIA COMMONS
Aan het project RE-CITY: Reviving shrinking cities 2018-2022 deden onderzoekers uit acht Europese landen mee, onder wie stadsgeograaf Marco Bontje. Hij beschreef onder andere de teloorgang van Fieni, een stadje in Zuidoost-Roemenië, waar ooit twee grote fabrieken voor werkgelegenheid zorgden.

Een voorbeeld van zo’n project is RE-CITY: Reviving shrinking cities. Dat liep tussen 2018 en 2022 en werd bekostigd door Brussel (3,3 miljoen euro). Aan het onderzoek naar het revitaliseren van krimpende steden deden onderzoekers uit acht Europese landen mee, onder wie de Amsterdamse stadsgeograaf Marco Bontje (hij schreef enkele portretten van krimpende steden op geografie.nl). De coördinatie lag in handen van Karina Pallagst, van de TU Kaiserlautern.

In het laatste decennium is daarnaast ook de European Research Council (ERC) van groot belang geworden. Talenten kunnen daar omvangrijke persoonlijke (programma)subsidies verwerven; die zijn er voor starters, consolidators en advanced researchers.

World-leading

In 2017 trof je de fysisch geografen van de Universiteit Utrecht in een zonnig humeur aan. Volgens een onderzoek van de Center for World University Rankings was hun vakgroep de beste wereldwijd, nipt vóór de fysisch geografen in Oxford, Durham, Bern en Kopenhagen.

Heeft de nieuwe aanpak ook bij de sociaal geografen veel opgeleverd? Volgens een internationaal team van hoogleraren wel. Zij komen om de zes of zeven jaar de kwaliteit van het sociaal-geografisch en planologisch onderzoek aan Nederlandse universiteiten beoordelen. Eind 2020 bezochten ze, vanwege corona vooral digitaal, faculteiten in Amsterdam, Utrecht en Groningen. Geografisch en planologisch onderzoek aan de Radboud Universiteit bleef buiten beschouwing.

Voor hun oordeel over het onderzoek in de jaren 2013-2019 hanteerde de commissie, onder leiding van de Zweedse economisch geograaf Anders Malmberg, drie criteria: wetenschappelijke kwaliteit, maatschappelijke relevantie en levensvatbaarheid van de organisatie waarbinnen het onderzoek wordt verricht. De commissie bestudeerde de uitgebreide zelfevaluaties van onderzoeksinstituten en sprak vervolgens met onderzoekers uit alle geledingen: van hoogleraren en senior-onderzoekers tot promovendi en research master-studenten. Uiteindelijk drukte de commissie haar oordeel uit in een cijfer voor de drie dimensies (research quality, relevance to society en viability). Dat cijfer kan lopen van 1 (world leading), via 2 (very good) en 3 (good) naar 4 (unsatisfactory).

De commissie was zeer complimenteus: ze gaf vier keer een 1, en vijf keer een 2. Zo trof ze talrijke voorbeelden van ‘truly globally leading individuals and groups’ en was ze onder de indruk van de kwaliteit van het onderzoek: ‘very good to excellent’. Ook de maatschappelijke relevantie was ruimschoots in orde: de toepassing van onderzoeksmethoden en resultaten ‘to real world planning problems is generally very much integrated’. Over de levensvatbaarheid van het onderzoek – zal de organisatie woelige tijden in de toekomst overleven? – was de commissie eveneens te spreken (overal een score 2). Al waren er wel wat kanttekeningen. Zo houden onderzoekers vaak (te) veel ballen in de lucht. Ze geven ook onderwijs, jagen op subsidies, begeleiden promovendi, besturen, doen commissiewerk en moeten publiceren. De kans op overbelasting in deze ‘high-performance culture’ is reëel.

Ondanks kanttekeningen hier en daar – zo zou de organisatie meer werk kunnen maken van diversiteit in het onderzoeksteam – werd de beoordeling met opluchting en blijdschap ontvangen: de komende jaren kunnen we weer verder.

 

Met medewerking van Sako Musterd en Virginie Mamadouh.                

Geen ‘eenzame reis’
Dolly Loomans

Dolly Loomans (30) is sinds januari 2021 promovenda bij de afdeling Geografie, Planologie en Internationale Ontwikkelingsstudies van de Universiteit van Amsterdam. In 2013 begon zij er met de studie sociale geografie, in 2019 rondde zij haar research master Urban Studies af. Ze was redacteur van het tijdschrift Rooilijn, junior-docent en betrokken bij onderzoek naar onder andere dakloosheid en ambulante zorg. Wat voor onderzoek doet ze als promovendus?

‘Ik kijk in mijn onderzoek naar de woonpaden van arbeidsmigranten in Nederland. Dit is een groep die veel in het nieuws komt vanwege hun slechte positie op de woningmarkt. Er zijn echter grote verschillen tussen arbeidsmigranten. Ik breng die in kaart en probeer ze beter te begrijpen door meerdere methoden te gebruiken. Bijvoorbeeld analyse van kwantitatieve registerdata, maar ook diepte-interviews om de geleefde ervaring van arbeidsmigranten zelf mee te nemen. Ik wil meer nuance en begrip aanbrengen in het maatschappelijke en academische debat rondom arbeidsmigranten. Problemen van precaire groepen zoals arbeidsmigranten moeten in een bredere context worden geplaatst. Zo wordt dakloosheid niet alleen veroorzaakt door te weinig woningen, en zijn malafide huisjesbazen of uitzendbureaus niet de enige oorzaak van de uitwassen rondom de huisvesting van arbeidsmigranten.

Het brengen van nuance is wellicht niet het meest sexy doel, maar naar mijn idee wel een belangrijke functie van wetenschap. Iedereen hoopt natuurlijk op een baanbrekende bevinding, maar te veel focus daarop kan ook verlammend werken. Daarnaast is voor mij het doel van een promotietraject breder. Ik hoop mij vooral te kunnen ontwikkelen en bewijzen als zelfstandig wetenschappelijk onderzoeker.

Mijn onderzoek is onderdeel van een samenwerking tussen het Planbureau voor de Leefomgeving en de Universiteit van Amsterdam. Ik ben in dienst van het Planbureau en werk als externe promovendus ook aan de UvA. Omdat ik de enige promovenda ben op dit project, voelt het wel echt als een soloproject, maar ik heb veel contact met ‘lotgenoten’. Een ‘eenzame reis’ à la Hoekveld is het beslist niet. Ik zit vaak op de UvA in een kamer met de andere promovendi van de onderzoeksgroep Urban Geographies. Daarnaast werk ik een keer per week op het Planbureau. Daar kom ik juist in contact met een ander type onderzoekers en onderzoek. Die verscheidenheid vind ik heel fijn. Daarnaast heb ik veel contact met mijn begeleiders, Dorien Manting en Fenne Pinkster, zeker elke week.’