Lokale verschillen
Op regionaal en lokaal niveau verschilt de bevolkingsontwikkeling sterk (figuur 1). Groei dan wel krimp wordt vooral bepaald door binnen- en buitenlandse migratie, want natuurlijke groei is er in de meeste Nederlandse gemeenten niet of nauwelijks meer. Vanaf eind jaren 1990 verscheen structurele bevolkingskrimp op de Nederlandse kaart in een toenemend aantal gemeenten, vooral in de grensregio’s met België en Duitsland en in Noord-Nederland. In 2022 leek krimp letterlijk van de kaart verdwenen: in slechts 9 van de 344 gemeenten daalde de bevolking. Dat bijna alle gemeenten toen bevolkingsgroei kenden, had veel te maken met de opvang van Oekraïense vluchtelingen. In 2023 keerde het vertrouwde beeld van de jaren vóór 2022 terug: in 86 van de 342 gemeenten daalde de bevolking en dan vooral aan de randen van het land. We mogen ervan uitgaan dat ook de komende jaren in veel Nederlandse gemeenten het inwonertal zal dalen. Als het rapport van de staatscommissie leidt tot een nationaal bevolkingsbeleid, zou dat dus regiospecifiek moeten zijn en niet alleen over groei, maar ook over krimp moeten gaan.
Nog niet zo lang geleden had Nederland een nationaal beleid voor structurele krimpregio’s. In 2009 kwamen Rijk, provincies (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) tot een Interbestuurlijke Actieplan Bevolkingsdaling Krimpen met Kwaliteit. In 2016 volgde een tweede actieplan, dat tot 2020 zou lopen. Vanwege covid-19 werden sommige onderdelen nog even verlengd, maar in 2022 kwam ook daar een eind aan. Hoe belandde bevolkingsdaling in 2009 op de nationale politieke agenda, en waarom verdween deze daar weer van in 2022?
Erkenning en solidariteit
Begin 21e eeuw bleek uit de bevolkingsprognoses dat veel gemeenten op korte of langere termijn structurele bevolkingskrimp konden verwachten. In sommige gemeenten was die krimp al begonnen, maar dit kreeg nog weinig aandacht. In de jaren 1990 was Wim Derks van de Universiteit Maastricht een van de eerste onderzoekers die waarschuwde voor de mogelijk ingrijpende gevolgen van langdurige bevolkingsdaling. Ook in gemeenten waar de bevolking nog toenam, zag hij het demografische veranderingsproces al inzetten: eerst vergrijzing en een krimpende beroepsbevolking, wat gevolgd zou worden door bevolkingsdaling. De meeste beleidsmakers wilden dit toen niet horen.
In 2004 dook de term ‘krimp’ voor het eerst op in een provinciaal beleidsdocument, in een beleidsanalyse van vergrijzing van de provincie Limburg. Dit bleef een van de weinige uitzonderingen tot 2006, toen Wim Derks samen met beleidsadviseurs Peter Hovens en Leo Klinkers het onderwerp alsnog op de nationale beleids- en onderzoeksagenda wist te krijgen. Rond die tijd viel veel samen: alarmerende nieuwe bevolkingsprognoses en groeiende aandacht in de media en onder beleidsmakers en onderzoekers. Zo publiceerde het Ruimtelijk Planbureau (later: Planbureau voor de Leefomgeving) in 2006 een eerste rapport over krimp, het begin van een reeks studies in de jaren daarna. Andere nationale adviesorganen volgden snel, zoals de Raad voor Openbaar Bestuur en de Raad voor Financiële Verhoudingen, die in 2008 met een rapport kwamen over wat bevolkingsdaling kan betekenen voor bestuur en financiën. Ook het demografisch onderzoeksinstituut NIDI besteedde steeds meer aandacht aan krimp. Het jaarlijkse NIDI-rapport over bevolkingsvraagstukken had in 2009 krimp als hoofdthema.
De provincies en regio’s waar de krimp al ingezet was, pionierden met aanpassing van hun beleid op de nieuwe en nog onwennige situatie. De vroegere Oostelijke Mijnstreek liep hierin voorop. Het begon met een nieuwe naam, Parkstad Limburg, voor de regio en het regionale samenwerkingsverband. Op provinciaal niveau ging niet alleen Limburg krimpbeleid ontwikkelen, maar ook Zeeland en Groningen. Deze provincies erkenden dat krimp een structurele ontwikkeling was, die in delen van die provincies al gaande was (zoals in Parkstad Limburg, Zeeuws-Vlaanderen en Noordoost-Groningen) en later ook andere regio’s zou bereiken. Het was nog zoeken naar wat effectief beleid zou kunnen zijn en met welke woorden de boodschap van structurele krimp overgebracht moest worden. Zeeland koos de toepasselijke titel ‘Onverkende Paden’. De regio Parkstad Limburg en de provincie Limburg gaven er een zo positief mogelijke draai aan met slogans als ‘Krimp als kans’ en ’Demografische voorsprong’.
In 2009 kreeg krimp een prominentere plek op de nationale beleidsagenda. Een belangrijk moment was het werkbezoek van Eberhard van der Laan aan Maastricht en Heerlen. Van der Laan was toen minister van Wonen, Wijken en Integratie. In Heerlen stonden de gevolgen van krimp centraal. Aansluitend sprak Van der Laan op de conferentie De nieuwe groei heet krimp van Nicis (voorloper van Platform31) in Kerkrade. Van der Laan bleek onder de indruk van wat hij tijdens zijn werkbezoek had gezien en wilde zo snel mogelijk tot beleidsactie overgaan. In een interview in Trouw een paar maanden later gaf hij aan ‘tamelijk depressief’ teruggekomen te zijn uit Heerlen. Zijn uitgangspunt was solidariteit tussen de grote steden, waarin jarenlang veel was geïnvesteerd, en de krimpregio’s. Krimp moest een nationale beleidsprioriteit worden. In april maakten minister Van der Laan en staatssecretaris Bijleveld in een brief aan de Tweede Kamer duidelijk hoe de gevolgen van bevolkingsdaling aangepakt zouden worden. De bestuurlijke zwaargewichten Hans Dijkstal (ex-minister) en Jan Mans (ex-burgemeester van Enschede en Kerkrade) werden ingezet als Topteam Krimp. Zij bezochten Parkstad Limburg, Groningen en Zeeland en brachten niet alleen beleidsadviezen uit, maar vergrootten ook de notie dat er snel iets moest gebeuren. Dat gevoel van urgentie werd nog sterker door de start van een Nationaal Netwerk Bevolkingsdaling, de oprichting van kennisinstituut Neimed, en een bestuurdersconferentie.
Krimp- en anticipeerregio’s
In november 2009 werd het Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling Krimpen met kwaliteit vastgesteld (2009-2015). Het was in veel opzichten bijzonder. Het ging om een gezamenlijk plan van Rijk, provincies en gemeenten, dus geen top-down-beleid vanuit Den Haag. Het plan ging ervan uit dat krimp een langdurig proces zou zijn en was daarom vooral gericht op omgaan met de gevolgen van krimp in plaats van te streven naar een terugkeer naar groei. Het plan combineerde korte-termijnacties om urgente problemen aan te pakken, met strategische acties voor de langere termijn. Omdat er nog weinig ervaring was met krimpbeleid, was ook voorzien in een programma van experimenten. De pilots waren bedoeld om te leren wat wel en niet werkte.
In de samenvatting aan het begin van het actieplan werd de solidariteitsgedachte van minister Van der Laan benadrukt: ‘In de jaren ’80 en ’90 zijn de stedelijke gebieden geholpen bij de toenmalige grootstedelijke problemen en zijn met vereende krachten stadsvernieuwingsprojecten opgezet. Mede door dit nationale beleid doen de steden het nu goed en hebben zij hun rol als economische motor kunnen behouden en versterken. (…) Het ligt dan ook voor de hand dat diezelfde steden nu verbondenheid tonen met regio’s waar de bevolking afneemt.’
Het actieplan noemde drie basisvoorwaarden voor een effectieve aanpak: (1) tijdige lokale bewustwording, (2) duidelijke bestuurlijke rolverdeling en regionale bestuurskracht en (3) een effectief systeem van financiering. Het eerste punt werd al eerder aangemoedigd door onder andere het Nationaal Netwerk Bevolkingsdaling, de bestuurdersconferentie en de oprichting van kennisinstituut Neimed. De beoogde rolverdeling was dat gemeenten lokaal specifiek beleid ontwikkelden, maar hierin ook zouden samenwerken met buurgemeenten. Van de provincies werd regie, toezicht en afstemming verwacht (punt 2). Het Rijk zou zich richten op agenda- en visievorming en kennisdeling en zou verkennen hoe wetten, regels en financiering aangepast moesten worden op een situatie van structurele bevolkingsdaling (punt 3). Zo werd er een ‘tijdelijke krimpmaatstaf’ toegevoegd aan het Gemeentefonds, waardoor krimpgemeenten tijdelijk een hogere bijdrage uit het Gemeentefonds kregen.
Het actieplan richtte zich aanvankelijk vooral op drie krimpgebieden: Parkstad Limburg, Zeeuws-Vlaanderen en Noordoost-Groningen. Maar al snel kwamen meer regio’s in beeld. In 2010 werd een tweede categorie toegevoegd: anticipeergebieden. Die kenden nog geen bevolkingsdaling, maar verwacht werd dat deze snel zou inzetten. De anticipeergebieden moesten zich alvast op die toekomst gaan voorbereiden. Ook het aantal krimpgebieden werd snel uitgebreid, waardoor er uiteindelijk negen krimp- en elf anticipeergebieden waren (figuur 2).