Middelpuntvliedende krachten overheersen in de academische sociale geografie
Het zijn werelden van verschil: sociale geografie in de jaren 1970 en nu. Nieuwe interdisciplines leiden tot fragmentatie van traditionele disciplines, en de wetenschappelijke gemeenschap van geografen is diverser en internationaler geworden.
Een halve eeuw geleden, in 1973, begon ik aan een studie sociale geografie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Sociale geografie had als academische discipline in Nederland inmiddels focus en een zekere samenhang gekregen dankzij ontwikkelingen in de Engelstalige wereld van de human geography. Regionale monografieën waren niet langer het nec plus ultra, het ultieme streven, zeker niet bij jongere geografen. Zij vatten de sociale geografie op als een discipline die zich boog over de ruimtelijke organisatie van de samenleving (of omgekeerd de sociale organisatie van de ruimte) en het ruimtelijk gedrag van de mensen. Het doel was algemene modellen en theorieën te bedenken en spatial laws te ontdekken.
Ruimtelijke analyse
De nieuwe wind die door de discipline blies, vind je terug in het voorwoord van het toonaangevende Amerikaanse leerboek Spatial Organization: The Geographer’s View of the World (1972). ‘Wij denken’, schreven de auteurs Ronald Abler, John Adams en Peter Gould, ‘dat de principes die het menselijk ruimtelijk gedrag sturen algemeen van toepassing zijn over de hele wereld. Natuurlijk, sommige onderdelen van de menselijke ruimtelijke organisatie zijn toe te schrijven aan unieke factoren, maar we menen dat wat gemeenschappelijk is in de manieren waarop mensen de ruimte waarnemen en organiseren veel belangrijker is.’ Het betekende een revolutie in het denken: niet langer het unieke van een regio beschrijven (idiografie), maar op zoek gaan naar het algemene in ruimtelijke patronen (nomothese).
Dat dit een begaanbare weg was, had Walter Christaller veertig jaar eerder aangetoond met zijn theorie over regelmatigheden in het ruimtelijke spreidingspatroon van dorpen en steden (opgevat als centrale plaatsen met voorzieningen voor het achterland). Hij ging daarbij uit van veronderstellingen over het gedrag van consumenten. Zoals Abler c.s. schreven: ‘Om hun behoeften en verlangens te bevredigen genereren mensen ruimtelijke processen, en deze processen creëren ruimtelijke structuren die op hun beurt geografische processen beïnvloeden en wijzigen.’ Het was in een notendop het programma van de ruimtelijke analyse. Ook aan de VU, al moest de ruimtelijke analyse daar gecombineerd worden met ‘de geografische beschouwingswijze’ die VU-hoogleraar Gerard Hoekveld had ontwikkeld. Daarbij stonden ‘handelingsverbanden’ centraal. Ook elders in Nederland waren opleidingen een soms ongemakkelijke mengelmoes van Amerikaans-Britse ruimtelijke analyse en lokale opvattingen. En van oud en nieuw: behalve Spatial Organization moest ook Het Nederlandse volk in zijn woongebied. Hoofdlijnen van een economische en sociale geografie van Nederland (1965) van de Groningse hoogleraar Hendrik Jacob Keuning worden bestudeerd.
Terwijl in de jaren 1970 het denken veranderde en de ruimtelijke analyse en gedragsgeografie uitgroeiden tot de nieuwe orthodoxie in Nederland, bleef de wetenschappelijke gemeenschap er een van witte mannen. Vrouwen maakten daarvan bijna geen deel uit. Ook buitenlanders waren zeldzaam.
Zoals Ajax in de jaren 1970 bestond uit Nederlandse (grotendeels Amsterdamse) spelers, met uitzondering van de Duitse Horst Blankenburg, zo werden geografische instituten vooral bemand door lokale stafleden, veelal opgeleid in eigen huis. In het professionele voetbal én het wetenschappelijk bedrijf zijn die lokale teams tegenwoordig verdwenen. Wat is er in een halve eeuw allemaal veranderd, als je kijkt naar het vakgebied sociale geografie in Nederland, opgevat als een geheel van kennis, én als een scientific community?
Meerstemmigheid
De hoofdstroom van een gecombineerde ruimtelijke analyse en gedragsgeografie verloor al snel aan gezag. Er kwamen opvattingen die deze aanpak kritisch beoordeelden en alternatieven aandroegen. De marxistische benadering van David Harvey en anderen is daarvan de oudste, gevolgd door humanistische, feministische en postmoderne benaderingen. Sociale geografie werd opnieuw een polyparadigmatische discipline. Sommigen, zoals wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn, bedenker van de paradigmatheorie, vinden dit een teken van onvolwassenheid van een discipline. Het onophoudelijke debat over grondslagen, idealen en centrale concepten zou wetenschappelijke progressie verhinderen. Anderen, vooral sociale wetenschappers, vinden het juist een teken van vitaliteit, niet iets om je voor te schamen.
stromingen in de wetenschap.
Verschillende perspectieven zijn welkom. Publicaties met (onder)titels als The geographer’s view of the world (Abler c.s.) en De geografische beschouwingswijze (Hoekveld) zouden tegenwoordig eerder ‘a view’ en ‘een beschouwingswijze’ heten. Uit de tijdschriften zijn de felle debatten over de aard en grenzen van de sociale geografie en over het onderscheid met verwante disciplines vrijwel verdwenen. Voor discussies over de identiteit van het vak loopt niemand meer warm, de impact op onderzoek is minimaal. Meerstemmigheid is vanzelfsprekend geworden, ook in hedendaagse studieboeken als An Introduction to Human Geography van Peter Daniels e.a. Dat hieraan dertig auteurs meeschreven, heeft het commerciële succes niet in de weg gestaan: de eerste editie kwam uit in 2001, de vijfde in 2016.
Gekleurde kennis
Tegenwoordig benadrukken velen dat kennis situated knowledge is, gekleurde constructies van onderzoekers. Wellicht hebben ze de pretentie objectief en onafhankelijk te zijn, maar feitelijk zijn ze allesbehalve ‘vrij zwevend’. Onderzoekers zijn gebonden aan hun klasse (aldus marxistisch geografen), gender (feminisme) en westerse komaf (postkolonialisme). Hun blik op de wereld is niet a view from nowhere. Zo roept Sarah Radcliffe, hoogleraar geografie van Latijns-Amerika in Cambridge, in haar boek Decolonizing Geography (2022) op om een einde te maken aan de dominantie van westerse white geographies. Dat zijn vrij vertaald ‘de manieren om de wereld te zien, te begrijpen en te ondervragen, gebaseerd op raciale en koloniale veronderstellingen die als normaal en natuurlijk worden beschouwd (dus niet worden opgemerkt) en in stand worden gehouden’. Het wordt volgens Radcliffe tijd dat er in het vakgebied aandacht komt voor Black geographies en Indigenous geographies, kennis die is ontwikkeld door en voor zwarte en inheemse mensen in relatie tot hun plaatsen, gebieden en ruimten. Overigens hebben ook andere vakgebieden te maken met een koloniale erfenis. In de reeks waarin Radcliffes boek verscheen, zijn andere titels Decolonizing Sociology en Decolonizing Politics.
Van een samenhangend geheel, met een netwerk van centrale begrippen, is geen sprake meer
De stelling dat kennis niet vrij zweeft, leidt tot relativering van theorieën en waarheden. Studenten, is mijn ervaring, accepteren de idee van situated knowledge wel, maar willen vervolgens heel pragmatisch toch ‘harde’ kennis waarmee ze later in de praktijk hun brood kunnen verdienen. Met geografische informatiesystemen (GIS) kun je praktisch uit de voeten, postmodernisme is iets voor de ivoren toren van academische wetenschap, is de gedachte. Dat kan echter alleen op voorwaarde dat studenten naar wetenschap leren kijken als kennis die verbonden is met en wordt ingezet voor belangen. Want (toegepaste) onderzoekers staan niet ver boven de partijen. Ook hun analyses zijn niet vrij zwevend maar ‘verhalen’, die vaak te maken krijgen met ‘tegenverhalen’.
Interdisciplines
Met de groei van het aantal beoefenaars van het vak nam ook het aantal specialisaties toe. Je ziet dat bijvoorbeeld terug in leeropdrachten van hoogleraren: die worden steeds specialistischer en nauwer omschreven. Je bent niet meer hoogleraar stads- en plattelandsgeografie, maar hoogleraar urban transitions. De sociale geografie is de afgelopen decennia uitgegroeid tot een tamelijk losse en chaotische ‘assemblage’ van een uitdijende verzameling onderdelen, met weinig onderlinge communicatie. Van een samenhangend geheel, met een door iedereen aanvaard netwerk van centrale begrippen, is dan ook geen sprake (meer). Fragmentatie domineert.
Tegenover de afnemende interne communicatie staat veel meer externe communicatie: specialisaties gaan verbindingen aan met aangrenzende, buiten de sociale geografie gelegen en al langer bestaande (sub)disciplines, en met opkomende interdisciplinaire vakgebieden. Zo raakt politieke geografie nog meer dan voorheen verbonden met politicologie en internationale betrekkingen, en wordt deze een van de vormgevers van nieuwe interdisciplines als terrorism studies, security studies, conflict studies, border studies en global studies. Rurale geografie vormt samen met onder meer rurale sociologie en antropologie rural studies. Stadsgeografie gaat (geheel of gedeeltelijk) op in het nieuwe veld van urban studies, geografie van toerisme en recreatie in leisure studies, medische geografie in health studies, migratiegeografie in migrant studies of mobility studies, culturele geografie in cultural studies, feministische geografie in gender studies, ontwikkelingsgeografie in (international) development studies, diergeografie in animal studies, geografie van natuurrampen in disaster studies. Veelzeggend: wie vroeger Blackwell’s bezocht, de academische boekhandel in Oxford, vond daar een grote kast human geography. Tegenwoordig is die kast gereduceerd tot een plankje van een paar decimeter lang, terwijl urban studies, area studies en development studies elk meters plankruimte in beslag nemen.
De nieuwe interdisciplines hebben ook allemaal een eigen institutionele vorm, met (master)opleidingen, congressen, tijdschriften, leerstoelen, hand- en leerboeken. Ze maken een vitale indruk en trekken veel (master)studenten. Geografen participeren er volop in, en hun inbreng wordt gewaardeerd getuige bijvoorbeeld de lof die Nederlandse geografen onlangs kregen toegezwaaid van een internationale visitatiecommissie.
Er is ook een tegenbeweging van geografen die gehecht zijn aan de moederdiscipline. Als reactie op deze middelpuntvliedende krachten spannen zij zich in om de kern van de geografie weer te versterken. Deze centripetale pogingen om een door alle geografen geaccepteerd begrippennetwerk te creëren (credo: ‘unifying geography’) maken toch een beetje de indruk van een achterhoedegevecht van een wat oudere generatie geografen die de ‘uitholling’ van de (sociale) geografie aan het hart gaat.
Diverser en internationaler
Weerspiegelt het gedeeltelijk ‘oplossen’ van de academische sociale geografie in nieuwe interdisciplines zich ook in de wetenschappelijke gemeenschap van geografen? Vergeleken met enkele decennia terug is die gemeenschap veel diverser, internationaler en interdisciplinair geworden. In 1973, toen ik ging studeren, telde Nederland geen vrouwelijke hoogleraar geografie – het dichtstbij in rang kwam nog Elisabeth Gottschalk als lector historische geografie aan de Universiteit van Amsterdam. Leerstoelen geografie werden niet bezet door buitenlanders, en evenmin door mensen die zelf geen geograaf waren.
Hoe anders is dat nu. Neem het departement Sociale Geografie en Planologie van de Universiteit Utrecht – dat ken ik het best, maar in Amsterdam, Groningen en Nijmegen is het niet wezenlijk anders. Van de tien kernhoogleraren in Utrecht zijn er zes vrouw. Vier van de tien zijn ooit opgeleid als sociaal geograaf, de rest is stadsplanner, antropoloog of econometrist. Vijf zijn buiten Nederland geboren en getogen. In de rangen beneden die van hoogleraar (universitair hoofddocent en universitair docent) is het plaatje niet wezenlijk anders. Van de promovendi komt zelfs driekwart uit het buitenland; de meesten met een beurs van hun land. Engels is de voertaal geworden, in wetenschappelijke publicaties, maar ook in vergaderingen, nieuwjaarstoespraken en in het (master)onderwijs. Toegenomen is ook de mobiliteit: onderzoekers wisselen sneller van universiteit dan voorheen. Omdat een vaste aanstelling uitblijft, of omdat ze elders een hogere positie kunnen krijgen. Eigenlijk lijken lokale wetenschappelijke gemeenschappen op hedendaagse professionele voetbalclubs: veel spelers van elders, weinig clubtrouw.
In die nieuwe lokale wetenschappelijke gemeenschappen zijn de onderlinge contacten vrij beperkt. Collega’s zien elkaar op het jaarlijkse kerstfeest en de nieuwjaarsborrel, maar verder is iedereen vooral druk bezig met de eigen winkel: onderzoek doen en publiceren (publish or perish), subsidies binnenhalen en soms ook cursussen geven in de eigen specialisatie. Veel belangstelling voor het werk van collega’s verderop in de gang is er meestal niet; contacten zijn eerder wereldwijd (met collega’s in het zelfde veld van onderzoek). Het gevoel samen een team te vormen, is slechts mondjesmaat aanwezig.