Steeds meer variatie in sociaal-geografische methoden
Geografie als wetenschap
Van een methodologische revolutie zoals in de jaren 1960-70 is geen sprake, maar van een stilstand evenmin. Nieuw manieren om data te verzamelen en te analyseren zijn volop in ontwikkeling. Toenemende rekencapaciteit maakt kwantitatieve analyses steeds complexer. Daarnaast bloeien kwalitatieve methoden.
Studenten sociale geografie leerden in de jaren 1960 dat hun vak een buitenbeentje was, methodologisch en wetenschapsfilosofisch bezien. Geografen bestudeerden regio’s en legden in hun beschrijvingen de nadruk op de uniciteit van gebieden. Andere wetenschappers zochten naar wetmatigheden en vormden theorieën, maar geografen konden dat niet, want elke regio had een eigen karakter.
Kwantitatieve revolutie
Tien jaar later was alles anders. Vanuit de Verenigde Staten waren nieuwe ideeën komen aanwaaien, die gretig werden overgenomen door een jonge generatie docenten die soms zelf in de VS kennis hadden gemaakt met de spatial analysis, in Nederland omgedoopt in de ruimtelijke analyse. Regio’s werden niet langer bezocht om hun unieke kenmerken in kaart te brengen, maar om er theorieën te toetsen. Ging de centrale-plaatsentheorie, door Walter Christaller ontwikkeld voor Zuid-Duitsland, ook op voor het Midwesten van Amerika? En was Von Thünens model van agrarische ringen rondom een centrale markt behalve in Mecklenburg-Voorpommeren ook elders bruikbaar? Studenten kregen voortaan cursussen statistiek, maakten kennis met de empirische cyclus, factoranalyses en markovketens, en leerden met het statistiekprogramma SPSS omgaan. Ze brachten verwachtingsvol stapeltjes ponskaarten naar de balie van het universitaire rekencentrum, waar de centrale computer stond. Groot was de teleurstelling als ze na enkele uren wachten geen dikke stapel uitdraaien maar een paar velletjes kregen overhandigd. De computer bleek gestruikeld over een punt op de ponskaarten waar een komma had moeten staan…
De omslag in methodologie en wetenschapsfilosofie stond wel bekend als de ‘kwantitatieve revolutie’ in de sociale geografie. Maar zoals elke revolutie, riep ook deze tegenkrachten op.
Mens centraal
Vanaf de jaren 1990 raakten ook kwalitatieve methoden van onderzoek in zwang. Niet langer werden die met enig dedain (‘veredelde journalistiek’) bekeken door de ruimtelijk-analytische hoofdstroom, maar erkend als waardevolle aanvulling. In plaats van data te verzamelen via enquêtes met zo veel mogelijk respondenten, werden bijvoorbeeld diepte-interviews met een bescheiden aantal mensen populair. Het inzicht was ontstaan dat veel onderwerpen, zoals de beleving van machtsverschillen en leven aan de rand van de samenleving, zich niet goed laten onderzoeken met een vragenlijst met vaste antwoordcategorieën. Geen tabellen en formules, maar citaten en miniverhalen van geïnterviewden. Hierin stond de mens weer centraal, die in de modellen van de ruimtelijke analyse uit het zicht was geraakt. In opleidingen kwam naast de statistiekcursus ook een – eerst aanbevolen, vervolgens verplichte – cursus kwalitatieve onderzoeksmethoden. In de 21e eeuw hebben kwantitatief en kwalitatief onderzoek beide bestaansrecht, evenals mixed methods – een ‘gemengde’ manier van verzamelen van zowel kwantitatieve als kwalitatieve data. We zoomen in op enkele hedendaagse voorbeelden.
Ruimtelijke econometrie: grenseffecten
Toen Paul Krugman in 2008 de Nobelprijs in de economie won met zijn New Economic Geography, werd er wat schamper gelachen onder geografen. Economen hadden immers de afgelopen decennia maar bitter weinig aandacht gehad voor ruimtelijke aspecten? Bovendien was Krugmans model simpel of zelfs simplistisch, en relaties leggen met de echte wereld leek lastig. Sindsdien hebben economen en hun modellen echter wel degelijk nieuwe energie in de ruimtelijke analyse gebracht – niet met theoretische modellen, maar met ruimtelijke econometrie.
Ouderwetse regressieanalyses zijn zo langzamerhand met één druk op een knop uit te voeren, en ruimtelijke data zijn ook alom beschikbaar. Wat de econometrie daaraan toevoegt, is dat je ook verschillen en relaties tussen regio’s kunt meenemen in een regressieanalyse. Econometristen doen dat om hun model te verbeteren, kwantitatief geografen omdat ze de ruimtelijke effecten willen meten. Zij stellen bijvoorbeeld de vraag over welke afstand een effect optreedt. Neem steden: soms zijn ze regelrechte rivalen, maar ze kunnen ook van elkaars nabijheid profiteren. Haarlem heeft geen eredivisievoetbal, dierentuin, concertgebouw, universiteit of rijksmuseum. Daarvoor ontbreekt het lokaal aan draagvlak. Maar de Haarlemse inwoners en ondernemers kunnen daarvoor wel naar Amsterdam. Profiteren ook Zwolle of Groningen nog van deze borrowed size? Of zijn de voorzieningen in Amsterdam daarvoor te ver weg?
In de 21e eeuw hebben kwantitatief en kwalitatief onderzoek beide bestaansrecht, evenals mixed methods
Steden in de Randstad hebben voordeel van elkaars nabijheid, en dat geldt evenzeer voor steden in het Ruhrgebied en in de Vlaamse Ruit. Maar de drie stedelijke regio’s kunnen in theorie ook van elkáár profiteren. In werkelijkheid doen ze dat echter minder dan theoretisch mogelijk is. Want behalve de geografische afstand bestaat er ook een grote institutionele en culturele afstand tussen deze regio’s. Ze liggen in verschillende landen, gescheiden door een landsgrens. Voor een advies speelden enkele onderzoekers, onder wie Martijn Smit met de parameters voor ruimtelijke spreidingseffecten (spillovers) in een sterk gesimplificeerd model dat economische productiviteit verklaart. Stel dat de spillovers mét een landsgrens ertussen net zo groot zouden zijn als die binnen een land. En stel dat de effecten van borrowed size verder toenemen in de toekomst. Figuur 1 laat zien welke regio's dan hypothetisch zouden profiteren: in ons land vooral de Noordvleugel en de regio-Breda, in Duitsland vooral de steden langs de Rijn.
Schaalniveaus combineren: persoonlijke wooncirkels
Kwantitatieve onderzoekers van buurteffecten analyseren de invloed van buurtkenmerken (bijvoorbeeld armoede of etnische diversiteit) op sociale uitkomsten, zoals werkloosheid, integratie, gevoel van veiligheid en stemgedrag. Noodgedwongen maken zij daarbij meestal gebruik van administratieve grenzen, zoals die van viercijferige postcodegebieden. Maar hoe mensen hun buurt zien, komt zelden overeen met de administratieve grenzen. Als mensen hun eigen buurt op een kaart mogen intekenen, is die meestal veel kleiner dan de administratieve buurt. Bovendien zien de meeste mensen hun woning min of meer als het middelpunt van de buurt. Iemand die aan de rand van een postcodegebied woont, zal dus waarschijnlijk een deel van het aangrenzende gebied als ‘eigen buurt’ beschouwen. Deze subjectieve buurt vertoont niet of maar gedeeltelijk overlap met de buurt van iemand die aan de andere kant van het zelfde postcodegebied woont.
Een ander probleem met administratieve buurten is dat je niet kunt onderzoeken welke schaal nu het meest relevant is voor het onderzochte verschijnsel. Mensen worden beïnvloed door sociale processen die zich op verschillende schaalniveaus afspelen. Als werkloosheid bijvoorbeeld wordt veroorzaakt door discriminatie, omdat je in een gestigmatiseerde wijk woont, is die wijk een belangrijke schaal. Wordt de kans op werkloosheid beïnvloed door het gebrek aan positieve rolmodellen, dan is de directe woonomgeving belangrijker, omdat daar de meeste persoonlijke interacties plaatsvinden.
De afgelopen tien jaar is een beter alternatief voor administratieve buurten in zwang geraakt, namelijk egohoods. Dit laat zich het best vertalen als persoonlijke wooncirkels. Rond elke woning kun je cirkels trekken van verschillende grootte. Uiteraard moet je toegang hebben tot data op zeer laag schaalniveau, om vervolgens ook een analyse te doen waarin je de kenmerken van de wooncirkels meeneemt. Rotterdamse stadssociologen hebben dat gedaan om verschillen in onveiligheidsbeleving te onderzoeken. Ze vonden bijvoorbeeld dat overlast en gewelddadige misdrijven alleen effect hadden op de laagste schaalniveaus (wooncirkels tot 150 meter) en voorzieningen vooral van invloed waren op de hogere schaalniveaus (wooncirkels vanaf 250 meter). Etnische samenstelling had een effect op onveiligheidsgevoelens op alle schaalniveaus.
Een ander voorbeeld van het werken met persoonlijke wooncirkels is een Utrechts research masteronderzoek in 2020 naar het effect van de etnische samenstelling van de buurt op stemmen op de PVV. De studentonderzoekers gebruikten daarbij niet alleen persoonlijke wooncirkels op basis van schaal, maar ook op basis van het aantal inwoners, variërend van de 200 dichtstbijzijnde buren tot de 30.000 dichtstbijzijnde ‘buren’. Voor vrijwel alle schalen (van 200 tot 5000 meter en van 4000 tot 12.000 inwoners) vonden ze eenzelfde U-vormig verband tussen de etnische samenstelling en stemmen op de PVV. In buurten met een laag aandeel mensen met een niet-westerse herkomst is de steun relatief hoog. Naarmate dat aandeel toeneemt, neemt de voorkeur voor de PVV af, maar bij een aandeel van ongeveer 25% slaat het weer om. Vanaf dat punt gaat een hoger aandeel mensen met een niet-westerse herkomst samen met een grotere sympathie voor de PVV (figuur 2).
Dit onderzoek rekent af met het schaalprobleem waarmee het meeste onderzoek naar buurteffecten kampt, maar ook met de impliciete neiging buurten als eilanden te beschouwen die niet in relatie tot elkaar staan. Het laat zien dat stemgedrag niet alleen afhankelijk is van de kenmerken van de eigen buurt, maar ook van hoe de eigen buurt verschilt van omliggende buurten. De onderzoekers vinden een ‘halo-effect’, namelijk dat de steun voor de PVV in ‘witte’ wijken vooral hoog is als het percentage minderheden in een van de omliggende wijken hoog is. Een verklaring zou kunnen zijn dat de concentratie van minderheden in de nabijheid als bedreigend wordt ervaren. En doordat minderheden in de eigen wijk ontbreken, is er weinig kans op contacten met leden van de minderheidsgroepen die de angsten en vooroordelen zouden kunnen dempen.
Meeloopinterviews
Mobiele onderzoeksmethoden zijn al een tijd in opmars binnen de sociale geografie. De laatste jaren is bijvoorbeeld het walk-along interview, ofwel meeloopinterview, populair. Dit haalt onderzoek uit de statische context van gecontroleerde omgevingen. Het gaat om gesprekken tijdens wandelingen waarbij respondenten de route bepalen. Deze methode heeft veel oog voor het belang van de dagelijkse omgeving en het feit dat gedrag, gevoel en ervaringen van mensen mede beïnvloed worden door de plek waar zij zich bevinden.
Het is een uitstekende methode om de relatie te onderzoeken tussen wat mensen zeggen en waar ze dat doen. Dit geeft onderzoekers beter inzicht in de contextgebondenheid van de ervaringen. Bovendien roepen sommige plekken specifieke herinneringen op die de respondent anders niet zo snel had gedeeld. Door gevoelens en ervaringen ter plekke te bediscussiëren, krijgt het interview makkelijker diepgang en genereert ‘rijke data’ die meer geur en kleur hebben dan een statisch interview.
Walk-along interviews geven inzicht in de contextgebondenheid van ervaringen
Het walk-along interview biedt respondenten de vrijheid plekken te introduceren waaraan de onderzoeker zelf nooit had gedacht. Neem een onderzoek naar thuisgevoelens van Syrische vluchtelingen in Nederland. Een Syrische man nam de onderzoeker tijdens een meeloopinterview mee naar een belangrijke plek in zijn leven: een bankje in een park. Hij vertelde hoe blij hij was geweest toen hij deze plek zelf had ontdekt. ‘Toen ik in Meppel aankwam, ging ik in eerste instantie altijd naar het centrum, ik keek naar de winkels, ik probeerde de stad te ontdekken. Ik zocht ook online of ik mooie nieuwe plekken kon vinden om te bezoeken. Soms bezocht ik grote steden en liep ik daar rond. En toen ontdekte ik deze plek. Ik kom hier nu regelmatig met vrienden om te zwemmen en soms komen we hier ook in de avond om shisha te roken, op dit bankje.’ Meestal gaat hij met Syrische vrienden naar deze plek om samen te zijn en te ontspannen. Maar soms komt hij hier alleen om zijn hoofd leeg te maken en van de natuur te genieten. Het feit dat hij de plek zelf ontdekt heeft, maakt deze een belangrijk onderdeel van zijn proces zich thuis te gaan voelen in Meppel en in Nederland in het algemeen. Tijdens het interview vertelde de man ook dat hij een paar keer Nederlandse vrienden had meegenomen naar deze plek en dat het veel het voor hem betekende dat ze meegingen naar ‘zijn bank’. Deze alledaagse vormen van integratie worden niet vaak belicht in onderzoek, maar zijn van grote betekenis als we willen begrijpen hoe mensen onderdeel zijn en worden van lokale gemeenschappen.
Kruisbestuiving
Hedendaagse sociaal geografen zijn bepaald niet eenkennig in hun werkwijzen. Economisch geografen werken samen met econometristen aan modellen, stadsgeografen ontwikkelen samen met sociologen nieuwe kwantitatieve technieken, en sociaal geografen volgen in hun veldwerk steeds vaker kwalitatieve methoden die voorheen vooral antropologen gebruikten. Geïnspireerd door de cultural turn ontwikkelden geografen daarnaast nieuwe kwalitatieve onderzoeksmethoden zoals het meeloopinterview dat – meer dan statische onderzoeksmethoden – geschikt is om beleving, ervaring en emotie in het moment vast te leggen. Er is interdisciplinariteit ontstaan, niet alleen inhoudelijk maar ook methodologisch, en de geografen brengen daarbij hun specialiteit in: ruimte.
BRONNEN
- Evans, J., & Jones, P. (2011), The walking interview: Methodology, mobility and place. Applied Geography, 31(2), 849-858.
- Glas, I., Engbersen, G., & Snel, E. (2019). Going spatial: Applying egohoods to fear of crime research. The British Journal of Criminology, 59(6), 1411-1431.
- De Groot, H.L.F., Van Oort, F.G., & Smit, M.J. (2016). Synergies between metropolitan, agglomeration, infrastructure and network policies in urban Europe: The case of the Lower Rhine Region. Utrecht: Universiteit van Utrecht.
- Hawkins, H. (2019). Geography’s creative (re)turn: Toward a critical framework. Progress in Human Geography, 43(6), 963-984.
- Hay, I., & Cope, M. (Eds.) (2021), Qualitative Research Methods in Human Geography. Oxford: Oxford University Press.
- Ingold, T., & Lee, J. (2008). Ways of walking: Ethnography and practice on foot. London: Ashgate.
- Kaal, H.L., Vanderveen, G.N., & McConnell, W. (2008). Een postcodegebied is de buurt niet. Het gebruik van buurtvragen in (criminologisch) surveyonderzoek. Sociologie, 4(4), 371-394.
- Kusenbach, M. (2003). Street phenomenology: The go-along as ethnographic research tool. Ethnography, 4(3), 455-485.
- Moles, K. (2008). A walk in thirdspace: Place, methods and walking. Sociological Research Online, 13(4), 31-39.
- Van Wijk, D., Bolt, G., & Tolsma, J. (2020). Where does ethnic concentration matter for populist radical right support? An analysis of geographical scale and the halo effect. Political Geography, 77, 102097.