Ik dacht altijd dat Ligurië een welgestelde provincie was. Tot ik er ging fietsen. Het is er linke soep: scheuren, kuilen en gaten in de wegen. Kleine gaten, grote gaten, tot 30 centimeter diep. Vooral de kleine paswegen (de witte weggetjes op de kaart) zijn slecht. Verklaarbaar natuurlijk: de winters zijn ijskoud en de zomers snikheet.
Ik kom er niet zo vaak, maar ik vind het er prachtig: de Wadden. Zo was ik in oktober op Terschelling en fietste over het eiland. Daar werd ik opnieuw gegrepen door het afwisselende landschap op die paar vierkante kilometer.
De mooiste tijd van het jaar om er te fietsen is september. De bossen beginnen dan al wat bruinrood te kleuren, terwijl de temperatuur nog steeds aangenaam is. En heb je ’s avonds behoefte aan vertier, dan zak je af naar de Moezel, met haar vele wijndorpen. Of je gaat naar Trier, de bruisende universiteitsstad met zijn fraaie oude centrum. De volgende dag fiets je dan weer kilometers lang omhoog in de Hunsrück en geniet je opnieuw van het stille en rustige landschap.
In de laatste zeven jaar kende de Tour de France zes keer een winnaar uit Groot-Brittannië. Toch roept het land niet meteen de associatie met fietsen op. De vraag lijkt dan ook gerechtvaardigd of je daar goed kunt fietsen. Op die vraag zijn twee antwoorden mogelijk: nee, want het is er levensgevaarlijk; ja, want het is er schitterend.
Klimmen is leuk, ook al is het vermoeiend en soms loodzwaar.
De klimaatverandering en de verduurzaming van het energiegebruik vragen ruimte, net als natuurontwikkeling en de bouw van bijna een miljoen woningen. De gevolgen voor het landschap zijn onontkoombaar. Hoe en waar gaan die fundamentele transities plaatsvinden en kunnen we – slim als we zijn – de uiteenlopende ruimteclaims en beleidsdoelstellingen ook combineren?
Bovenaan mijn lijst ooit nog te bezoeken landen staat Ierland. Daar ben ik gek genoeg nog nooit geweest. Wat houdt me tegen? Geen idee. Nou ja, een partner die liever de zon opzoekt. En zo reisden we vorige maand af naar Sardinië.
Bij ons thuis zijn we dol op Toscane. Het eten, de mensen, de taal, het klimaat, de steden, het landschap. Ach, wie houdt er niet van Toscane? Een wat vergeten stukje is de Maremma, de kuststreek in het zuidwesten van Toscane. Oorspronkelijk was het een wat treurige streek. In de moerassen en lagunes langs de kust kwam veelvuldig malaria voor. Het was een dunbevolkte streek van veeboeren en er waren nauwelijks steden van enige betekenis. Heel on-Toscaans eigenlijk.
Als je vanuit Nederland de grens met België passeert, verandert het landschap. Alles ziet er opeens anders uit: de woningen, dorpen, weilanden, akkers, bossen, wegen, bedrijfsterreinen, steden, het nederzettingspatroon, de verkavelingsstructuur, alles. Het is fascinerend. De oorzaken zijn meervoudig, maar zal ik hier buiten beschouwing laten. Koester het raadselachtige.
Frank van Dam heeft twintig jaar in Utrecht gewoond. Met veel plezier, want vanuit Utrecht kun je schitterend fietsen. Verschillende landschappen staan de fietser ter beschikking: het Vecht- en Plassengebied in het noorden, het Veenweidegebied in het westen, het Rivierengebied in het zuiden en de Utrechtse Heuvelrug in het oosten.