Boeken 2026 | 1
Pas verschenen
- Bosma, U. Leven op een vulkaan. Franz Junghuhn; een biografie. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 360 p. + 16 p. kleurenafbeeldingen, € 27,50.
Een halve eeuw eerder dan Anton Nieuwenhuis (zie verderop in deze rubriek) trekt Franz Junghuhn (1809-1864) door Nederlands-Indië. Beiden zijn van origine koloniale artsen, maar in leven en werk verschillen ze sterk. Anders dan Nieuwenhuis is Junghuhn niet zo zeer geïnteresseerd in de volkenkunde (hoewel hij een boek schrijft over de Batak in Sumatra) maar vooral in de geomorfologie en botanie. Zo beklimt hij alle vulkanen op Java. En Junghuhn keert samen met zijn vrouw na verlof in Nederland wél terug naar Indië. Wie meer wil weten over de biografie die Ulbe Bosma schreef: lees de bespreking in het Tijdschrift voor Historische Geografie (2025, 3).
- Blaisse, M. De Franse illusie. De ontluisterende werkelijkheid achter de fraaie façade. Balans, 240 p., € 23.
Vroeger schreven geografen landenboeken, bijvoorbeeld voor uitgeverij Romen. Zo koester ik Frankrijk (1977) van Wim Smit. Tegenwoordig hebben journalisten dit ambacht overgenomen. Correspondenten doen verslag van het wel en wee van het land waar ze werken, of kijken na hun vertrek terug op het land dat ze in veel gevallen hebben leren liefhebben. Zo ook Mark Blaisse. Frankrijk ‘bulkt van tradities, inventiviteit en nimmer aflatend patriottisme’, maar ‘houdt niet van verandering. Het klampt zich liever vast aan illusies’. Een vergelijkbaar boek over Groot-Brittannië, ook bij Balans verschenen, is Verdeeld Koninkrijk. Op reis door het Groot-Brittannië van Charles (320 p., € 24). Daarin trekt Niels Posthumus door het land van koning Charles.
Signalementen
Een dam van Gibraltar naar Marokko
- Beunders, H. Fanatieke fantasten. Dromen over het redden van de wereld. Walburgpers, 368 p. + 16 p. kleurenafbeeldingen, € 27,50.
In 2020 kreeg oceanograaf Sjoerd Groenkamp veel mediabelangstelling voor zijn idee om de Noordzee af te sluiten met een 620 km lange dijk in twee stukken, die van de Noordzee een Noordmeer zou maken. Bijna een eeuw eerder, in 1928, lanceerde de Duitse architect Herman Sörgel een vergelijkbare utopie, die hij in de decennia daarna – tot zijn dood in 1952 – steeds verder uitwerkte: een stuwdam tussen Gibraltar en Marokko. De dam was 300 meter hoog, 2500 meter breed op de bodem en 250 meter bovenaan, en 14 km lang. Toen uit berekeningen bleek dat een rechte dam de druk van de Atlantische Oceaan niet zou kunnen weerstaan,
ontwierp Sörgel een gekromde dam van 33 km. Deze moest verhinderen dat oceaanwater de Middellandse Zee zou instromen, zodat daar vanwege de verdamping het waterpeil zou dalen. Het toenemende niveauverschil tussen oceaan en zee moest steeds kolossalere waterkrachtcentrales mogelijk maken. Op de droogvallende stroken land langs de kusten van de Middellandse Zee konden dan nieuwe steden en badplaatsen worden gebouwd. En oude havensteden als Marseille en Genua zouden landsteden worden, aldus Sörgel. Bij de dam was een 400 meter hoge wolkenkrabber ontworpen. En Italië kon via Sicilië met een brug worden verbonden met Tunesië. Woestijngebieden zouden opbloeien dankzij irrigatiewater. Nieuw land, elektriciteit in overvloed, tienduizenden banen: het project Atlantropa zou het Avondland redden van de door Spengler voorspelde ondergang.
Sörgel zocht en kreeg steun, zowel bij vakmensen als bij een breed publiek. Zijn plan sprak tot de verbeelding. Hij schreef talloze artikelen, hield radiopraatjes, liet zich interviewen en bouwde maquettes. Ondanks zijn jarenlange inspanningen kwam realisatie nooit dichterbij, al was het maar, omdat de nazi’s en Mussolini niets zagen in Atlantropa.
Het hierboven vermelde over Atlantropa ontleen ik aan Fanatieke fantasten. Sörgel is een van de twee hoofdpersonen in dit boek, geschreven door Henri Beunders, emeritus-hoogleraar publieke opinie in Rotterdam. De tweede hoofdpersoon is Cornelis Lely, de man van de Afsluitdijk en eerder een nuchtere ingenieur dan een fanatieke fantast. Sörgel en Lely keren in alle hoofdstukken terug. Maar Beunders portretteert ook tal van andere ‘dromers’ en hun idealen in de eerste decennia van de 20e eeuw en dan vooral het interbellum. Daartoe behoorden bijvoorbeeld sciencefictionschrijvers als Bernhard Kellermann. Die publiceerde in 1913 Der Tunnel, over een held die er door de liefde van een vrouw in slaagt om ondanks tegenslagen een spoortunnel onder de oceaan te voltooien die Noord-Amerika met Europa verbindt. Het werd een bestseller, in vele talen. Ook zelfbenoemde technocraten komen aan bod. Zoals Howard Scott, die na de beurskrach van 1929 de Verenigde Staten wil veranderen in Technate of America; alleen technocratie kan het land redden. Beunders werpt zijn net heel breed uit. Ook Josephine Baker, D.H. Lawrence, Jules Verne en vele anderen komen voorbij. Fanatieke fantasten is daardoor geen strak gecomponeerde studie, maar vooral een brede intellectuele cultuurgeschiedenis van het interbellum.
Dromen van Indië in Leiden
- Bunnik, C. De Borneoreiziger en de barones. De bijzondere levens van Anton Nieuwenhuis en Margarethe von Uexküll Güldenband. Walburg Pers, 384 p. + 8 p. kleurenafbeeldingen, € 35 (gebonden).
Hij stierf in 1953, 89 jaar oud: Anton Nieuwenhuis. De kranten meldden zijn overlijden wel, maar plichtsgetrouw en summier. Want eigenlijk was hij al vergeten. Zijn glorietijd, zo schrijft biograaf Claartje Bunnik, lag dan ook lang achter hem. Dat was het laatste decennium van de 19e eeuw, toen Nieuwenhuis als dertiger Borneo doorkruiste. Hij was KNIL-arts in het kustplaatsje Samba, toen hij werd uitgenodigd om deel te nemen aan de eerste expeditie, die van 1893-1894. Aan de tweede (1896-1897) en derde expeditie (1898-1900) zou hij leiding geven. Hij deed dat op een bevlogen manier, in moeilijke omstandigheden. Niet alleen de fysische omgeving en het klimaat vergden het uiterste (lees daarover Naar het hart van Borneo van Redmond O’Hanlon), Nieuwenhuis reisde ook door een onrustige regio. Het Nederlandse koloniaal gezag beperkte zich tot enkele kustplaatsen. In het binnenland waren de Britten, die vanuit hun protectoraat Serawak opereerden, rivalen en ook de lokale stammen lagen elkaar slecht. Inheemse machthebbers hadden elk eigen belangen. In dat heftige krachtenveld trad Nieuwenhuis behendig op. Niet overal was hij welkom, want een expeditie was vaak een voorbode van de komst van het Nederlands gezag en betekende sowieso een aanslag op de voedselvoorraden ter plekke. Hoewel een koloniaal in hart en nieren, was Nieuwenhuis oprecht geïnteresseerd in de lokale bevolking en ontwikkelde hij vriendschappen met de Dajaks. Een ‘uitermate menselijke koloniaal’, zo typeert Claartje Bunnik hem. Nieuwenhuis deed over zijn reizen verslag in twee beroemd geworden boeken, In Centraal Borneo (1900) en Quer durch Borneo (1904, 1907). Met verlof in Nederland werd hij overstelpt door eerbewijzen; het KNAG maakte hem erelid.
Met het Duits in zijn tweede boek hielp zijn echtgenote Margarethe von Uexküll Güldenband hem; zij hadden elkaar in Buitenzorg ontmoet. De barones van Duits-Baltische afkomst was een gepromoveerd plantkundige, die in de vermaarde plantentuin op Java onderzoek deed. De Borneoreiziger en de barones is een dubbelbiografie. Claartje Bunnik verweeft beide levens in haar boek. Dat maakt het ook van belang voor wie geïnteresseerd is in het adellijk leven in het Balticum en de beperkingen die vrouwen kregen opgelegd. Margarethe was een sterke persoonlijkheid, die moeite had zich te schikken in haar rol als hoogleraarsvrouw en huismoeder in Leiden. Want dat was zij geworden; een carrière als onderzoeker kon ze vergeten. ‘Een offer’, noemde zij dat later in een televisie-interview.
Het echtpaar wilde graag na afloop van het verlof terug naar Indië. Maar na scherpe kritiek op de plannen voor een nieuwe expeditie was Anton daar niet echt meer welkom. Als troostprijs werd hij in 1904 in Leiden benoemd tot hoogleraar volkenkunde (en fysische geografie, maar daaraan deed hij weinig) van de Indische Archipel. Voortaan leidde hij studenten op die bestuursambtenaar wilden worden in Nederlands-Indië. Hij deed dat volgens Bunnik plichtmatig – van zijn gedrevenheid in Borneo was in Leiden weinig over. Wel gaf hij samen met de Utrechtse hoogleraar sociale geografie Niermeijer nog een reeks schoolplaten uit over Nederlands-Indië. Margarethe was in feite veel ondernemender. Zij stichtte de Nederlandsche Centrale voor Vacantiekinderen, waardoor vanaf 1916 zo’n 60 duizend ondervoede kinderen naar Nederland kwamen om aan te sterken. In 1931 stichtte zij ook de Vereniging voor Internationaal Jeugdverkeer, die contacten tussen scholieren uit verschillende landen bevorderde. Zij stierf, 96 jaar oud, in 1970. Beiden hebben, schrijft Bunnik, geworsteld met gebroken dromen. Die worsteling brengt zij overtuigend in beeld in haar lezenswaardige dubbelbiografie.
Vooral laag Nederland na 1850
- Van Dijk, M., & Van de Velde, M. Landschap in de maak; Water, mens en landschap in verleden, heden en toekomst. Landwerk. Paperback, 2 delen in kartonnen cassette, 830 p. € 69.
Nieuwe boeken over het Nederlandse landschap rollen regelmatig van de pers. Min of meer gelijktijdig met Landschappen van Nederland onder redactie van Theo Spek (zie Geografie, 2025-7) verscheen ook Landschap in de maak. Mieke van Dijk, oud-docent van de opleiding Tuin en Landschapsinrichting van Hogeschool van Hall Larenstein, en Mirjam van de Velde, oud-student van dezelfde opleiding, hebben ruim tien jaar de tijd genomen om van de twee delen een mooi, rijk geïllustreerd boek te maken. De inhoudsopgave en een ruime selectie van voorbeeldpagina’s staan op landwerk.nl. Dat het een product is van auteurs die zich vooral richten op het maakbare landschap, is duidelijk. Na een relatief korte inleiding over de fysische geografie gaat het vooral over de rol van de mens, met de nadruk op de periode na 1850 en op laag Nederland. Van de 830 pagina’s gaan slechts een krappe 100 pagina’s over hoog Nederland. Dat maakt het boek wat onevenwichtig. Wellicht was het verstandig geweest als de auteurs zich hadden beperkt tot de ontwikkeling en cultuurhistorie van laag Nederland vanaf 1850. Dan had het boek zich duidelijker onderscheiden in de grote stapel boeken die er over het Nederlandse landschap bestaat.
De veranderende visie over hoe we het landschap hebben ontgonnen en nu nog steeds inrichten en beheren, wordt in detail beschreven en geïllustreerd. Zoals bij alle landschapsboeken zijn de meeste afbeeldingen voor de enigszins belezen geograaf bekend materiaal. Maar de achtergrond van de auteurs als ontwerpers heeft wel gezorgd voor een strakke nieuwe vormgeving van de illustraties. De vele foto’s nodigen uit om ons landschap te (her)ontdekken.
Door Dan Assendorp