Boeken Geografie september 2022

26 augustus 2022
Auteurs:
Ben de Pater
Departement Sociale Geografie & Planologie Universiteit Utrecht
Dit artikel is verschenen in: geografie september 2022
recensie
Opinie

Pas verschenen

  • Gibling, M. River planet; Rivers from deep time to the modern crisis. Dunedin, 226 p., € 57.

Martin Gibling, emeritus hoogleraar aardwetenschappen in Oxford, neemt ons mee in de geschiedenis van rivieren: vanaf de eerste druppel water die op aarde viel tot moderne rivieren waar landbouw, natuur, recreatie en handel hand in hand proberen te gaan. Per continent beschrijft Gibling het ontstaan en de ontwikkeling van de grote rivieren op een persoonlijke en beeldende wijze. Het verhaal van de Rijn bijvoorbeeld is kort en conventioneel, maar krijgt iets bijzonders door het contrast tussen de met modder bedekte Rijn-onderzoeker en zijn latere formele promotieplechtigheid in Utrecht (Gibling zat in de promotiecommissie). Dat de ijstijden een cruciale rol hebben gespeeld in de ligging van de huidige rivieren, komt uitgebreid aan bod. Het laatste deel van het boek gaat – hoe kan het ook anders – over de rampzalige rol van de mens in de ontwikkeling van rivieren. Gibling eindigt echter hoopvol: herstel van de desastreuze effecten van dammen, landbouw en industrie blijkt mogelijk. Niet alleen de rivieren zelf worden er beter van, ook de mensen die afhankelijk zijn van de rivieren.

Dan Assendorp

Signalementen

Bureaucratische bunker

  • Noordhoff, I. Ontaard land. De strijd van een Groninger tegen de gasregenten. Atlas Contact, 302 p., € 22.

Ontaard land bestaat eigenlijk uit twee boeken. Ongeveer de helft gaat over de landschapsgeschiedenis van het Eemskanaal en omgeving, de andere helft over het gevecht van een inwoner van het dorp Woltersum, gelegen aan het kanaal, tegen de betonnen aardgasbureaucratie. Beide onderwerpen zijn in goede handen bij Ineke Noordhoff, die landschapshistoricus is en jarenlang ook hoofdredacteur van het regionale tijdschrift Noorderbreedte. De bronnen voor haar boek staan op www.inekenoordhoff.nl.

Het Eemskanaal werd vanaf 1870 gegraven; Groningen wilde graag een zeehaven hebben om te kunnen concurreren met Hamburg – geen geringe pretentie. Het kanaal voldeed min of meer aan de verwachtingen, maar kostte drie keer meer dan begroot door de slappe grond van het Lageland. En het had natuurlijk landschappelijke, hydrologische en sociale gevolgen, zoals de doorsnijding van Woltersum en de neergang van Appingedam, voorheen de Groningse haven. Tegenwoordig ligt het kanaal hoog boven het omringende land – de (zee)waterspiegel steeg, de bodem daalde. Zware dijken houden het kanaal in bedwang, de populieren op de dijk zijn weggehaald (hun wortels zouden de stabiliteit van de dijken in gevaar brengen), zoals ook het agrarische landschap werd gladgestreken. In de toekomst zal het gebied verder vernatten; een soort van Halligen-landschap is denkbaar (zie www.toukomst.nl).

De andere helft van het boek is gewijd aan de jarenlange strijd van Henk Tienkamp tegen de aardgasmoloch. Hij kocht in 2003 een huis in Woltersum, woonde daar enkele jaren met plezier, tot het pand letterlijk uiteen begon te vallen. Schade als gevolg van aardbevingen en bodemdalingen. Tienkamp begint de strijd met de instanties die door de rijksoverheid in het leven zijn geroepen om ‘rechtvaardig, ruimhartig en met oog voor de menselijke maat’ de schade van de gaswinning te vergoeden. Instanties die ook onafhankelijk van de gasindustrie zouden moeten opereren. Het is een papieren werkelijkheid, want in de praktijk zijn ze een bureaucratische bunker die alleen de eigen belangen dient. In 2018 en 2019 gaat 80% van hun begroting op aan de inhuur van externe experts en aan het eigen personeel; gedupeerden krijgen slechts 20% in handen. Een eindeloze reeks deskundigen komt langs om de schade te onderzoeken (een buurman van Tienkamp krijgt in de loop der jaren tachtig deskundigen op bezoek) om vervolgens nooit meer iets van zich te laten horen. Klagende bewoners worden van het kastje naar de muur gestuurd. Bij instanties overheerst wantrouwen: misschien is een scheef kozijn of een wijkende muur wel het gevolg van zetschade, en niet van aardbevingen. Uiteindelijk krijgt Tienkamp, die zich als een terriër heeft vastgebeten, een reële schadevergoeding, maar anderen die eerder moegestreden zijn, worden afgescheept met een fooi. De parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning zal Noordhoffs relaas vast bevestigen.

Benzine en plastic: nog helemaal oké

  • Buelens, G. Wat we toen al wisten. De vergeten groene geschiedenis van 1972. Querido Facto, 323 p., € 20.

In de jaren 1960 had Schiebroek, een Rotterdamse buitenwijk, te lijden onder stankoverlast van de Gekro, een destructiebedrijf dat kadavers verwerkte. Iedereen accepteerde dat als vanzelfsprekend, al had een jongetje uit onze klas het moeilijk omdat zijn vader er werkte.

Het is zo maar een jeugdherinnering, zoals ook Geert Buelens herinneringen vervlecht in Wat we toen al wisten. Buelens (1971) groeide op in Duffels, gelegen tussen Antwerpen en Mechelen, en is behalve Vlaams dichter en essayist ook hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde in Utrecht. Het merendeel van zijn boek over het milieubewustzijn rond 1970 berust echter op literatuurstudie. In die tijd ontstond een brede zorg om de aantasting van natuur en milieu. In 1967 – de jaren van de Gekro – was voor Nederlandse kiezers milieuvervuiling geen issue van belang: het onderwerp stond op de 16e plaats. Vijf jaar later was dat nummer één geworden: 45% van de ondervraagden vond het milieu het belangrijkste probleem. Het rapport van de Club van Rome, Grenzen aan de groei (1972), was een bestseller en in Stockholm vond de VN-conferentie over milieu plaats, de eerste Earth Summit. Tal van actiegroepen ontstonden – vaak na een (bijna)ramp – om lokaal, regionaal of mondiaal te protesteren tegen milieuschandalen en om bij voorkeur aaibare dieren te beschermen. Ook de overheid kwam in beweging: in de Verenigde Staten bijvoorbeeld werden hoegenaamd unaniem milieuwetten aangenomen, iets wat ondenkbaar is in de huidige tijd.

Buelens schildert een breed panorama van de strijd rond natuur en milieu in 1972 en omliggende jaren (alleen het slothoofdstuk slaat een brug naar het heden) in Nederland, België en de rest van de westerse wereld. Hij laat zien hoe dat strijdperk terug te vinden is in films en stripverhalen. Geen abstracte analyse, geen statistieken maar vooral concrete voorbeelden: hoe bijvoorbeeld het Wereld Natuur Fonds onbekommerd samenwerkte met Esso en Albert Heijn. Bij Esso kreeg je per 20 liter benzine zelfklevende foto’s van wilde dieren, bij AH plastic figuurtjes van bedreigde diersoorten. Fossiele brandstoffen, plastic: destijds nog helemaal oké.

Het Stokstraatkwartier in Maastricht

  • Bokern, F. Crapuul. Kroniek van een krottenwijk. Van Oorschot, 366 p., € 25.

In stadsgeografisch veldwerk zijn weinig onderwerpen zo geliefd als gentrificatie. Het sociaal stijgen dan wel afzakken van wijken behoort tot het ijzeren repertoire van (studenten)onderzoek. Voorbeeld bij uitstek van een wijk met niveauwisselingen is het Stokstraatkwartier in Maastricht. Tot omstreeks 1840 waren de tien straatjes welgesteld, maar daar kwam een einde aan toen de stad industrialiseerde. Vooral de aardewerkfabriek van Regout had duizenden arbeiders nodig. De stijgende vraag naar woonruimte en het vertrek van de welgestelden uit de binnenstad hadden tot gevolg dat de ruime panden in het Stokstraatkwartier ‘verkamerd’ werden: huisjesmelkers timmerden er een- en tweekamerwoningen in, die ze verhuurden aan fabrieksarbeiders. Het Stokstraatkwartier werd een volkswijk, met alle kenmerken van dien: overbevolking, armoede, prostitutie, alcoholmisbruik, ruzie tussen katholieken en socialisten, maar ook sociale cohesie. Na de Tweede Wereldoorlog greep de gemeente na lang aarzelen in. ‘Asociale’ bewoners werden gedeporteerd naar ‘woonscholen’ en panden werden gerestaureerd. Vanaf de jaren 1970 is de Grote Stokstraat het domein van luxe winkels en (rijks)monumenten.

In Crapuul beschrijft Frank Bokern de wijkgeschiedenis, levendig, met veel oog voor individuen. Zoals pater Castorius, die vele jaren geweldig werk deed als buurtopbouwwerker. Boos is hij op sociaal geograaf Harry Litjens, die met zijn proefschrift Onmaatschappelijke gezinnen (1953) de gedwongen verhuizing van als ‘asociaal’ bestempelde gezinnen uit de buurt legitimeerde.

 Meer dan een bladerboek

  • Abbes, J. e.a. (Red.). Landschapsbiografie van Westerwolde. Van Gorcum, 612 p., € 39,95.
  • Spek, Th. e.a. (Red.). Landschapsbiografie van de Drentsche Aa. Van Gorcum, 514 p., € 47,50.

Al sinds het begin van deze eeuw verschijnen er landschapsbiografieën van grote diepgang en dito omvang. De landschapsbiografie van de Veluwe (zie Geografie, juni) is met 287 pagina’s bescheiden te noemen in vergelijking met die van de Drentsche Aa (uit 2015) en de onlangs verschenen Landschapsbiografie van Westerwolde. Het zijn meer dan bladerboeken. Indeling en opbouw van beide zijn vergelijkbaar. Vooral de interviews met deskundigen en liefhebbers van het landschap maken duidelijk dat de relatie tussen mens en landschap onlosmakelijk is. De Drentsche Aa gaat wat meer in op deze relatie, met onderwerpen als de groei van het toerisme, de transitie van werkdorp naar woondorp en de ontwikkeling van het natuurbeheer. Westerwolde presenteert het historisch landschap beeldend door de prachtige platen van Ulco Glimmerveen.

Westerwolde is een wat vergeten uithoek in het noordoosten van ons land, waar veel blijkt te beleven en te leren. De fysische en historische geografie van de regio krijgen een gedetailleerde bespreking. Die geeft inzicht in en begrip van de waarde van kleine landschapselementen en hun onderlinge samenhang. Het boek is voor de bewoner van het gebied een feest van herkenning en voor de buitenstaander een feest van erkenning. Westerwolde behelst veel meer dan het pittoreske stadje Bourtange en zijn omgeving. Het is een gebied waar de relaties tussen de landschapsvormende factoren als geologie, reliëf, water, bodem, vegetatie en de mens goed te lezen zijn.

Wat is de gebruikswaarde van de landschapsbiografie? In het boek blijft het in de epiloog bij een overzicht van bestaande plannen en visies en een oproep om het landschap te behouden en te ontwikkelen. Dat stelt een beetje teleur: landschapsbiografieën zouden meer een bouwsteen moeten zijn in het ontwerp van toekomstvisies voor (be)leefbare landschappen.

Dan Assendorp