16 juni 2023

Consultancy: biotoop van geografen

Dit artikel is verschenen in: geografie juni 2023 - lustrumeditie
150 jaar KNAG
Kennis
Tot aan haar benoeming als staatsecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid (hier met minister Joop den Uyl in 1981), was Hedy D’Ancona directeur van Centrum Beleidsadviserend Onderzoek (Cebeon).

Niet langer docent of overheidsplanoloog

Architectenbureaus en ingenieursbureaus waren er al heel lang, maar ‘geografenbureaus’  bestonden tot omstreeks 1980 nauwelijks. Daarna begonnen ze aan een ware opmars.

 

Ze waren hun tijd ver vooruit in 1975, Hedy d’Ancona en Maurice de Hond. Beiden werkten als docent aan het Sociaal-Geografisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Maar ze wilden graag eens iets anders dan onderwijs geven: onderzoek doen, nieuwe methoden uitproberen, zelfstandig werken voor niet-commerciële opdrachtgevers. Ze stichtten het Centrum Beleidsadviserend Onderzoek, Cebeon. Hedy d’Ancona aan de telefoon: ‘We zaten op het terrein van bouwen en wonen, verrichtten voor het Rijk bijvoorbeeld studies naar de woningbehoeften van een- en tweepersoonshuishoudens. Dat was kwantitatief onderzoek, dat vooral Maurice deed. Maar we organiseerden ook inspraakavonden over gewenste en ongewenste woonvormen. De tijd was er rijp voor. Cebeon was een kind van zijn tijd: we dachten niet aan pensioenen, de salarisverschillen waren bescheiden, iedereen vergaderde mee, we waren redelijk idealistisch en er was een grote vrijheid van komen en gaan. Als de rapporten maar op tijd af waren. En concurrenten hadden we eigenlijk niet.’

In 1984 begonnen als Stec (Stad en Economie) om vers afgestudeerde Nijmeegse economisch geografen en planologen werkervaring te laten opdoen, nu als Stec Groep actief op het terrein van vastgoed, stad en regionale economie.
Locatus (Amsterdam, 50 werknemers), opgericht door Baptist Brayé (Vrije Universiteit), inmiddels toonaangevend op het gebied van winkeldata.
Meer een netwerkorganisatie is Jonge Honden in Utrecht, dat inmiddels 23 jaar bestaat. Naar eigen zeggen: ‘een platte organisatie: geen leaseauto’s, geen secretariaat en geen directie. Wij doen alles zelf…en dat is hartstikke leuk’.

Cebeon draaide goed, de beide oprichters konden hun baan aan de universiteit opzeggen. Rond 1980 waren er veertien medewerkers. Maar De Hond en d’Ancona gingen verder. Hedy: ‘Maurice vertrok naar marktonderzoekbureau Inter/View. Zelf werd ik staatssecretaris. We hebben het bureau om niet overgedragen aan onze opvolgers.’ Cebeon is nu een gevestigd onderzoeksbureau en heeft naam gemaakt met financiële analyses van projecten en plannen. Een wereld van verschil met het Cebeon uit de beginjaren. 

Deze ontwikkeling laat zien hoe bureaus in de loop der tijd evolueren: ze veranderen van koers, worden specialistischer of juist breder, zijn succesrijk of sterven een stille dood, worden overgenomen of nemen zelf over, krijgen een nieuwe naam of behouden de oude, zijn ouderwets hiërarchisch of juist een plat netwerk. We verkennen de wereld waarvan Cebeon een voorloper was.

Survey-onderzoek

Tot in de jaren 1960 was de arbeidsmarkt voor afgestudeerden overzichtelijk. Geografen belandden doorgaans voor de klas. Ook zij die het tot hoogleraar schopten, begonnen vaak als docent aardrijkskunde. Denk aan Jan van den Bremen, Hans van Ginkel, Gerard Hoekveld en Rob Tamsma. Geografen die een baan zochten in de snel groeiende wereld van de planologische en sociografische diensten, waren pioniers. De verzorgingsstaat ontplooide zich en daarbij pasten een stevig regionaal en ruimtelijk beleid en dito overheidsinstellingen. Alle provincies tuigden bijvoorbeeld planologische diensten op, min of meer naar voorbeeld van de Rijksplanologische Dienst (tot 1965 Rijksdienst voor het Nationale Plan). Ook gemeenten hadden eigen sociografische en statistische bureaus. Zij deden min of meer permanent routinematig onderzoek naar de ontwikkelingen en problemen op hun grondgebied. Feiten en statistieken, beschrijvingen en analyses waren onmisbaar voor goede ruimtelijke plannen. Survey before plan was het adagium. De verzorgingsstaat en de ruimtelijke ordening beleefden hun hoogtepunt in de jaren 1970, tijdens het kabinet-Den Uyl, met zijn ideaal van spreiding van macht, kennis en inkomen – sociaal (over de klassen), maar ook ruimtelijk (over de regio’s).

Varenius (twee mensen) in Leeuwarden is vooral bekend om historisch-geografische publicaties over (steden en regio’s in) Noord-Nederland.
Buck Consultants, in 1985 opgericht door René Buck (economische geografie Nijmegen), heeft acht kantoren verpreid over Europa, de VS, Singapore en China.
Strabo in Amsterdam: eerst een organisatie waar afgestudeerde geografen werkervaring konden opdoen, vanaf 1995 een door Hans van Tellingen (Rijksuniversiteit Groningen) geleid bureau gespecialiseerd in winkelonderzoek.

Geografen waren heel succesvol op de verruimde arbeidsmarkt. Geografie-opleidingen ontwikkelden planologische vakken en stelden leerstoelen planologie in. Tegelijkertijd kregen zij concurrentie van nieuwe lerarenopleidingen. Academisch geschoolde geografen kregen minder belangstelling voor het leraarschap en maakten ook minder kans op de lerarenmarkt.

In de jaren 1980 raakte de verzorgingsstaat uit de gratie bij opeenvolgende kabinetten. Ook de ruimtelijke ordening kreeg de wind tegen. De nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (BRO) schrapten in 1986 grotendeels de verplichting voor gemeenten en provincies om voortdurend onderzoek te doen naar de ontwikkelingen in hun gebied. Pieter van der Heijde, tot september 2022 directeur-eigenaar van Bureau Stedelijke Planning (kader ‘In het begin…’), begrijpt dat wel: ‘Dit soort onderzoek resulteerde in veel te dikke rapporten waarvan het nut, gelet op de investering in tijd en geld, twijfelachtig was.’ Henk Voogd, destijds hoogleraar in Groningen (hij overleed in 2007), vond het juist onbegrijpelijk dat geografen en planologen niet fel protesteerden tegen ‘de inhoudelijke uitkleding van de ruimtelijke ordening’. Acht jaar later, in 1994, constateerde hij: ‘Veel onderzoeksafdelingen bij overheden zijn opgeheven, afgeslankt of samengevoegd met andere afdelingen. […] Tegenwoordig domineren incidentele projectstudies op ad hoc-basis,  vaak uitbesteed aan commerciële bureaus.’ Het langetermijnonderzoek dat overheden zelf deden, was passé, constateerde Voogd. Bijna dertig jaar later gelden zijn observaties nog steeds, al is langetermijnonderzoek terug in klimaatstudies en in rapporten van het Planbureau voor de Leefomgeving (zie p. 77).

Er speelde meer mee. Gemeenten wilden bezuinigen. Waarom permanent gemeentelijke onderzoekers in dienst nemen, als je expertise ook kon inhuren? Externen hadden bovendien de status van onafhankelijk onderzoeker, belangrijk in situaties waarin partijen en belangen botsten. Een onderzoeker van de gemeente gold niet meer als onpartijdig. Dan liever een rapport van een onafhankelijk onderzoeksbureau – hoewel in deze achterdochtige tijd ook al snel gedacht wordt ‘wie betaalt, bepaalt’.

‘In het begin was het bikkelen’
pieter vd heijden

In 1997 besloot economisch geograaf Pieter van der Heijde na zeven jaar praktijkervaring Bureau Stedelijke Planning (BSP) op te zetten. Een kwart eeuw later, in 2022, is BSP verkocht aan architecten- en ingenieursadviesbureau Sweco. Een terugblik over 25 jaar onderzoeks- en adviespraktijk, in een gesprek met Pieter van der Heijde.

‘In het begin was het echt bikkelen. De concurrentie tussen bureaus was – en is – snoeihard. Er bestond geen gelijk speelveld, eerder een wildwestsituatie, met ook kaf onder het koren. Je had veel last van door de universiteit gesteunde onderzoeksbureaus, die een ideëel doel hadden – net afgestudeerden werkervaring laten opdoen – maar dankzij die steun onder de prijs konden werken.

BSP koos van meet af aan voor een integrale aanpak en dat was nieuw. De vakwereld was toen nog sectoraal ingericht: winkelen, wonen, werken, recreatie waren aparte sectoren, terwijl ze in gebiedsontwikkeling wel samenkomen.

Of wij ooit voor het karretje van de opdrachtgever zijn gespannen? Ik geloof het niet, of het nu overheden of private partijen waren. Opdrachtgevers die wat probeerden in die richting, hebben we nee verkocht. Kijk, onderzoek in ons vakgebied is geen harde bètawetenschap, en enige kleur kun je wel aan je rapporten geven door bijvoorbeeld de sterke kanten van een strategie nadrukkelijk in beeld te brengen. Daar blijft het dan bij. Je kunt je als bureau geen partijdigheid permitteren. Want partijen die betrokken zijn bij een bepaald project, kunnen morgen of overmorgen je opdrachtgever zijn. Maar sommige bureaus hadden wel de naam een open oor te hebben voor de wensen van de opdrachtgever.

BSP had uiteindelijk drie vestigingen: Gouda, Amsterdam en Eindhoven. Daar zaten we dicht bij veel opdrachtgevers; geografische afstanden zijn nog steeds belangrijk. We hebben altijd veel geografen in dienst genomen en degenen die goed waren in kwantitatief onderzoek (zoals uit Utrecht) hadden een streepje voor. Bij de verkoop van BSP aan Sweco afgelopen september waren er zo’n 60 medewerkers, van wie 35 in vaste dienst. En 25 als zzp’er, die we detacheerden bij opdrachtgevers. Hoeveel mensen je in dienst kunt hebben, is heel conjunctuurgevoelig. Denk aan de crisis van 2010-2013, die hakte er enorm in. Opdrachtgevers moesten bezuinigen, de vraag naar onderzoek daalde en veel bureaus gingen failliet, moesten fuseren of personeel ontslaan. Gelukkig kwamen wij goed de crisis door. Maar veel werknemers gingen in deze periode buiten het vakgebied aan de slag, dus toen de economie opleefde was het moeilijk weer ervaren mensen te vinden.

Nu BSP verkocht is, heb ik afscheid genomen. Ik ga nog wel af en toe een complexe opdracht doen, in samenwerking met Sweco. Verder werk ik aan een nieuw boek, de opvolger van mijn dissertatie uit 2014 over nieuwe stedelijke centra in Nederland. Het gaat over de transformatie van winkelgebieden en vooral de “hoe”-vraag. En ik schrijf aan een familiegeschiedenis. Een soort Eeuw van mijn vader (Geert Mak), maar dan voor de generaties van mijn familie tussen het rampjaar 1672 en nu.’  

Stad en Regio doet onderzoek naar ‘stedelijke en regionale ontwikkelingen op menselijke maat’. Oprichter Gert-Jan Hospers bekleedt ook een leerstoel ‘transitie in stad en regio’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen en schrijft regelmatig voor Geografie.
Martin Boisen is universitair docent in Groningen, maar zijn bureau For the Love of Place, dat onderzoek doet naar place marketing, management en branding voor steden, runt hij vanuit zijn woonplaats Utrecht.

Een eigen bedrijf

De afbraak van overheidsplanologisch onderzoek en de opmars van commerciële adviesbureaus had grote impact op de arbeidsmarkt. Van de in Utrecht tussen 1981 en 1993 afgestudeerde sociaal en fysisch geografen die in 1994 een baan hadden, werkten vier op de tien in het bedrijfsleven. Van de afgestudeerden tot 1980 was dat in 1994 maar één op de tien. Die vier werkten overigens lang niet allemaal bij bureaus, maar bijvoorbeeld ook bij winkelconcerns, projectontwikkelaars en banken. Van de afgestudeerden in 2007-2020 werkte in 2021 30% bij een bureau; banen in het overige bedrijfsleven zijn daarin niet meegerekend. Dit zijn gegevens van Utrechtse alumni, maar voor afgestudeerden uit Amsterdam, Nijmegen en Groningen zal het niet veel anders liggen.

Niet alle bureaus waar afgestudeerden werken, zijn van origine ook door geografen begonnen. Neem het RIGO (Research Instituut Gebouwde Omgeving), in 1972 opgericht door bouweconomen en architecten in Amsterdam. Of Companen, in 1965 opgericht door planoloog Jan Launspach. De tegenwoordige directeur Bram Klouwen, zelf sociaal geograaf, vertelt: ‘Concrete aanleiding was de invoering van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) in 1965. Hierdoor moesten veel gemeenten aan de slag met planologische onderbouwingen. Launspach werkte als planologisch onderzoeker voor de gemeente Arnhem en hielp daarbij omliggende gemeenten. Dat zette hij voort in de Stichting Launspach Associatie voor Planologie, de rechtsvoorganger van Companen.’

Vanaf het begin werkten er sociaal geografen en planologen. Klouwen: ‘In de jaren 1970 waren planologische onderzoeken als onderbouwing voor ruimtelijk beleid van gemeenten de belangrijkste opdrachten. Begin jaren 1980, de tijd van de economische crisis en bezuinigingen, kwam Companen in zwaar weer door het wegvallen van opdrachten. Bovendien hadden medewerkers geen ervaring met het schrijven van offertes en het binnenhalen van opdrachten. Net op het nippertje kwam het directoraat-generaal Volkshuisvesting van VROM met een grote opdracht. Daarmee verschoof de focus van planologie naar volkshuisvesting. Meebewegend op de tijdgolven werd Volkshuisvesting Wonen en later Wonen-welzijn-zorg en stedelijke vernieuwing. Er werken nu bij ons tien sociaal geografen/planologen, naast bestuurskundigen, sociologen, historici, maatschappelijk werkers. Best een brede club.’

De economische malaise in de jaren 1980 maakte dat er weinig vraag was naar geografen. Vandaar dat sommige afgestudeerden voor zichzelf begonnen. Geen bijstand maar een eigen bedrijfje. Veelal gespecialiseerd in onderzoek waarmee de oprichter tijdens scriptie of stage kennis en contacten had opgedaan. De startups waren veel minder ervaren dan gerenommeerde bureaus, maar daar stonden lagere tarieven tegenover – wie gewend was aan een beurs hoefde niet meteen een riant salaris te verdienen. In de decennia daarna kwamen ook de zzp’ers, zoals Gelinde Groeneveld (zie p. 73).

Zo leidde een combinatie van factoren – werkloosheid, minder (planologische) banen bij de overheid, toenemende vraag bij overheden naar projectonderzoek door derden, ondernemingszin – tot tal van kleine en grote onderzoeks- en adviesbureaus. Voor een snelle – en zeker niet complete – rondgang langs deze bureaus in Nederland zie kader.

Rondgang door bureauland

Amsterdam: In 1986 begonnen Roeland van Geuns, Jos Mevissen en Piet Renooy (afgestudeerde sociaal geografen van de UvA) met Regioplan, een bureau dat tegenwoordig enige tientallen werknemers heeft. Enkele jaren eerder zag Strabo het licht, eerst een min of meer idealistische organisatie waar afgestudeerde maar werkloze geografen werkervaring konden opdoen, vanaf 1995 een door Hans van Tellingen (Rijksuniversiteit Groningen) geleid bureau gespecialiseerd in winkelonderzoek.

Ook geografen aan de Vrije Universiteit richtten bureaus op. Baptist Brayé bijvoorbeeld was eerst partner bij D&P Onderzoek en Advies, om vervolgens Locatus op te richten, met vijftig werknemers toonaangevend op het gebied van winkeldata. Tegenwoordig leidt hij samen met geografisch-planologisch journalist Tracy Metz de StadsSalon, een ontmoetingscentrum voor het (inter)nationale bedrijfsleven in een prachtig pand aan de Herengracht in Amsterdam.

Groningen: Meindert Schroor startte in 1989 Varenius, bekend om zijn historisch-geografische boeken over (steden en regio’s in) Noord-Nederland. Veel omvangrijker is Ruimtevolk, gevestigd in Utrecht, maar in 2007 opgericht door de Groningse sociaal geograaf Sjors de Vries. Groningers zijn ondernemend, maar vooral buiten Groningen. Dat geldt voor Van Tellingen (Amsterdam), De Vries (Utrecht) en economisch geograaf Gerben Huijgen, directeur bij I&O Research in Twente. Martin Boisen is universitair docent in Groningen, maar zijn bureau For the Love of Place, dat onderzoek doet naar place marketing, management en branding voor steden, runt Boisen vanuit zijn woonplaats Utrecht.

Nijmegen: Succesvol en internationaal bekend is René Buck (economische geografie Nijmegen), die in 1985 Buck Consultants startte. Het bedrijf begeleidt onder meer buitenlandse bedrijven die in Nederland een vestigingslocatie zoeken en heeft dus ook vestigingen in het buitenland. Van veel recenter datum is Stad en Regio, dat ‘onderzoek op ooghoogte’ doet naar ‘stedelijke en regionale ontwikkelingen op menselijke maat’. Oprichter Gert-Jan Hospers bekleedt daarnaast een leerstoel ‘transitie in stad en regio’ aan de Radboud Universiteit en schrijft regelmatig voor Geografie.

In 1984 begonnen als Stec (Stad en Economie) om vers afgestudeerde Nijmeegse economisch geografen en planologen werkervaring te laten opdoen, is de Stec Groep actief op het terrein van vastgoed, stad en regionale economie. Bureau Buiten werd in 2005 opgericht door Sander Kooijman ( studeerde planologie in Nijmegen).

Utrecht: Vergelijkbaar met Stec is Stogo. Aan het roer stond Martin Stijnenbosch. Als economisch geograaf verbonden aan de UU begon hij samen met enkele anderen in 1984 Stogo. Doel: jonge werkloze geografen werkervaring bieden in door Stogo binnengehaalde opdrachtonderzoeken. Met de opgedane ervaring en contacten konden ze dan een baan elders vinden. Zo’n vierhonderd geografen hebben daarvan in de loop der jaren geprofiteerd. Zo is ook Gerhard Bolk begonnen: in 1991 marktonderzoeker bij Stogo, nu mededirecteur van projectontwikkelaar AM.

In de zelfde tijd als Stogo werd het fysisch-geografische bureau CSO opgericht door Chrit Schouten en Marijn Rang. CSO groeide uit tot een bedrijf met meer dan honderd werknemers, met het hoofdkantoor in Bunnik. In 2013 werd het overgenomen door ingenieursbureau Lievense, dat op zijn beurt in 2021 opging in WSP, een Canadese multinational die zichzelf the leading global environmental consulting firm noemt.

Succesvol is ook Stadkwadraat van Theo Stauttener, die economische geografie aan de UU studeerde. Hij richtte in 2002 City Beautiful op, dat na een fusie met Stadinzicht verder ging als Stadkwadraat, dat vooral financieel-economisch advies geeft bij investeringsbeslissingen. Twee jaar eerder stond Janine Caalders, die in 1993 haar studie sociale geografie afrondde, samen met econometrist Joost Hagens, aan de wieg van Bureau Buiten, dat nu zo’n 25 medewerkers telt. Meer een netwerkorganisatie is Jonge Honden, opgericht in 2000 door Jasper van der Wal en Gerco van Maanen. ‘Wij zijn’, schrijven zij op hun site, ‘een platte organisatie: geen leaseauto’s, geen secretariaat en geen directie. We doen alles zelf, van het office management tot de werving en selectie. En dat is hartstikke leuk!’ Actief in Utrecht is ook bureau Labyrinth van Nathan Rozema (vanaf 2014; voorheen Stogo Dataservice Labyrinth). In Breda is een andere spin-off van Stogo actief: Dimensus Beleidsonderzoek, van Hans Verhorst (tot 2020) en Lilian Bosten. In Eindhoven is een klein bureau gevestigd, Van Nuland & Partners, in 1995 gestart door de Utrechtse sociaal  geograaf Erik van Nuland. Hij is gespecialiseerd in toeristische en recreatieve studies.

Met dank aan Hedy d’Ancona, Pieter van der Heijde en Bram Klouwen.

 

BRONNEN

  • Bosten, L. (2020). Arbeidsmarktmonitor 2019. Alumni Nieuwsbrief 2020/1.
  • Bosten, L., & Jans, W. (2021). Alumni vinden snel een baan, in loondienst. Alumni Nieuwsbrief 2021/1.
  • Van Engelenburg, R., & Stijnenbosch, M. (1990). STOGO bood honderden ‘Utrechters’ een goede start. In H. van Ginkel e.a. (red.), Een grote stap. Het Geografisch Instituut in Utrecht, 1960-1990. Utrecht: Faculteit Geowetenschappen.
  • Möller, O. (1994). Het bestand bekeken. Utrecht Connection 1994/april.
  • De Pater, B. (1994). Projectstudies van bureaus verdringen continu-onderzoek bij overheid. KNAG Nieuws, 1994/december.
  • De Pater, B. (1997). CSO profileert zich als fysisch-geografisch bureau. Geografie 6, april, 44.
  • Voogd, H. (1985). WRO/BRO’85: spel zonder knikkers. Geografisch Tijdschrift 1986, 5.