Wim Bernasco is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) in Amsterdam, en bijzonder hoogleraar Stedelijke geografie van criminaliteit en veiligheid aan de Universiteit van Amsterdam.
Graffiti: wie, wat, waar en waarom daar
In elke stad en elk dorp in Nederland kom je wel graffiti tegen. Wie maken het en waarom? En hoe kiezen zij hun doelwitten? Als dat geen geografische vragen zijn… Gaaf voor in de klas.
In april vorig jaar bezetten studenten en medestanders het Maagdenhuis van de Universiteit van Amsterdam uit onvrede over de samenwerking met Israëlische universiteiten. Foto’s van de leuzen die zij op de muren van het Maagdenhuis schreven (‘Break the Ties’, ‘Your Complicity’) verschenen in Het Parool. Daarmee hielpen de media de actievoerders hun boodschap ook buiten het Maagdenhuis te verspreiden.
Leuzen zijn niet de meest voorkomende vorm van graffiti, maar ze illustreren goed de essentie ervan. Je maakt het zonder toestemming, je doet het om publiek te bereiken en je blijft anoniem.
In de prehistorie maakten mensen grottekeningen en ook de oude Grieken en Romeinen schreven al op muren. Het woord graffiti stamt ook uit de klassieke talen, waar het krassen, inkerven of schrijven betekent. De wagons van de goederentreinen die de Verenigde Staten vanaf de tweede helft van de 19e eeuw doorkruisten, vormden een populair doelwit. De teksten en tekeningen werden gemaakt door mensen die illegaal op de treinen meereisden. En bijna overal op de wereld waar sociale spanningen en conflicten spelen, vragen slogans of afbeeldingen aandacht voor politieke standpunten, zie ook de murals in Belfast (Geografie 2025-8) en Istanbul (Geografie 2025-6).
Hiphop
De moderne graffiti-subcultuur ontstond in de jaren 1960 in New York en Philadelphia, waar jongeren met stiften en vooral spuitbussen op muren en straatmeubilair hun namen gingen schrijven, meestal pseudoniemen of initialen. Graffiti werd er samen met onder meer rap en breakdance onderdeel van de hiphopcultuur. Gangs (criminele jeugdgroepen) gebruikten tags om hun territorium af te bakenen. Deze vorm van graffiti verspreidde zich al snel naar andere steden in de VS en in de jaren 1980 over de wereld, waar het zich soms vermengde met lokale tradities. In Europa was graffiti ook een onderdeel van de punk- en krakersbewegingen, vaak in slogans met een politieke inhoud.
Graffiti varieert van eenvoudige krabbels (tags) tot grotere, gestileerde en meerkleurige woorden (throw-ups) en soms heel grote, gedetailleerde en kleurrijke muurschilderingen (masterpieces). Ook teksten met een politieke boodschap zoals die in het Maagdenhuis (slogans) vallen eronder. En tegenwoordig ook stencils (waarbij een sjabloon gebruikt wordt), stickers en zelfs yarn bombing, brei- of haakwerkjes om straatlantaarns en prullenbakken.
Kunst of vandalisme
De meningen over graffiti lopen behoorlijk uiteen. Sommigen beschouwen het als een vorm van ‘straatkunst’, of als cultureel erfgoed dat bescherming verdient. Zij pleiten voor grotere waardering en vinden dat er meer ruimte voor gemaakt moet worden, bijvoorbeeld door vrijplaatsen te creëren. De voormalige scheepswerf NDSM en het daar gevestigde STRAAT-museum in Amsterdam zijn hiervan sprekende voorbeelden, net als de Blind Walls Gallery in Breda. In sommige steden zijn er graffiti-tours en workshops om het zelf te leren maken. Waar graffiti niet wordt toegejuicht of aangemoedigd, is vaak wel sprake van acceptatie, regulering of gedoogbeleid. Op daartoe aangewezen plekken is het dan onder bepaalde voorwaarden toegestaan.
Maar verreweg de meeste graffiti is illegaal en wordt door veel passanten ook niet als kunst gezien. Bijvoorbeeld onder bruggen en viaducten, langs het spoor, op muren, schuttingen, bushokjes en elektriciteitshuisjes. En op treinen, maar daarover straks meer.
Veel mensen beschouwen graffiti als bekladding of vandalisme en dat is ook waarom het strafbaar is gesteld. Met graffiti verander je een object zonder toestemming van de eigenaar. Vandaar dat het meestal ’s nachts wordt gemaakt, als het donker is en de makers de minste kans hebben om gestoord of betrapt te worden.
Onveiligheid
We worden in de openbare ruimte voortdurend ongevraagd geconfronteerd met reclameboodschappen of muziek, maar daarover lijkt lang niet iedereen zich echt druk te maken. Waarom dan wel over graffiti? Dat komt vooral doordat graffiti geassocieerd wordt met onveiligheid en misdaad. In 1982 schreven politicoloog James Wilson en criminoloog George Kelling in het Amerikaanse tijdschrift Atlantic Monthly een artikel met de titel ‘Broken Windows: The police and neighborhood safety’. Zij beargumenteerden dat overlast een voorbode is van misdaad. Tot overlast rekenen zij bijvoorbeeld bedelen, openbare dronkenschap en rondhangen en ook gebrek aan onderhoud (‘broken windows’), afval op straat én graffiti. Deze zichtbare vormen van overlast zouden het signaal afgeven dat regels ongestraft overtreden kunnen worden en daarmee zouden ze aanzetten tot meer en zwaardere overtredingen en een gevoel van onveiligheid oproepen. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat mensen zich onveiliger voelen in omgevingen met overlast, maar niet dat overlast misdaad aantrekt – ook graffiti niet. Of mensen graffiti als overlast beschouwen, hangt nogal af van de vorm en de locatie.
In Nederland zijn gemeenten vrij om eigen beleid te voeren ten aanzien van graffiti. Gemeenten die nieuwe graffiti onmiddellijk laten verwijderen, dragen wellicht bij aan het veiligheidsgevoel. Maar of het demotiverend werkt op de makers, weten we eigenlijk niet. Het verkort de levensduur van de graffiti wel (alle moeite voor niks), maar een lege muur kan ook als uitnodiging werken.
Tienerjongens
Graffiti wordt meestal gemaakt door tienerjongens. Dat heeft misschien te maken met het illegale karakter, want ook bij andere vormen van regelovertredend gedrag is deze groep goed vertegenwoordigd. Veel jongeren stoppen rond hun 25e met het maken van graffiti, maar wie doorgaan, ontwikkelen zich nogal eens tot grafisch kunstenaars die legaal en in opdracht werken. In de begindagen van graffiti in New York en Philadelphia waren het vooral jongeren uit kansarme wijken die het maakten, maar tegenwoordig komen de makers uit alle maatschappelijke lagen.
De meeste graffiti is een individuele uiting. Je herkent de maker aan zijn of haar tag, ofwel writer name, die uit initialen of een kort woord bestaat en in een unieke stijl is vormgegeven. Het individuele karakter van graffiti neemt niet weg dat veel makers elkaar kennen. Sommigen zijn lid zijn van informele teams (crews), die ervaringen uitwisselen en samen op pad gaan. De term graffitiscene wordt vaak gebruikt om zowel de groep aan te duiden als hun gedeelde leefstijl, taalgebruik en normen.
Kick, fame of appel
Wat zijn de drijfveren achter graffiti? Want waarom zou je je geld uitgeven aan spuitbussen vol verf en bij nacht en ontij de straat op gaan en ze daar leegspuiten? Er zijn twee dominante motieven. De eerste is de kick of thrill, de sensatie van risico’s nemen. Bij graffiti is dat het risico betrapt te worden en gearresteerd en soms ook het risico op lichamelijk letsel door bijvoorbeeld van een hoogte te vallen. Deze motivatie zie je ook terug bij illegale activiteiten als straatracen, winkeldiefstal en legale activiteiten als parachutespringen. Het tweede motief is bekendheid en waardering door anderen ervaren. De makers spreken vaak over fame. Dat klinkt tegenstrijdig als je bedenkt dat de identiteit van de makers meestal niet bekend is bij passanten en dat anonimiteit een voorwaarde is om graffiti te kunnen blijven maken. Maar ook aan ‘anonieme bekendheid’ ontlenen zij eer en zelfwaardering. Daarnaast zoeken zij erkenning en waardering binnen de graffitiscene, bij de mensen die hen wel persoonlijk kennen. Die waardering hangt af van diverse aspecten van het werk, zoals de omvang (groter is beter), esthetische complexiteit (kleuren en details) en moeilijkheidsgraad (risicovolle en moeilijk bereikbare plaatsen), maar ook de mate van verspreiding. Vandaar de aloude populariteit van metro- en treinstellen, zie verderop.
Er kunnen nog andere motieven meespelen, zoals intrinsiek plezier in creatieve activiteiten of deel uitmaken van een groep. Bij slogans zoals in het Maagdenhuis is de motivatie anders. Dit type graffiti doet een appel. Het is gericht op een breed publiek en niet bedoeld om persoonlijke roem te vergaren, maar aandacht te vragen voor een politieke boodschap. Wel geldt ook hier dat zichtbaarheid essentieel is om het beoogde doel te bereiken.
De juiste plek
En als je met een geografische bril naar graffiti kijkt, zijn er dan patronen zichtbaar? Zie je graffiti vaak op specifieke objecten en bepaalde locaties maar op andere niet? Hoe kiezen de makers hun doelwitten? Zijn ze actief in de eigen buurt of woonplaats of is hun actieradius nog groter? Onder de kernachtige titel ‘Spot theory’ schreven twee sociologen, Jeff Ferrell en Robert Weide, hierover in het blad City (2010), deels op basis van eigen ervaringen.
Graffiti-makers kiezen hun doelwitten en plekken bewust. Zij kennen de kleine hoeken en gaten van hun woonplaats en weten ook waar en wanneer er toezicht en beveiliging zijn. Bij de keuze voor een plek wegen ze de publieke zichtbaarheid van een plek af tegen het risico. Wanneer ze vooral binnen de graffitiscene indruk willen maken, doen ze dat vaak op afgelegen plekken. Willen ze een groot publiek bereiken, dan kiezen ze drukbezochte plekken en uitdagende doelwitten die lef vereisen. Ook de verwachte levensduur van de graffiti speelt een rol. Op plekken die snel worden overgeschilderd, loont het niet er veel verf en tijd in te steken. In Nederland zijn elektriciteitshuisjes en -kasten erg populair.
Er bestaan binnen de scene ongeschreven regels over wat bij graffiti een no go is. Bijvoorbeeld dat je privé-eigendommen ongemoeid laat. En dat je geen werk van anderen overschrijft – dit wordt als respectloos gezien. Het gebeurt trouwens wel, want tussen individuele graffitimakers en vooral tussen teams bestaat nogal eens concurrentie om toegang tot de beste plekken. Metro- en treinstellen zijn favoriet – deels omdat ze moeilijk bereikbaar zijn en veel aanzien opleveren in de scene, maar vooral omdat ze een enorm uithangbord zijn, want ze rijden de hele stad of het land door en brengen jouw graffiti onder de aandacht van een groot publiek.
Waar de meeste makers van graffiti aanvankelijk nooit een foto maakten van hun werk, heeft iedereen tegenwoordig een smartphone. Een foto is nu zó gedeeld. Wie graffiti maakt, doet dat tegenwoordig daarom vaak niet alleen voor offline publiek op straat, maar ook voor online publiek op internet.
Op school
Graffiti kan ook in de klas een dankbaar onderwerp zijn: bij maatschappijleer, beeldende vorming en ook aardrijkskunde. Een aantal jaren geleden was ik betrokken bij een programma waarin middelbare scholieren in een aantal werkcolleges kennismaken met de universiteit. Als criminoloog gaf ik les over het thema ‘Crime in the City’. Om hen te stimuleren eigen observaties te doen en daarop te reflecteren, zocht ik een onderwerp dicht bij hun leefwereld. Dat werd graffiti. Ik vroeg ze een foto te maken van graffiti in hun woonomgeving en de volgende vragen te beantwoorden. Waarom koos je deze graffiti? Waar vond je deze? Heb je een idee wie het gemaakt heeft? Waarom zou die persoon het gemaakt hebben? Waarom op deze plek, denk je? We bespraken in de klas wat de leerlingen meebrachten en zo kwamen we bij eigen ervaringen, veronderstellingen en oordelen. Boeiender dan een huiswerkopdracht is het om in groepjes de straat op te gaan en samen te oefenen in het vinden, vastleggen, beoordelen en in kaart brengen van graffiti. Daarvoor hoef je enkel de deur uit te stappen en om je te heen te kijken. Vroeg of laat kom je graffiti tegen. De foto’s bij dit artikel kwamen ook zo tot stand, behalve die van het Maagdenhuis.
BRONNEN
- Ferrell, J., & Weide, R.D. (2010). Spot theory. City, 14(1-2), 48-62. https://doi.org/10.1080/13604810903525157
- Van Loon, J. (2011). De geografie van graffiti. Geografie, 2011-2, 10-13.
- Vanderveen, G., & Jelsma, F. (2012). Kunst en/of criminaliteit: De ene graffiti is de andere niet. Tijdschrift voor Veiligheid, 11(3), 3-19.
- Wilson, J.Q., & Kelling, G.L. (1982). Broken windows: The police and neighborhood safety. The Atlantic Monthly (March), 46-52.