16 juni 2023
Frank van Dam
Senior wetenschappelijk onderzoeker Landelijk gebied bij PBL

Leefomgeving is ook ruimte

Dit artikel is verschenen in: geografie juni 2023 - lustrumeditie
150 jaar KNAG
Kennis
FOTO: RIJKSOVERHEID
Polder bij Wassenaar: waar stad, land, landbouw, natuur en water samenkomen.

De geografische bril van het PBL

De grote leefomgevingsopgaven waarvoor Nederland staat – klimaatverandering,  energietransitie, spanning tussen landbouw en natuur – komen voor een groot deel samen in de ruimte. Bij het Planbureau voor de Leefomgeving is de ‘geografische bril’ daarom onontbeerlijk. Hoeveel geografen werken er eigenlijk bij het PBL? En wat zijn hun achtergronden, motieven en werkvelden? Een kleine verkenning.

 

Nederland staat voor een grote verbouwing. De klimaatverandering, de teruggang in de biodiversiteit en de energietransitie vergen niet alleen een andere inrichting van de maatschappij en de economie, maar ook van de ruimte in ons land. Klimaatadaptatie en -mitigatie, biodiversiteitsherstel, de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie hebben namelijk allemaal ruimte nodig. Dat geldt ook voor de voortgaande verstedelijking en de verduurzaming van de landbouw. De transities waarvoor Nederland staat, zijn veelvoudig en de ruimtelijke opgave is groot. In sommige gevallen, en op sommige plekken, zijn die opgaven goed met elkaar te combineren, maar in andere gevallen, of op andere plekken, botsen of schuren ze en zullen we keuzes moeten maken. Ook ruimtelijke: wat kan waar en hoe? Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) probeert met data-analyses, beleidsevaluaties en toekomstverkenningen een bijdrage te leveren aan het antwoord op deze beleidsvragen. Ze bestrijken een breed scala aan leefomgevingsthema’s: klimaat, water, energie, lucht, landbouw, verstedelijking, mobiliteit, ruimtelijke economie, woningmarkt, natuur en landschap.

De geografische bril

In de laatste jaren is, ook bij het PBL, het besef gegroeid dat de grote opgaven en transities enorme ruimtelijke gevolgen zullen hebben. Effecten op het ruimtebeslag, het ruimtegebruik en het landschap, en daarmee op de ruimtelijke kwaliteit krijgen dan ook steeds meer aandacht in de studies, ook bij onderzoekers die vanouds niet altijd een geografische bril opzetten. Waar is nieuwe natuur gewenst? Wat zijn voor de hand liggende locaties voor zonneweides en windparken? Wat is een logische plek voor verstedelijking en waar is dat vanuit een oogpunt van klimaatverandering minder verstandig? Een scenariostudie zoals de Ruimtelijke Verkenning 2050 (verschenen in het voorjaar van 2023), waarbij onderzoekers uit alle sectoren van het PBL waren betrokken, is voor die geografische blik een goede aanjager geweest. Wat daarbij ook speelt, is dat na een lange periode van decentralisatie de ruimtelijke ordening weer prominent op de nationale beleidsagenda staat.

In dat verband hebben onderzoekers bij het PBL ook steeds meer oog voor regionale verschillen, in ruimtegebruik, maar ook in belemmeringen en kansen voor bewoners en bedrijven, en voor flora en fauna. We hebben aandacht voor de oorzaken van die verschillen én voor de gevolgen daarvan. Gaan de grote transities de bestaande regionale verschillen versterken of niet? En zijn die verschillen problematisch? Ook deze vragen zijn onderdeel van het huidige, soms scherpe maatschappelijke en politieke debat.

Bij het beantwoorden van al deze vragen helpt het dat er binnen het PBL ruim 30 geografen werken: 17 sociaal en 16 fysisch geografen (dat is bijna 15% van de in totaal 230 onderzoekers en ondersteuners, november 2022) én mensen met een opleiding verwant aan de geografie: geologen, planologen, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten. Deze geowetenschappers hebben de noodzakelijke geografische bril – wat gebeurt waar en waarom; wat kan waar en hoe; wat zijn daarvan de ruimtelijke gevolgen – bijna continu op. Zij fungeren als ambassadeurs van het geografisch denken, en als verbinders tussen de thema’s en sectoren binnen het PBL. De grote opgaven zijn immers aan elkaar gerelateerd en komen op uiteenlopende wijzen samen in de ruimte en in de regio’s van Nederland.

We mogen wel wat meer het veld ingaan

‘Ik volgde aan de Universiteit van Amsterdam de brede bachelor Bèta-gamma, met als specialisatie sociale én fysische geografie. Dat paste mij goed, want in de geografie komt het fysieke en het sociale samen, van biologie tot sociologie. Uiteindelijk koos ik voor fysische geografie, maar aangezien die vakgroep bij de UvA heel klein was, heb ik mijn master aan de Universiteit Utrecht gevolgd. Mijn PhD, in de milieugeografie, heb ik dan weer aan de Vrije Universiteit gedaan.

Emma van der Zanden (37)
emma van der zanden

Fysisch geograaf (UvA/UU), onderzoeker bij sector Water, Landbouw en Voedsel

Bij het PBL houd ik mij bezig met landbouw en de benodigde kwantitatieve analyses voor onze studies. In het huidige landbouwvraagstuk in Nederland komt de interactie tussen politieke, sociaaleconomische en fysieke factoren duidelijk naar voren en dat is ook wat ik er interessant aan vind, al maakt dat de oplossingsrichtingen ook complex. We bekijken binnen het PBL het landbouwvraagstuk vooral op nationaal niveau en doen minder met ruimtelijke analyses, terwijl we weten dat er grote variaties tussen en binnen gebieden zijn. Bovendien zijn in het beleid de provincies steeds belangrijker geworden, zeker in de relatie tussen landbouw en natuur. Aandacht voor de diversiteit in die relatie betekent automatisch meer aandacht voor de geografie en voor regionale verschillen en ik verwacht dat dit in de toekomst ook een grotere rol krijgt in onze onderzoeken. De geografische invalshoek verschilt bij het PBL overigens per sector (PBL kent er zes*, FvD). Al wordt dat in onze reeks Ruimtelijke Verkenningen goed bij elkaar gebracht. 

Als het aan mij ligt, mogen we wel wat meer dan we nu doen het veld in gaan, en in de dagelijkse praktijk meekijken en meedenken. Tijdens mijn studie en promotie heb ik diverse keren veldwerk gedaan, van dicht bij huis in het Kromme Rijngebied tot in Syrië, en daar heb ik heel veel van geleerd.’

Leermeesters: Peter Verburg, Emiel van Loon en Geert Sterk

Ruimtelijke ordening is niet het invullen van een spreadsheet

‘De geografie houdt zich bezig met de vraag: wat gebeurt waar en waarom daar? Juist de wisselwerking tussen de fysieke kant, de systeemkant – zoals de ruimtelijke ordening – en de levende omgeving, de mensen, vind ik interessant. Hoe bewegen mensen zich, waar en waarom? Aan de Universiteit van Amsterdam was de sociale geografie sterk gevormd vanuit de sociografische traditie, waarin de mens centraal stond. En daar sta ik helemaal achter. Ruimtelijke ordening is namelijk niet het simpelweg invullen van een spreadsheet. Want ruimte is niet alleen space maar ook place, waarin ook zachte waarden relevant zijn.

Marc Hanou (55)
marc Hanou

Sociaal geograaf (UvA), hoofd van de sector Ruimtelijke Ordening en Leefomgevingskwaliteit

Bij het PBL is, vind ik, te vaak de beleidsvraag leidend, en niet de maatschappelijke vraag die daarachter ligt. Daardoor werken en denken we soms te weinig vanuit fundamentele maatschappelijke vragen en opgaven. We moeten als planbureau de beleidsvragen juist vóór zijn, erop anticiperen, en meer vooruitkijken en verkennen. De Ruimtelijke Verkenningen die we elke drie jaar uitvoeren, vind ik daarvan een goed voorbeeld. We hebben soms ook te weinig oog voor mensen en dingen zonder stem, voor zachte waarden, voor regionale verschillen in cultuur en gewoonweg voor dat wat er is. Hoe kunnen we dat wat er is, bijvoorbeeld in de gebouwde omgeving, en wat een geschiedenis heeft, waar mensen hebben gewerkt en geleefd, een nieuwe toekomst geven?’

Leermeesters: Jacques van der Ven, Rob van Engelsdorp Gastelaars, Willem Heinemeijer en Joos Droogleever Fortuijn

De grenzen van de maakbaarheid komen steeds scherper in zicht

‘In de fysische geografie staat niet alleen het ruimtelijke maar ook het temporele centraal. Verschijnselen en ontwikkelingen variëren niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd. Er was altijd iets eerder en er is geen eindpunt. Die wisselwerking tussen het ruimtelijke en het temporele, tussen stabiliteit en trage veranderingen, en ook die tussen het fysieke en sociale vind ik fascinerend. Inmiddels worden de grenzen van de groei zichtbaar in de ruimte, want die is beperkt. Ook de grenzen van de maakbaarheid komen steeds scherper in zicht. Vroeger bleven grote delen van Nederland leeg, ze waren niet te bebouwen. Dat zijn we vervolgens wel gaan doen, omdat dit steeds beter technisch mogelijk was. Maar de hoogmoed van de technologie komt af en toe voor de val. Fysieke grenzen zijn soms hard en vereisen dan meebewegen in plaats van terugduwen.

Hiddo Huitzing (46)
Hiddo Huitzing

Fysisch geograaf (UU), onderzoeker bij sector Integrale Beleidsanalyse Leefomgeving

Ik zie mezelf niet zozeer als geograaf maar als beleidsonderzoeker met een geografische achtergrond. Al speelt de fysische geografie wel door in hoe ik naar de dingen kijk: de traagheid van de veranderingen, vergelijkbaar met de traagheid van het ontstaan van landschappen. De tijdelijkheid van de dingen, dat is er in de studie toch wel ingeprent. Ook de klimaatverandering kun je op die manier beschouwen. Die is vooral een probleem voor mensen, en niet voor de aarde. Toch denk ik dat optimisme mogelijk is.

Bij het PBL wisselt per sector de geografische oriëntatie nogal. In sommige sectoren is die heel vanzelfsprekend, maar in andere sectoren zou men misschien wat meer door een geografische bril naar de problematiek kunnen kijken.’

Leermeester: Henk Berendsen

Economische theorieën en principes stroken niet altijd met de geografische empirie

‘Ik ben geografie gaan studeren omdat ik aardrijkskunde leuk vond. Ik had me wel stellig voorgenomen geen economische geografie te kiezen. Maar dat veranderde tijdens mijn studie. Uiteindelijk ben ik zelfs gepromoveerd in de economische geografie. En mijn huidige werk is eigenlijk dicht bij het type onderzoek gebleven dat ik tijdens mijn promotie deed.

Hoewel sommigen binnen het PBL mij zien als een econoom, ben ik een echte geograaf. Ik hou me bezig met menselijk gedrag en met de kansen en mogelijkheden die mensen hebben op de regionale arbeidsmarkt. Die zijn niet voor iedereen gelijk en variëren onder andere met de regionale omstandigheden. Vanuit de empirie, de patronen die ik waarneem, probeer ik te komen tot beleidsaanbevelingen. De veronderstellingen die in het beleid zitten, kloppen namelijk niet altijd. Dat ligt voor een deel aan de onderliggende economische theorie. Economische theorieën en principes zijn niet altijd in overeenstemming met de geografische empirie. Die theorieën houden soms te weinig rekening met het gedrag van mensen, en met hun voorkeuren en beperkingen. De vraag voor het beleid is natuurlijk of regionale verschillen in kansen, of in lasten en baten, aanvaardbaar zijn. En zo nee, wat daaraan kan worden gedaan.

Anet Weterings (44)
Anet Weterings

Sociaal geograaf (UU), onderzoeker bij sector Verstedelijking en Mobiliteit (V&M), bijzonder hoogleraar Regionale en circulaire economische ontwikkeling aan de RUG

Wat ik leuk vind is het observerende van de geografie, de waarnemingen in de praktijk. Zowel tijdens mijn studie als tijdens congressen vind ik de excursies dan ook het leukst en bovendien waardevol. Ook in mijn huidige onderzoek vind ik het belangrijk regelmatig in de praktijk ter plekke te kijken. Ook als ik op reis ben, heb ik mijn geografische bril op. De ruimtelijke logica in een gebied doorgronden, dat vind ik fascinerend.’

Leermeesters: Oedzge Atzema, Jan van Weesep en Ron Boschma

Bij fysische geografie staat niet alleen het ruimtelijke, maar ook het temporele centraal

 

*Onderzoekers bij het PBL werken in zes sectoren: Klimaat, lucht en energie; Verstedelijking en mobiliteit; Ruimtelijke ordening en leefomgevingskwaliteit; Natuur en landelijk gebied; Water, landbouw en voedsel; en Integrale beleidsanalyse leefomgeving.

Bij fysische geografie staat niet alleen het ruimtelijke, maar ook het temporele centraal