Verspreiding en inperking van kernwapens in het atoomtijdperk
Kernenergie en kernwapens zijn helemaal terug. In de strijd tegen CO2-uitstoot en klimaatverandering is nucleaire energie weer een aantrekkelijk alternatief voor fossiele energiebronnen. En kernwapens worden opnieuw centraal gesteld om militaire veiligheid te garanderen – ook in Europa.
Europese landen en de Europese Unie moeten zich aanpassen aan een snel veranderende wereldwanorde. De euforie van de hereniging na de Koude Oorlog culmineerde in de grote uitbreiding van de EU in 2004 en de druppelsgewijze uitbreiding van de NAVO tot 2008. Sindsdien is de verhouding met Rusland omgeslagen, door de pogingen van president Poetin om het prestige van Rusland te herstellen en de Oekraïne te controleren. Enkele dagen na de invasie in februari 2022 bracht hij Russische kernwapens in hoge staat van paraatheid. En sinds vorig jaar zijn de Verenigde Staten geen betrouwbare bondgenoot meer van Europa. President Trump aast op Groenland en beschouwt de EU als een vijandig bouwsel. Daarbij is New START, het verdrag tussen Rusland en de VS om hun wederzijdse kernbewapening in te perken, sinds 5 februari 2026 afgelopen en niet verlengd. Daarmee is de wereld in een nieuw atoomtijdperk beland. Dit, terwijl een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten deels bedoeld is om te verhinderen dat Iran over kernwapens kan gaan beschikken.
Kernenergie en kernwapens
De huidige geografie van kernwapens en de daarover gemaakte politieke afspraken zijn alleen te begrijpen als onderdeel van de bredere ontwikkeling van kernenergie. Vreedzame kernenergie en kernwapens zijn nauw met elkaar verbonden. Ze werden beide mogelijk toen natuurkundigen het fenomeen kernsplitsing begonnen te doorgronden en beïnvloeden. In de meeste landen zijn de technologieën voor de twee tegengestelde doelen (energieopwekking versus massale vernietiging) tegelijkertijd ontwikkeld. Bij de Europese integratie was het winnen van vreedzame energie het allerbelangrijkst. Dit resulteerde in de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, Euratom, in 1958.
Hoe heeft de geografie van de kernwapens zich sindsdien ontwikkeld? We kijken eerst naar de ontwikkeling van de technologie, van kernwapens en van nieuwe militaire strategieën. Vervolgens belichten we de diplomatieke pogingen om de omgang met kernwapens aan banden te leggen.
De eerste kernbom
De mogelijkheid van een kernbom doemt al op voor de Tweede Wereldoorlog. In 1938 wordt in Berlijn het kernsplijtingsproces door de Duitse wetenschappers Otto Hahn en Fritz Strassmann getoond, gebaseerd op het theoretische werk van hoogleraar Lise Meitner, die als Oostenrijkse Jodin na de Anschluss besloot Duitsland te verlaten. Het nieuws over de bom baart naar de VS uitgeweken Europese natuurwetenschappers zorgen. Zij alarmeren de Amerikaanse regering. President Roosevelt besluit daarop in 1939 een eigen bom te ontwikkelen. In het zogeheten Manhattanproject lukt het kernenergie op te wekken en een kernbom te maken. Het heroïsme van de race naar de bom in dit omvangrijke wetenschappelijke en militaire project wordt in 2023 verbeeld in de film Oppenheimer, vernoemd naar de projectleider.
Totaal uit beeld blijft in de film de verwoestende werking van de twee bommen: Little boy, een uraniumbom die op 6 augustus 1945 boven Hiroshima wordt gedropt, en Fat boy, een plutoniumbom die drie dagen later boven Nagasaki wordt afgeworpen. Deze ontploffingen zijn de culminatie van een wereldoorlog waarin steden en hun inwoners strategisch worden gebombardeerd om het moreel van de bevolking te breken. Rotterdam is een van de steden die al vroeg in de oorlog, op 14 mei 1940, door Duitse bommenwerpers gedeeltelijk wordt vernietigd. Daarbij komen circa duizend mensen om en 80 duizend inwoners raken dakloos. Later volgt de Duitse Blitz op Londen, maar de geallieerden bombarderen Duitse, Italiaanse en Japanse steden op nog grotere schaal, met steeds krachtiger bommen. Op 10 maart 1945 wordt met conventionele brandbommen op Tokyo het dodelijkste bombardement ooit uitgevoerd: ongeveer 100 duizend doden in een nacht, meer dan bij elk van de kernbommen (resp. 70-80 duizend en 40-75 duizend) een paar maanden later, althans op de dag van het bombardement zelf. Voor het einde van het jaar komen er in Hiroshima en Nagasaki nog veel meer slachtoffers bij door de gevolgen van de radioactiviteit, en de stralingsziekte blijft lang na de bombardementen slachtoffers maken.
Aan het einde van de oorlog worden deze bombardementen niet gerekend tot oorlogsmisdaden, want er is in het oorlogsrecht op dat moment nog geen afspraak die het bombarderen van burgers verbiedt. Pas dertig jaar later worden in het Aanvullend Protocol I bij de Verdragen van Genève van 8 juni 1977 internationale regels opgenomen om burgers en samenleving te beschermen tegen bombardementen. Kerncentrales worden wel expliciet genoemd als gevaarlijke infrastructuren die geen doelwit mogen worden. Kernwapens worden niet apart genoemd, maar het gebruik daarvan is al meteen na 1945 omstreden.
Kernwetenschappers die bij het Manhattanprogramma betrokken zijn geweest, stichten eind 1945 The Bulletin of the Atomic Scientists. Het blad publiceert sindsdien over wetenschap en veiligheid en vooral over technologische uitvindingen die de toekomst van mensheid in gevaar brengen. Vanaf 1947 publiceert het bulletin ook de Doomsday Clock, die aftelt naar 12 uur en daarmee aangeeft hoe ver de mensheid verwijderd is van een globale catastrofe. De wijzers worden in 1947 op 7 minuten voor 12 gezet. Sindsdien zijn ze steeds bijgesteld naar gelang de geschatte gevaren. Begin 2026 worden de wijzers weer 4 seconden naar voren verschoven, vanwege de toegenomen nucleaire dreiging na het aflopen van het New START-verdrag, de klimaatverandering en de opkomst van AI. De wijzers staan nu op 85 seconden voor 12. Nog nooit is de mensheid zo dicht bij het einde geweest.
Koude oorlog
Behalve nazi-Duitsland en de VS starten ook andere staten eigen programma’s om kernwapens en kernenergie te ontwikkelen. Na de eerste Amerikaanse kernproef op 16 juli 1945 volgt de eerste kernproef van de Sovjet-Unie in 1949. Het Verenigd Koninkrijk volgt in 1952, Frankrijk in 1960 en China in 1964. En later volgen ook India (1974), Zuid-Afrika (1982), Pakistan (1998) en Noord-Korea (2006).
en kernwapenvrije zones sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.
Landen die niet beschikken over kernwapens, maar de technologie wel ontwikkeld hebben en snel een bom kunnen maken, heten nuclear threshold states. Het gaat om Brazilië, Canada, Duitsland, Nederland, Zuid-Afrika, Zweden, en mogelijk ook Australië en Zuid-Korea. Van Israël wordt vermoed dat het sinds 1967 beschikt over kernwapens, maar dit is nooit bevestigd en waarnemingen van kernproeven ontbreken. In een aantal landen worden Amerikaanse dan wel Russische kernwapens gestationeerd.
De kernwapenprogramma’s worden nodig geacht om eigen veiligheid en territorium te verdedigen: de Sovjet-Unie tegen de VS in de Koude Oorlog, de Britten en de Fransen tegen de Sovjet-dreiging, China tegen inmenging van buiten, Israël tegen de Arabische buren, India tegenover China en Pakistan, Zuid-Afrika in het hoogtij van het Apartheidsregime tegen de communistische buren, Pakistan tegen India, en Noord-Korea tegen Zuid-Korea en de VS.
Het soort wapens, de omvang van het arsenaal en de doctrines verschillen enorm van staat tot staat (figuur 2). De kleinere spelers proberen vooral de vijand af te schikken. China en India committeren zich in respectievelijk 1964 en 1998 aan een no-first-use policy. Zij zullen alleen een kernwapen gebruiken als een ander land hen met een kernwapen aanvalt. Andere staten doen die toezegging niet, vooral omdat ze kernwapens als afschrikking tegen een conventionele aanval of een invasie willen kunnen gebruiken. Onder Brezjnev besluit de Sovjet-Unie in 1982 aanvankelijk ook tot een no-first-use policy aan, maar elf jaar later neemt Rusland daar weer afstand van.
Diplomatieke afspraken
Hoe meer landen kernwapens hebben, des te groter het risico dat ze in verkeerde handen belanden en gebruikt worden. Pogingen van de VS om te voorkomen dat andere landen kernbommen ontwikkelen, worden steeds gekoppeld aan controle over kernenergie. Diezelfde brandstof kan immers gebruikt worden als bouwstof voor bommen en zelfs de ‘vuile’ variant: conventionele bommen besmet met radioactief materiaal.
In 1957 wordt op initiatief van president Eisenhower het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) opgericht, een organisatie van de Verenigde Naties. Deze regelt het toezicht op de verrijking van uranium voor kernenergie en de monitoring voor ander gebruik. Voor kernwapens moet uranium veel verder verrijkt worden (90% voor bommen, tegenover 3-5% voor kernreactoren). In 2025 telt de IAEA 181 lidstaten.
Tal van andere internationale afspraken zijn nadrukkelijk gericht op kernwapens. Tijdens de Cubacrisis in 1962 wordt escalatie op het nippertje voorkomen als de Sovjet-Unie kernraketten stationeert op Cuba. Daarna klinkt de roep om beperkingen luider.
In 1963 tekenen 117 landen het Verdrag inzake het gedeeltelijk verbod op kernproeven (Partial Test Ban Treaty) om het testen van kernwapens in de atmosfeer, het water of de ruimte uit te bannen. Ondertekenaars Frankrijk en China blijven echter bovengronds testen uitvoeren (respectievelijk tot 1974 en 1980).
In 1967 volgt het ruimteverdrag, dat het plaatsen van kernwapens in de ruimte verbiedt en in 1971 het zeebodemverdrag, dat hetzelfde doet voor de bodem van de oceaan. Eerder is zo’n verbod al opgenomen in het Antarcticaverdrag (1959).
Nog belangrijker is het Non-proliferatieverdrag (NPT), dat in 1968 wordt getekend. Het steunt op drie pijlers: (1) het bezit van kernwapens wordt beperkt tot de staten die ze al hebben, te weten de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, het Verenigd Koninkrijk, China en Frankrijk. Deze kernstaten zullen de overdracht van technologie aan andere landen voorkomen. (2) De andere ondertekenaars zullen geen eigen kernwapens nastreven. (3) De vijf kernstaten streven ontmanteling van hun kernwapenarsenaal na.
In de loop van der tijd tekenen 190 landen het NPT. India, Pakistan, Israël en late toetreder Zuid-Soedan zijn de enige VN-lidstaten die het verdrag nooit tekenen. Noord-Korea trekt zich in 2003 terug en voelt zich niet langer gebonden aan de afspraken en de controles.
Later komt een Kernstopverdrag (Comprehensive Nuclear Test Ban Treaty, CTBT) tot stand, dat alle kernexplosies verbiedt. Het wordt in 1996 door 187 landen getekend, maar door onvoldoende landen geratificeerd om in werking te treden. In 2017 volgt het Verdrag inzake het verbod op kernwapens (Treaty on the Prohibition of Nuclear Weapons, TPNW). Nederland stemt als enige tegen, de overige NAVO-landen en alle kernmachten onthouden zich van stemming. TPNW treedt in werking in 2021, na de ratificatie door vijftig lidstaten, maar heeft een zeer beperkt bereik.
De VN bevorderen ook regionale afspraken: hele regio’s verklaren zich via verdragen kernwapenvrij, van Latijns-Amerika en de Cariben in 1967 tot Afrika in 1996 (figuur 1). Dit geldt voor nagenoeg het hele gebied ten zuiden van de evenaar. In Europa en Noord-Amerika verklaren gemeenten zich tot kernwapenvrije zones en in 1982 richt de burgemeester van Hiroshima Mayors for Peace op, dat zich inzet voor een kernwapenvrije wereld. De ngo telt achtduizend leden, waarvan 183 Nederlandse gemeenten, inclusief Maashorst in Noord-Brabant, waar op vliegbasis Volkel Amerikaanse kernbommen liggen opgeslagen.
MAD
De wapenwedloop tussen de twee grote kernmachten (de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie) is een constante extra bron van zorg. Veiligheid hangt af van het spookbeeld van een wederzijdse gegarandeerde vernietiging, Mutual(ly) Assured Destruction, MAD, dat beide machten zou weerhouden van het gebruik ervan. Begin jaren 1970 komen verdragen tot stand om hun arsenaal aan banden te leggen: SALT I (1969-1972), het ABM-verdrag in 1972, afspraken over de beperking van ondergrondproeven tot 150 kiloton (1974) en SALT II (1972-1979).
President Ronald Reagan, gekozen in 1980, wil echter af van MAD en kiest voor de bouw van een defensief ruimteschild (Star Wars). Hij riskeert daarmee een nieuwe wapenwedloop met de Sovjet-Unie. In die vroege jaren 1980 is het gevaar van kernwapens (en kernenergie) erg dominant in het publiek debat. In Nederland worden onder meer mega-demonstraties gehouden in Amsterdam (1981) en in Den Haag (1983). Ze zijn gericht tegen de plaatsing van nieuwe Amerikaanse kruisrakketen met een kernlading (met een bereik tot in de Sovjet-Unie) – dit op verzoek van de West-Duitse bondskanselier Helmut Schmidt na plaatsing van Sovjet-kernwapens gericht op West-Europa. De kruisrakketten komen er toch.
In die tijd schrijven geografen ook veel over dit gevaar: de Amerikaanse actiegeograaf William Bunge publiceert zijn Nuclear War Atlas, anderen proberen ook publiek en politici te doordringen van de desastreuze gevolgen van het gebruik van kernwapens. In die tijd ontstaat ook de fascinatie met het in kaart brengen van de vernietiging door een kernexplosie op allerlei locaties. Met computersimulaties is het effect tegenwoordig nog groter (figuur 3). Dat heeft nogal tegenstrijdige gevolgen: aan de ene kant is het angstaanjagend, aan de andere kant bevestigt dit het macroperspectief van degenen die op de knoop kunnen drukken en geneigd zijn strategie boven menselijk leed te stellen.
In de loop van de jaren 1980 worden alsnog nieuwe afspraken gemaakt tussen de twee supermachten met het INF-verdrag, dat het bereik van kruisrakketten beperkt (1987), en Strategic Arms Reduction Treaty, START (1991). Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie neemt Rusland de kernwapens over. Oekraïne, Belarus en Kazakhstan leveren hun kernarsenalen uit de Sovjettijd in bij Rusland, in ruil voor garanties van hun soevereiniteit door Rusland, de VS en het VK (de zogeheten Boedapest Memorandums) en ze ondertekenen het Non-proliferatieverdrag.
Daarna volgen er verdragen tussen de VS en Rusland: START II (1993), het Verdrag van Moscow (2003), ook wel Treaty on Strategic Offensive Reductions (SORT) genoemd, en New START (2010). Dit leidt tot een grote vermindering van het aantal kernkoppen (figuur 4). In 2020 wordt New START nog verlengd, maar begin februari 2026 lopen de afspraken af, zonder dat er een nieuw verdrag wordt getekend. De geopolitieke verhoudingen zijn inmiddels weer veranderd. Met de invasie van Oekraïne in februari 2022 brengt Rusland zijn kernwapens in hoge staat van paraatheid en wordt er gedreigd met de inzet daarvan. Een jaar later worden er weer Russische kernwapens in Belarus gestationeerd om de NAVO ervan te weerhouden in de Oekraïense oorlog te interveniëren.
Midden-Oosten
Voor het Midden-Oosten wordt al sinds de jaren 1960 over een kernwapenvrijezone gesproken. Egypte en Iran doen daartoe in 1974 een formeel voorstel. Drie ondertekenaars van het Non-proliferatieverdrag (Syrië, Irak en Iran) proberen in het geheim toch kernwapens te ontwikkelen. Er worden tevergeefs internationale sancties opgelegd en sommige faciliteiten worden vernietigd door naburige staten, wat weer in strijd is met andere internationale afspraken. De eerste keer gebeurt dit met de Iraakse reactor Osirak, door de Iraanse luchtmacht in september 1980 en vervolgens door Israël in juni 1981. In 1991 worden nieuwe Iraakse installaties ontmanteld door IAEA en UNSCOM, een speciale commissie van de VN. Onder diplomatieke druk ontmantelt Libië haar nucleaire faciliteiten en tekent het Non-proliferatieverdrag in 2003.
Ook in Iran wordt het kernprogramma in de gaten gehouden door de IAEA. In 2005 constateert het internationale agentschap dat Iran zich niet aan het Non-proliferatieverdrag houdt, waarna allerlei sancties tegen het land worden genomen om de verrijking en de ontwikkeling van kernwapens te stoppen. In 2015 wordt een Joint Comprehensive Plan of Action (JCPOA) getekend tussen Iran, de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad – China, Frankrijk, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten – plus Duitsland en de Europese Unie. Het plan voorziet in een beperking van de verrijking van uranium en een reductie van de voorraad laagverrijkt uranium binnen vijftien jaar. JCPOA wordt bekritiseerd door hardliners in Iran, maar ook in de VS en in de buurlanden Israël en Saudi-Arabië, omdat er niets is geregeld over de periode erna. In oktober 2017 zegt president Trump het JCPOA eenzijdig op en kondigt extra sancties af tegen Iran. In mei 2025 rapporteert IAEA weer grote hoeveelheden hoogverrijkt uranium (60%) in Iran. In juni van dat jaar bombarderen Israël en de VS de belangrijkste Iraanse nucleaire faciliteiten tijdens de Twaalfdaagse Oorlog. De recente aanval van Israël en de VS op 28 februari jl. heeft hetzelfde doel, al wisselt het discours van Trump over de werkelijke redenen.
Het Iraanse kernprogramma wordt eind jaren 1950 onder de sjah gelanceerd en is gericht op kernenergie. De latere Islamitische Republiek start een kernwapenprogramma na de lange oorlog met Irak (1980-1988), waar de Iraakse president Saddam Hussein chemische wapens inzette. Later wijst het Iraanse regime op de noodzaak zich te verdedigen tegen de VS en Israël – die ayatollah Khomeini van meet af de Grote en Kleine Satan noemt. Zijn opvolger Ali Khamenei roept in 2003 echter een religieus verbod uit op het produceren en het gebruik van kernwapens. Volgens hem kent het Iraanse atoomprogramma uitsluitend burgerdoeleinden. Maar dat strookt niet met het grote voorraad hoogverrijkte uranium in het land. Midden-Oostenredacteur Carolien Roelants duidt dit in de NRC als een ‘net-niet-bom’ strategie: wel beschikken over de kennistechnologie en de middelen klaar hebben staan, maar de bom zelf nog net niet maken, tenzij de omstandigheden….
De mogelijkheid van een Iraanse kernbom is een bron van zorg voor buurlanden en de internationale gemeenschap. Deels vanwege de met Messianisme doordrenkte geopolitieke visie, die zinspeelt op het einde der tijden, en vanwege regionale en mondiale ambities van de Islamitische Republiek Iran. Daarbij steunt het regime gewapende bewegingen in vele landen in de regio en daarbuiten: Hamas in Gaza, Hezbollah in Libanon, Answar Allah (onder de Houthi’s) in Jemen, Islamic Resistance in Irak en in Bahrein. Vanwege deze ‘As van Verzet’ wordt het risico van verspreiding van kernwapens naar niet-statelijke partners door alle partijen veel groter ingeschat dan elders.
Tot slot is de geografische ligging van groot belang, zoals de wereld nu in de praktijk ondervindt. De Islamitische Republiek Iran kan niet alleen de buren en Israël treffen. Het land kan ook grote financiële en dienstencentra in de Golf diep raken, evenals de olie- en gasproductie en de voor de mondiale energievoorziening cruciale routes (ook vanuit Iran zelf!) via de Straat van Hormuz. Dit geldt ook voor het maritieme vrachtverkeer tussen Azië en Europa rond het Arabisch schiereiland, en luchtverkeersknooppunten tussen Europa, Azië en Afrika met de mega-vliegvelden van Dubai en Doha. In de huidige oorlog met conventionele wapens blijkt dit al rampzalige gevolgen te hebben voor de regio en voor de wereldeconomie. Door die enorme mondiale impact hebben de ontwikkelingen in en rond Iran ook directe gevolgen voor de discussies over veiligheid in Europa. Hierover meer in het volgende nummer van Geografie.