3 oktober 2025
Dan Assendorp
Fysisch Geograaf bij Hogeschool van Hall Larenstein

Miskende rivieren

Dit artikel is verschenen in: geografie 2025 | 7
fysische geografie
Nederland
Kennis
FOTO: WIRESTOCK/ISTOCK
De Berkel in de buurt van Almen meandert weer na ingrepen in het kader van klimaatadaptatie en natuurontwikkeling.

Als het in Geografie over rivieren gaat, betreft het vrijwel altijd de grote rivieren en grootschalige programma’s als Ruimte voor Rivier. Maar er is zo veel meer water in Nederland dat zijn oorsprong heeft als rivier. Ze zijn veelal ingedamd, gekanaliseerd en zelfs ontdaan van hun bron. Deze ‘miskende rivieren’ kunnen een belangrijke rol spelen in klimaatadaptatie en natuurherstel. 

 

Waar in de klassieke oudheid de Griekse filosoof Thales veel belang hechtte aan bronnen en stromend water, is onze moderne maatschappij daar ver vanaf komen te staan. We zijn er zelfs trots op: God schiep de aarde en de Nederlanders schiepen Nederland. Het is zo sterk dat we de bronnen van de rivieren die in Nederland ontspringen, gewoon hebben afgeschaft! Waar is de bron van de Amstel, van het Reitdiep, de Linge of de Eem? De bron van de Amstel is niet meer dan de Tolhuissluis, waar schepen van het ene boezempeil naar het andere geschut worden. Het Reitdiep en de Eem ontspringen midden in de stad (figuur 1). En het gemaal De Pannerling, waar water zowel in- als uitgeslagen kan worden, is officieel de bron van de Linge. Er zijn natuurlijk ook veel beken in Nederland, die hebben wel een bron of brongebied en stromen in één richting. Maar tussen grote rivieren en kleine beken is een soort middenmaat: te klein om de ruimte te mogen hebben en te groot om vrij te mogen stromen. Dit zijn de miskende rivieren van Nederland. Ze hebben een belangrijke rol in het waterbeheer. Zo belangrijk dat beheersbaarheid voorop staat en natuurlijke processen vrijwel verdwenen zijn. 

©2025 GEOGRAFIE & B.J. KÖBBEN
Figuur 1: De Eem is een van de miskende rivieren. De bron was waarschijnlijk ooit een doorstroommoeras, dat nu verdwenen is onder de stad.

Natuurontwikkeling

De Kaderrichtlijn Water van de Europese Unie dwingt de waterbeheerders elk waterlichaam in een klasse in te delen. Bij de Amstel, het Reitdiep, de Linge en de Eem is dat type R6 of R7, een langzaam stromende rivier of riviertje, maar wel met de toevoeging ‘sterk veranderd’. Er is eigenlijk weinig natuurlijks meer aan. 

De grote rivieren en de beken worden formeel gewaardeerd om hun natuur. Je kunt binnen het Subsidiestelsel Natuur en Landschap zelfs ondersteuning krijgen voor het beheer. Het zou logisch zijn dat er voor kleine rivieren ook subsidiemogelijkheden zijn, maar daartoe moet je echt omdenken en subsidie aanvragen voor natuurtypen als veenmoeras, glanshaverhooiland en vochtig weidevogelgrasland.

Ondanks de miskenning hebben kleine rivieren veel potentie om een bijdrage te leveren aan klimaatadaptatie en natuurontwikkeling. Vooral omdat het er zo veel zijn (zie kader) en omdat je met wat kleine ingrepen al snel resultaat kunt boeken. Denk aan:

  • natuurvriendelijke dijken, breder en minder steil, met een hoge biodiversiteit;
  • natuurvriendelijke oevers, met geleidelijk overgang van droog naar nat om oevererosie tegen te gaan;
  • natuurlijk retentiegebied, waar het teveel aan water tijdelijk wordt opgevangen;
  • hermeandering, waardoor het water langer in het gebied wordt vastgehouden;
  • bufferzones met een filterende werking; voornamelijk rietaanplant om meststoffen en bestrijdingsmiddelen uit het water van landbouwgebieden te halen;
  • kruidenrijk grasland dat nat kan blijven; dat is goed voor het vee en er zijn geen zware landbouwmachines nodig;
  • waterboeren die eetbare waterplanten telen;
  • natuurlijke voedselbossen die deels mogen overstromen en waarin veel eetbare gewassen groeien;
  • lisdoddekweekvelden en griendbossen voor de natte teelt van bouwmaterialen.
Miskende rivieren in Nederland (niet volledig)

Naam • Type
Alblas • weteringrivier
Alm • weteringrivier
Amstel • damrivier
Angstel • damrivier
Berkel • stuwrivier
Brielsche Maas • damrivier
Dieze • damrivier
Dintel • kreekrivier
Dokkumer Ee • kreekrivier
Dokkummerdiep • kreekrivier
Drecht • damrivier
Eem • damrivier
Fivel • kreekrivier
Gantel • kreekrivier
Gouwe • weteringrivier
Hollandsche IJssel • weteringrivier
Korne • weteringrivier
Kromme Leek • damrivier
Kromme Mijdrecht • damrivier
Kromme Rijn • weteringrivier
Krommenie • damrivier
Kuinder/Tjonger • stuwrivier
Lauwers • kreekrivier
Liede • damrivier
Linde • stuwrivier
Linge • weteringrivier
Linschoten • damrivier
Mark • kreekrivier
Meppelerdiep • damrivier
Mije • damrivier
Oude IJssel • stuwrivier
Oude Maasje • weteringrivier
Oude Rijn • weteringrivier
Overijsselsche Vecht • stuwrivier
Reitdiep • kreekrivier
Rotte • damrivier
Schie • damrivier
Spaarne • damrivier
Vecht • damrivier
Vlist • damrivier
Waver • damrivier
Zaan • damrivier
Zederik • weteringrivier
Zwartewater • weteringrivier

Classificatiesysteem

Deze ingrepen kunnen lang niet overal worden toegepast. Het vraagt om een goede beschrijving van het oorspronkelijke en het huidige natuurlijk systeem. Een eenvoudig classificatiesysteem is dan behulpzaam. Het dwingt ons na te denken over wat de overeenkomsten en verschillen zijn. Door goed te weten dat niet elke vastgelegde rivier hetzelfde is, voorkom je dat elke hermeandering, nieuwe vorm van landbouw en natuurontwikkeling op dezelfde wijze, voorbijgaand aan de specifieke kenmerken van de rivier, worden uitgevoerd. 

Op basis van de fysische geografie, historische geografie en waterstaatfunctie onderscheiden we vier typen: dam-, wetering-, kreek- en stuwrivier.

Damrivier

Neem een stad of dorp in West-Nederland waarvan de naam eindigt op dam, verwijder het achtervoegsel en je hebt een damrivier: Amsterdam (Amstel), Rotterdam (Rotte), Schiedam (Schie), Spaarndam (Spaarne), Zaandam (Zaan), enzovoorts. Waar de afwatering van een veengebied uitkomt in het open water, is ergens in de middeleeuwen benedenstrooms een dam opgeworpen om te voorkomen dat zout of brak buitenwater het almaar inklinkende veengebied binnen stroomde. Op de kaart van Jacob van Deventer van het stadje Monnickendam staat zelfs de ‘Monnik’ als riviertje ingetekend op de plek waar nu de Pierebaan ligt. Waarschijnlijk was Van Deventer zich al bewust van de oorsprong van de damsteden en  -rivieren en wilde hij koste wat het kost Monnickendam ook een eigen rivier geven. Maar het ligt meer voor de hand dat de dam (Middendam, Damsluis) aangelegd is door monniken.

Monnikendam, met vanuit het zuiden rivier De Monnik, op de kaart van Jacob van Deventer (circa 1550).

Damrivieren zijn fysisch geografisch gezien veenstroompjes, ontstaan als afwatering van grote hoogveenkoepels, die ontstonden na het sluiten van de strandwallen rond 3000 v.Chr. De afwatering van deze veenkoepels heeft een radiale structuur. Vanuit het centrum gaat de afwatering alle kanten op. Logischerwijs waren de nog vrij stromende veenriviertjes het laagste punt in het landschap. Ze hebben maar een heel beperkt oeverwalletje, omdat mineraal sediment vrijwel ontbreekt in de veengebieden. In de middeleeuwen werd het veen volgens een opstrekkende verkaveling ontgonnen en ontwaterd. Daardoor klonk het veen sterk in en was het al snel nodig benedenstrooms dammen aan te leggen, zodat de zee of de rivier niet het steeds lager liggend achterland kon instromen. De laaggelegen veenriviertjes bleven ongeveer op dezelfde hoogte liggen, maar het veen kwam op den duur lager te liggen dan het stroompje. Op dat moment werd de damrivier een boezemkanaal. Deze ‘omkering van het reliëf’ werd door de natte turfwinning nog sterker en de restanten veen langs de damrivier heten nu zelfs ‘bovenland’.

Weteringrivier

In het rivierengebied is op meerdere plekken de oorspronkelijke loop van een grote rivier bovenstrooms afgedamd of verzand. Voorbeelden zijn de Linge, de Kromme Rijn en de Hollandse IJssel. Fysisch geografisch hebben de bovenstrooms afgedamde oude rivierlopen nog veel kenmerken van de grote rivieren, met fossiele meanders en oeverwallen, maar de dynamiek qua sediment en water ontbreekt. Dit komt in principe door de natuurlijke verlegging van de hoofdstroom van Rijn en Maas. De verlaten rivierbedding zou een stroomrug zijn geworden, maar vanaf de middeleeuwen bracht de mens bovenstrooms dammen aan. Dit was noodzakelijk, omdat bij hoge afvoer van Rijn of Maas er toch weer veel water door de oude rivierarm stroomde met wateroverlast voor boeren en burgers tot gevolg. De oude rivierarm wordt bovenstrooms niet meer gevoed, maar heeft zijn afvoerende functie voor de inmiddels ontgonnen rivierklei en veengebieden behouden. Het is eigenlijk een soort wetering die parallel aan de hoofdstroom het water afvoert. Omdat het van oorsprong wel een rivier is, komt het toponiem wetering niet voor in de naam. De afwatering uit de omliggende komgebieden naar de weteringrivier is meestal via een gegraven watergang met namen als Leigraaf en Nieuwgraaf. Bijzonder is dat de benedenstroom van de Linge, vanaf Tiel tot Gorinchem, helemaal voldoet aan de beschrijving van een weteringrivier, terwijl de bovenstroom een geheel door de mens gegraven wetering is, die voornamelijk door de kommen van de Neder- en Over-Betuwe loopt. Watergangen in de Over-Betuwe die afwateren op de Linge, hebben hier vaak de naam Zeeg.

Kreekrivier

In het noordelijk en zuidwestelijk kleilandschap van Nederland zijn de Dintel/Mark, de Gantel, de Dokkumer Ee/het Dokkumerdiep en de Lauwers voormalige getijderivieren en nu geclassificeerd als kreekrivier. De rivieren fungeerden oorspronkelijk deels als afwatering van het achterliggend zand- en veenlandschap en waren deels getijdekreken onder invloed van zeewater. Algemeen beeld is dat de oorsprong veelal teruggaat tot een pleistoceen beekdal dat halverwege het Holoceen een redelijk actieve getijdekreek was. Daarna is het een afwatering van hoger gelegen veengebieden geworden of zelf helemaal veranderd in veengebied. Met het verder stijgen van de zeespiegel is het veen weer teruggedrongen en werd het een kreek in een kwelderlandschap met nog wel een brongebied in het veen. De rijke kweldergronden waren vooral in het noorden van Nederland behoorlijk dichtbevolkt met talrijke terpen. Na de bedijking van de kweldergronden werden deze rivieren belangrijke afwateringskanalen richting de sluis in de zeedijk. In een aantal gevallen is de naam van de rivier nog het voorvoegsel van kleine dorpen waarvan de naam eindigt op ‘zijl’.

Bijzonder aan de kreekrivier de Lauwers is dat hij bovenstrooms korter is geworden en benedenstrooms langer. De Alde Lauwers ‘ontspringt’ nu ergens bij Surhuisterveen, maar heeft zeker verder het veen in gelopen. Tot in de 19e eeuw stroomde de Lauwers bij Munnekezijl in de Lauwerszee. Later gebeurde dat een stukje verder bij Lauwerzijl en nu is er een aparte Friese Sluis naar de Lauwersmeer bij Zoutkamp.

Stuwrivier

Van de zandgebieden met een redelijk achterland stroomden oorspronkelijk kleine rivieren in de Zuiderzee, de IJssel en de Maas. Voorbeelden in Oost-Nederland zijn de Overijsselse Vecht en de Oude IJssel. Tot begin 20e eeuw konden deze rivieren vrij hun water en sediment afvoeren, maar sinds de tijd van de werkverschaffing en landinrichting in de jaren 1930 zijn ze gekanaliseerd en voorzien van een fors aantal stuwen en schutsluizen. Voor de ijzergieterijen langs de oever hoeft de Oude IJssel nu niet meer bevaarbaar te zijn; de laatste gieterij staat in Doesburg langs de IJssel. Meer bochten en af en toe een overstroming van de oeverlanden lijken dus mogelijk, maar landbouwbelangen maken het waarschijnlijk lastig. De vistrap bij Doesburg is wel een mooie stap in de richting van de emancipatie van deze miskende rivier.

Mengvormen

Er zijn ook mengvormen of lastig in te delen rivieren. De Utrechtse Vecht is deels een damrivier met een dam bij Muiden en daarvóór de Otterspoordam en de Hinderdam. Maar het is ook een oude Rijntak, die bovenstrooms is afgedamd. Een ander voorbeeld is de Dieze, een heel korte rivier die water van de Dommel en de Aa van Den Bosch naar de Maas afvoert. Je zou het een stuwrivier maar ook een damrivier kunnen noemen. 

Verder onderzoek: oproep

De classificatie van de kleine of miskende rivieren (kader) is de eerste stap in een onderzoek binnen het lectoraat Nature based river management van Hogeschool van Hall Larenstein. Bij verder onderzoek naar de potenties van kleine rivieren voor een biodiverse en klimaatrobuuste leefomgeving is hulp vanuit het veld zeer welkom. Bij deze dan ook een oproep om als school of klas een miskende rivier te adopteren en mee te denken over de rivier. Hoe mooi zou het zijn als leerlingen van het Amstellyceum, het Fivelcollege, het Lingecollege of het Spaarnecollege een profielwerkstuk maken over ‘hun’ rivier. Combinaties met natuurkunde, biologie, economie, geschiedenis zijn ook welkom. Om verder mee te denken, neem contact op met Dan Assendorp via dan.assendorp@hvhl.nl

Veelstromenland: aanrader

Voor wie als leek meer wil weten over de kleine rivieren van Nederland is het boek Veelstromenland een aanrader. Fotograaf Maarten Boersema en journalist Klaas Vos geven in woord en beeld een mooi overzicht van wat Deltacommissaris Co Verdaas ‘de haarvaten van ons watersysteem’ noemt. Deze definitie wordt wel wat ruim genomen, want ik zou de Amer of het Zwarte Water niet tot de haarvaten willen rekenen. Door het alfabetisch beschrijven en tonen van de rivieren is er een mooi afwisselend pallet ontstaan van allerlei soorten min of meer stromend water en het landschap. Veel groen, allerlei bruggen, dijkjes, molens en boten maar ook auto’s die netjes op een rij langs het water staan geparkeerd. Verwacht geen gedetailleerde fysisch geografische beschrijving. Het begrip ‘pubquiz’ duikt in een aantal beschrijvingen op en dat geeft precies aan waarom het een erg leuk boek is. Per rivier wordt een behoorlijk aantal historische en geografische wetenswaardigheden genoemd. Zo leer je dat de 14 kilometer lange Gouwe drie tot ver in de omtrek zichtbare hefbruggen, vier gewone bruggen, drie spoorbruggen en twee aquaducten heeft. Samen met de foto’s nodigt het boek uit eens wat vaker langs het water te wandelen of te fietsen.

  • Boersema, M., & Vos, K. (2025).  Veelstromenland; Het grote kleine rivierenboek. W-Books. Hardcover, 159 p. € 29,95.