- Zelfstandig werken stimuleren (als groep!)
- Out-of-the-box-denken
- Bruggen slaan van toen (WO1) naar nu (Oekraïne/ISIS)
- Geen dichtgetimmerde afvinkweek
- Twee prestatiemomenten: groepstoets & presentatie/debat
- Leerling maakt/breekt eigen week; leerproces.
Oostenrijk-Hongarije 1919: hoe delen we Centraal-Europa op?
Met collega Gerhard Oosten ontwikkelde Tjeerd Roosjen een spelopdracht tijdens een projectweek. Alles komt voorbij: tijd, fysische geografie, etniciteit, religie, economie en machtspelletjes. Een leerling: ‘Nu snap ik dat én economie én geschiedenis én aardrijkskunde het allemaal over dezelfde werkelijkheid hebben.’
Tijdens projectweken heb ik met mijn leerlingen zeker tien keer de tanden gezet in de verdragen van Saint-Germain en Trianon, zeg maar de onbekendere broertjes van het rampzalige Verdrag van Versailles uit 1919. Daarin werden Oostenrijk en Hongarije kaalgeplukt door de geallieerde winnaars van de Eerste Wereldoorlog. Nu verwacht je misschien dat dit artikel eerder thuishoort in Kleio, het blad voor geschiedenisdocenten. Maar in deze opdracht zit een enorme bak geografie verstopt, die bij veel leerlingen de geopolitieke ogen doet openen.
Projectweek
Met mijn geschiedenis-collega Gerhard Oosten krijg ik op een gegeven moment de vraag een projectweek te bedenken voor de E&M/C&M-leerlingen in de bovenbouw vwo. We zijn het snel eens over de opdracht: maak een nieuwe indeling voor de dubbelmonarchie, die anno 1919 in elkaar is geklapt.
Aan de hand van discussierondes en veel zelfstudie (met papieren boeken, oei wat ouderwets) moeten de leerlingen met zelfbedachte argumenten het maximale zien te bereiken voor hun etnische groep. Zeker de werkboek-minded docenten zullen zich afvragen hoe je dit dan nakijkt, want wat zijn de juiste antwoorden? Die zijn er niet en dat is precies de lol van dit project.
Ik heb deze spelopdracht inmiddels tien keer gedaan en steeds in andere varianten. Soms hebben we een volledige week ter beschikking, soms vier ochtenden. En ook wel eens de laatste drie schooldagen van het jaar – het is echt een aanrader om het jaar hiermee te eindigen.
Leerlingen moeten aan de hand van (kranten)artikelen zelf vragen bedenken over nationalisme, staatsvormen en samenwerkingsverbanden; wat werkt wel en wat niet. In de afsluitende toets geven we stellingen en situaties waarop leerlingen moeten reageren na overleg in hun groepje. Op basis van hun argumentatie kunnen ze punten scoren, dus ook hier is geen antwoordmodel aanwezig. Verder tonen we ’s ochtends vaak een PowerPoint, want het Oostfront is voor velen een totaal onbekend verhaal, anders dan de loopgraven in Vlaanderen en Frankrijk. Ook een uitstapje naar het Midden-Oosten aan de hand van Lawrence of Arabia blijkt een nuttige aanvulling. Want hoe ging landjepik daar en hoe werkt die tot op de dag van vandaag door?
Ons ultieme doel is vooral een beroep doen op creatief denken (figuur 1). Komen aanzetten met Tsjechoslowakije of Joegoslavië (de werkelijkheid) kappen we gelijk af. Als jury willen we dan weten voor wie die oplossing gunstig is en waarom andere volken zich daarin zouden schikken. Werkelijk elke suggestie van zo’n groepje weten we te counteren met tegenargumenten. Daarvoor hoef je als docent helemaal niet zo belezen te zijn. Verplaats je gewoon in de andere partij of visie en je bent klaar voor een debat. Doordat leerlingen argumenten goed moeten onderbouwen, doen ze zelfs ongemerkt goede zaken richting het eindexamen.
Indeling en opstelling
Dan het vormen van groepjes. Ik ben grote fan van de ‘hoge hoed’. Iedere docent kent wel die vaste vriend(inn)engroepjes met hun vaste taakverdeling. Maar da’s niet wat ze later op de werkvloer gaan tegenkomen. Dus gaan alle namen én etnische groepen (landen) in de hoge hoed. Leer maar eens samenwerken met iemand die je niet of matig kent – zeer leerzaam. Bovendien vinden leerlingen die loterij razend spannend en het levert veel hilariteit op. Aan te raden is groepjes van maximaal drie personen; de vierde gaat snel de freerider uithangen. Sterker nog, groepjes die als duo aan de gang gaan, kunnen zich helemaal niet drukken en leveren vaak de beste prestaties.
Een aan te raden opstelling is een U-vorm met de tafel met de lege kaart in het midden. Te zien is dat alle landen zelf vlaggen hebben bedacht. Afhankelijk van de beschikbare tijd is het ook leuk om te vragen wie er spreekt namens een land. Een koning-in-ballingschap of een leider van een verzetsgroep of een gematigde politicus die wel tot compromissen te bewegen is? Een beetje zoeken levert al snel namen op als Generaal Pilzudski van Polen en Jan Masaryk van de Tsjechen.
- Elf etnische volken uitkiezen
- Per groep drie à vier leerlingen: hoge hoed
- Maximale claims maken op basis van:
- historische kaarten
- geografische ligging, grenzen
- politieke relaties met buren
- winnaar of verliezer in WO1
- grondstoffen
- volkskenmerken (geloof, taal, ras, …)
Invalshoeken
We geven leerlingen invalshoeken die allemaal onderzocht kunnen worden. Van geografische ligging/grenzen en machtsverhouding, tot grondstoffen, taal en geloof (figuur 2).
Vooral historische kaarten leveren soms lachwekkende claims op: ‘Maar deze regio hoorde in 1350 ook bij ons land.’ Vaak blijkt dat leerlingen denken in de huidige nationale modus, dus met volkslied, taal, vlag en monarchie zoals dat nu gebruikelijk is. Vergeet het maar, want in 1350 was van bijvoorbeeld een nationaal Roemeens of Sloveens gevoel totaal geen sprake. Mensen wisten wie de lokale graaf of baron was en stonden aan die persoon gehoorzaam graan of vee af. Maar onder wiens koningschap men leefde, of wat de nationale taal was, daarvan hadden mensen ergens op een dunbevolkte poesta in Transsylvanië geen idee.
Een klassieker is elk jaar de frustratie van de leerlingen die de rol krijgen van Oostenrijk of Hongarije. ‘Wij verliezen alleen maar gebied, dus krijgen we een slecht cijfer’, is hun redenering dan, maar daar slaan ze de plank mis. Als het spel enkel gaat om de vraag wie de meeste vierkante kilometers krijgt, zouden Polen en Roemenië altijd winnen. Voor de verliezers aan de Centralen-kant geldt het devies: beperk de schade zo veel mogelijk. Want in principe kunnen zij zelfs eindigen zonder land, maar dat zou een langdurige vrede in de weg staan. Hongaren blijven immers een eigen volk en die zonder meer parkeren in een ander land is vragen om ongelukken. Overigens is veel van de huidige aanhang van Viktor Orban direct terug te leiden naar de Hongaarse grenzen getrokken in 1919. Toen zijn veel Hongaren in Slowakije, Joegoslavië en vooral Roemenië terechtgekomen, met alle ‘Heim ins Reich’-achtige sentimenten als resultaat. Vraag de EU in Brussel maar eens hoe lastig het is om met gefrustreerde Hongaren te werken.
Basiskaarten
Een van de kaarten die we gebruiken, is Etnische groepen in Oostenrijk-Hongarije in 1910, gevonden op Wikipedia (figuur 3). De crux is: dit is maar een indeling, niet dé indeling. Leerlingen beschouwen deze historische kaart al snel als de waarheid en vergeten dat de maker wellicht een voorkeur had voor een bepaalde groep. Zo zijn Kroaten en Serven gemakshalve tot één groep gerekend (‘Croats, Serbs’) en lijken Bosnische moslims helemaal niet te bestaan. Laat ze het niet horen in Srebrenica… Als je de versnippering van de etnische groepen bekijkt, zie je direct waar de problemen zitten: Duitsers overal verspreid, Hongaren in Roemenië (of Roemenen in Hongarije), Italianen in Istrië (Kroatië). Elke keer dat we dit spel speelden, bleek vooral de Duitstalige ‘boog’ om Tsjechië een enorme uitdaging.
Was de vorige kaart nog enigszins overzichtelijk, dan is het leuk leerlingen daarna met de kaart uit 2015 te confronteren (figuur 4). Ineens zijn de Bosnische moslims (donkergroen) daar wél aanwezig, terwijl Kroaten (lichtblauw) wat anders blijken te zijn dan de Serviërs (roze). En wat te denken van de Slowaken (paars) die in het midden opduiken! De wanhopig wordende Hongarije-leerling zegt dan al snel: ‘Nou, dan moeten die maar naar Slowakije verhuizen, want daar kunnen we geen rekening mee houden.’ Een mooi moment om de leerling die Slowakije speelt, erbij te halen. En bovendien, wie ben jij om te bepalen dat een groep die daar misschien al driehonderd jaar woont, maar even moet opkrassen.
Wie ben jij om te bepalen dat een groep die er al driehonderd jaar woont, moet opkrassen?
Een kaart die het spel nog een tikkeltje gecompliceerder maakt komt uit de serie Maps of religions in Andrees Allgemeiner Handatlas uit 1881 (figuur 5). Want ineens blijkt dat christelijk uiteenvalt in katholiek, protestants (in allerlei varianten) en oosters- én Grieks-orthodox. Waar sommige volken er qua taal met elkaar wel uit zouden kunnen komen, blijken ze nu religieus elkaars rivalen.
De fysische kaart uit 1914 (figuur 6) brengt weer nieuwe factoren in het spel. Een Donau, die dwars door het hele gebied stroomt, een ring van gebergten (de Karpaten) die van Hongarije een soort badkuip maakt. Probeer door die berggebieden maar eens logische grenzen te trekken.
Een ander aspect van fysische geografie (niet op deze kaart) zijn grondstoffen. Veel leerlingen gaan helemaal los op grondstoffen die anno 2025 belangrijk zijn, maar het belang van olie (en gas) was in 1919 veel kleiner dan nu. Steenkool, ijzer en goud waren vele malen belangrijker. Hier moeten ze dus een denkbeeldige sprong in de tijd maken. Een fraai voorbeeld van grondstoffen-argumentatie die ik hoorde, ging over het gebied ten noorden van Belgrado dat de Banat heet. Zowel Serven als Hongaren hadden zich nog niet echt verdiept in dat gebied, maar de leerling die Roemenië vertegenwoordigde wel. Toen Roemenië de Banat (met al zijn grondstoffen zoals olie) als wisselgeld aan Hongarije wilde geven in ruil voor Transsylvanië, gingen de Hongaren direct akkoord. En dat terwijl Roemenië maar een heel kleine etnische, taalkundige of andere claim op de Banat kon maken. Well played, Romania! Het land won een belangrijk gebied door een regio waar het maar een kleine kans op had, weg te geven aan de concurrent. Inderdaad mét olie, maar dat was toen nog niet relevant.
Minder gebruikt door leerlingen maar stiekem op de achtergrond wel een rol spelend, is de kaart met administratieve indeling van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, gevonden via Wikimedia Commons (figuur 7). Oostenrijk (rood) blijkt door te lopen tot in Bukovina in het huidige Oekraïne. Kroatië en Slavonië worden feitelijk als Hongaars gebied (groen) gezien, al slaat die claim eigenlijk nergens op. Vojvodina (hier behorend bij Hongarije) kwam na de oorlog bij Joegoslavië terecht. Leuk is trouwens de Slavische spraakverwarring die opspeelt met Slavonen (op deze kaart) en Slovenen en Slowaken (op andere kaarten).
Eindresultaten
De onderhandelingen tussen leerlingen leiden elke keer weer tot een ander resultaat. Zie de kaarten van 2016, 2017 en 2025.
Op de eindkaart van 2016 (figuur 8), zijn een paar vreemde zaken gebeurd. Het blauwe gedeelte Galicië blijft een beetje ‘over’, dus biedt de Roemeen aan om het te adopteren, wat een bizarre grens oplevert. Ten oosten van Wenen is een gearceerd gebied waar een volksraadpleging moet zorgen voor duidelijkheid. Pikant daarbij is hoe groot je dat gebied maakt. Loopt het wat meer door richting Wenen, dan zouden de Duitstaligen winnen en niet de Hongaars sprekenden. Ook opvallend is dat de nieuw op te richten Volkenbond van de Amerikaanse president Wilson het protectoraat Bosnië-Hercegovina gaat beheren, omdat Kroaten en Serven het in het spel niet eens zijn geworden.
Op de eindkaart van 2017 zien we twee soorten ‘EU-avant-la-lettre’ (figuur 9). Onder de naam Trans-Danubia ontstaat een collectief beheerde loop van de Donau, waarop vrij vervoer van goederen mag plaatsvinden. De leerlingen hebben duidelijk Rijn-achtige beelden in hun hoofd met schepen die af en aan varen naar Rotterdam. In werkelijkheid is er op de Donau niet zo veel scheepvaart en is het eindpunt allesbehalve een wereldhaven. De andere variant is de VZZ, de Vrije Zwarte Zee. Tsjechen en Slowaken hebben elkaar in het spel wederom niet weten te vinden, waarna de Tsjechen hier wel een heel merkwaardig huwelijk zijn aangegaan met de Polen. Voor de helft van de Sudeten-Duitsers is een Oostenrijkse oplossing gevonden. Gespreksleider Clemenceau (premier van Frankrijk) wil namelijk onder geen beding dat ze bij Duitsland komen. Alles bij elkaar hangt deze eindkaart met zo veel plakbandjes en vage afspraken aan elkaar, dat in 1923 er vermoedelijk overal weer gevechten zijn uitgebroken…
Roemenië is op deze kaart de grote winnaar, want het slokt heel Hongarije en Moldavië op
Op de eindkaart van 2025 is Joegoslavië minus Slovenië (autonome regio binnen Italië) ontstaan, maar dan als federatieve republiek (figuur 10). Het is heel leerzaam om leerlingen door te vragen naar hun staatsvorm. Sommigen beginnen koninkrijken in 1919, terwijl in werkelijkheid de ene na de andere republiek het levenslicht zag. De deelstaat-oplossing is vooral populair bij de multi-etnische gebieden. Maar dat vereist een sterke Bosnië-speler die Serven en Kroaten moet weten te overtuigen van het nut daarvan. De leerling die Oostenrijk vertegenwoordigt, speelt het bijzonder sterk. Hij weet (weliswaar onder een nieuwe rare naam en met Praag als hoofdstad) in feite het oude gebied volledig te behouden. Roemenië is hier de grote winnaar, want het neemt Hongarije op, evenals Moldavië met een nog niet uitgewerkte deelstaat-variant. De Roemeen vertrouwt me later toe dat het uiteindelijk gewoon allemaal Roemenië zal gaan worden, maar dat hij ze even heeft moeten paaien met deze vage beloftes.
Slotconferentie
Na een laatste ronde met pleidooien en laatste-minuut-suggesties trekken wij ons als juryleden terug om er een klap op te geven. Veel van onze beslissingen zullen de leerlingen al hebben zien aankomen, maar we komen ook met verrassende besluiten. Op de slotconferentie lichten we die toe. Als afsluiting is het dan mooi om te kijken wat er in werkelijkheid werd besloten, waarom dat soms dramatische vergissingen bleken te zijn, maar hoe die in de mode van die tijd (‘de verliezer moet betalen’) ook wel weer te begrijpen waren. Conclusie is dat onderhandelaars dat nu vaak anders zouden aanpakken, met meer inspraak van de betrokkenen. Maar dat daaraan ook grenzen zitten, want niet elke (mini-)etnische groep kun je een eigen staat geven. Een land moet ook een beetje levensvatbaar zijn, waarbij een uitgang naar de zee wel zo prettig is.
En de leerlingen?
Wat vinden leerlingen van deze opdracht? Ze zijn vrijwel altijd erg enthousiast. ‘We voelden een groot vertrouwen van de docenten in ons, omdat we niet steeds op onze stoelen in het lokaal hoefden te zitten. Als we ergens in het gebouw, of buiten in het park, wilden overleggen, was dat geen probleem.’ Vaak vertellen leerlingen na afloop dat in dit project ineens alle kwartjes zijn samengevallen. ‘Nu snap ik dat én economie én geschiedenis én aardrijkskunde het allemaal over dezelfde werkelijkheid hebben. Ik zag dat voorheen als losse vakken of losse thema’s. Al die begrippen en documentaires kijken de afgelopen jaren kwamen in dit project ineens bij elkaar. Ik voel me daardoor ineens veel volwassener.’
Op geografie.nl/lesmateriaal zullen de materialen die handig zijn worden geplaatst. Voor vragen kunt u altijd de auteur bereiken op t.roosjen@knag.nl