30 april 2026

Donegal, West-Ierland: Na 130 jaar krimp forse bevolkingsgroei

Regionale ontwikkeling
Ierland
Kennis
Luchtfoto van een verlaten dorp aan de kust in Donegal
FOTO: LUKASSEK/SHUTTERSTOCK
Op veel plekken in Donegal is de historische leegloop nog zichtbaar. Hier een grotendeels verlaten dorp bij An Port tussen Ardara en Glencolumbkille.

In het vorige nummer van Geografie ging het over de moeizame ontwikkeling van het achtergebleven West-Ierland rond 1900. Vanaf het Ierse zelfbestuur in 1922 blijft de bevolking er krimpen, ondanks lokale initiatieven en steun van overheden. Pas in de jaren 1970 volgt de omslag. Sindsdien groeit het inwonertal – ook in Donegal.

 

Ondanks een aanzienlijk geboorteoverschot blijft het aantal inwoners in de eerste veertig jaar na de Ierse onafhankelijkheid dalen. Die neergang is begonnen tijdens de Great Famine in de jaren 1845-1851. Wat nu de Republiek Ierland heet (dus zonder Noord-Ierland), telt in 1841 nog 6,5 miljoen inwoners en in 1961 (het dieptepunt) slechts 2,8 miljoen. Tussen 1841 en 1961 verlaten zo’n 6 tot 7 miljoen Ieren hun land. Alleen county Dublin groeit, van 372 duizend inwoners tot 718 duizend. Rurale, perifere counties verliezen zwaar; het inwonertal van Donegal krimpt in deze 120 jaar van 296 duizend tot 114 duizend. Het dieptepunt zal hier het jaar 1971 worden, met 108 duizend mensen.

Op het dieptepunt in 1961 telt Ierland slechts 2,8 miljoen mensen
FOTO: TRINITIY MIRROR/MIRRORPIX/ALAMY
Leegloop van het Ierse platteland: Ierse buurvrouwen in Birmingham, VK, september 1969.

Om de emigratie te beperken, probeert Ierland na de onafhankelijkheid de industrialisatie te bevorderen. Aanvankelijk zet de overheid in op protectie en importvervangende industrie. Multinationals die in Ierland een filiaal willen openen ten behoeve van de export, zijn pas vanaf het einde van de jaren 1950 welkom. Met de industrialisatie wil het niet erg vlotten. Het is een decennium van economische stagnatie, werkloosheid en emigratie. De Duitse schrijver Heinrich Böll reist midden jaren 1950 door West-Ierland en verhaalt in zijn Irisches Tagebuch (1957) over de verlaten dorpen, kinderen die vaak blootvoets naar school lopen (vrolijk, ondanks de aanhoudende regen) en jongeren die met kartonnen koffers in de hand op de bus wachten, op weg naar Liverpool, Londen, New York of Sydney, in tranen uitgewuifd door hun ouders. Hun ticket is vaak bekostigd met American money, dat eerder vertrokken familieleden hebben opgestuurd. Ierse migratie is een uitgesproken voorbeeld van kettingmigratie.

Father McDyer

Glencolumbkille (in het Iers Gleann Cholm Cille) aan de Atlantische kust in Zuidwest-Donegal dreigt ook zo’n verlaten dorp te worden. De Ierse James McDyer (1910-1987) ziet het voor zijn ogen gebeuren, als hij in 1952 neerstrijkt in het dorp waar hij vele jaren priester zal zijn. ‘Glencolumbkille stierf, en de dodelijke ziekte was emigratie. (….) Zodra ze 16 of 17 zijn, vertrekt ongeveer 80 procent van de jongens en meisjes’, zal hij later in zijn autobiografie noteren. Soms trekken hele gezinnen weg. Aangedaan door de armoede en wanhoop van de dorpelingen besluit McDyer zich in te zetten voor lokale banen.

In zijn boek doet hij verslag van zijn successen en mislukkingen, van zijn strijd tegen de bureaucratie van (semi-)overheden om toestemming en financiering te krijgen en van zijn pogingen om de dorpelingen te enthousiasmeren. McDyer krijgt trouwe helpers, maar ontmoet ook scepsis, wantrouwen en onverschilligheid. Tegenstanders zijn bang dat extra inkomsten ten koste gaan van hun werkloosheidsuitkering. Maar McDyer laat zich niet ontmoedigen. In de Verenigde Staten zamelt hij geld in bij Ierse Amerikanen. Samen met dorpelingen bouwt hij een dorpshuis, zorgt voor elektriciteit en waterleiding (beide ontbreken tot respectievelijk 1954 en 1956) en laat wegen asfalteren. Hervorming van de landbouw verloopt moeizaam. De keuterboerderijtjes – in West-Ierland werkt in 1960 nog 60% van de beroepsbevolking in de landbouw – leveren te weinig op. McDyer wil graag een meer collectieve en productieve vorm van landbouw, ontginning van woeste grond en verbetering van de schapenrassen. Maar hij krijgt de boeren niet echt mee. Ook sticht hij een fabriek om groente in te blikken. Daarvoor moet hij boeren zo ver krijgen dat ze samen minimaal 80 ha groente verbouwen. Als dat niet lukt, wil hij grond van de boeren pachten om dat zelf te doen. Het moet een voorbeeldboerderij worden, die boeren overtuigt van de winstgevendheid van het project. De fabriek blijft echter verliesgevend. Na enkele jaren wordt deze omgebouwd tot een visfabriek, die de vangst uit de Atlantische Oceaan verwerkt – de belangrijke visserijhaven Killybegs ligt niet ver weg. Tot op de dag van vandaag floreert Errigal Bay, met tweehonderd werknemers.

In West-Ierland is in 1960 nog 60% van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw

McDyer sticht ook een breicoöperatie. In 1966 komt er een fabriek waar truien niet met de hand maar machinaal worden gebreid. Het jaar daarop opent McDyer Folk Village, een openluchtmuseum, dat tot op de dag van vandaag toeristen trekt, mede dankzij de nabije Wild Atlantic Way, de toeristische route langs de hele Ierse westkust. Als het project om toeristen onder te brengen in boerderijen min of meer mislukt, laat hij tien vakantiecottages bouwen. Met pijn en moeite wordt voldoende geld bij elkaar geschraapt om het lokale hotel, dat op de markt komt, te kopen en te moderniseren.

FOTO: BEN DE PATER
Interieur van een huisje in openluchtmuseum Folk Village. De gestalte moet Father McDyer voorstellen.

Voortdurend zoekt McDyer naar nieuwe mogelijkheden. Hij is enthousiast als tien studenten sociale geografie uit Utrecht er in 1969 veldwerk komen doen onder leiding van Joséphine Borchert. Hij kent haar al, omdat ze hier haar doctoraal-onderzoek deed. Hij benut het contact voor een bezoek aan Nederland in de hoop bij de Bijenkorf afzet te vinden voor wollen truien uit zijn breifabriek. De inkoper vindt ze echter te ouderwets. Als Borchert in de open haard turf stookt en hij hoort hoe prijzig die in Nederland is, ontwikkelt McDyer ter plekke een plan voor de export per schip van goedkope turf van Donegal naar hier. Het plan lijdt schipbreuk door een gebrek aan retourlading. Er zijn meer initiatieven die op niets uitlopen, zoals een imkerij en een slakken- en eendenboerderij. En bloemen van de gaspeldoorn blijken niet geschikt om als grondstof voor parfum te dienen. Wel succesvol wordt Oideas Gael, een in 1984 in Glencolumbkille opgericht centrum voor cursussen Ierse taal en cultuur. 

Van bovenaf

Behalve lokale place leaders die van onderop met initiatieven komen, zijn er ook overheidsorganisaties die van bovenaf het voortouw nemen. Het eerste veldwerk daarnaar in het zuidwestelijke schiereiland van Donegal (waar ook Glencolumbkille ligt) wordt in 1980 gedaan door 43 geografiestudenten van de Maynooth University, onder leiding van Colm Regan en Proinnsias Breathnach. Hun rapport over de state-sponsored en locally-sponsored development op het schiereiland van die tijd is een inspiratiebron voor dit tweeluik.

Een van de onderzochte organisaties is Údarás na Gaeltachta, dat tegenwoordig valt onder het ministerie van Rural and Community Development and the Gaeltacht. De Gaeltacht zijn gebieden in West-Ierland waar een aanzienlijk deel van de in totaal circa honderdduizend inwoners in het dagelijks leven Gaelic spreekt of tot voor kort sprak (figuur 1). Deze vallen grotendeels samen met de congested districts uit 1891 (zie deel 1 van dit tweeluik in Geografie 2026-3). Údarás heeft tot doel ‘de ontwikkeling van florerende Gaeltacht communities waarin Iers de belangrijkste taal is’. De ‘verantwoordelijkheid voor de economische, sociale en culturele ontwikkeling van de Gaeltacht’ brengt met zich mee dat Údarás bedrijven en job creation initiatives ondersteunt. Anno 2026 is de claim dat bijna 10 duizend banen in de Gaeltacht bestaan dankzij Údarás of voorganger Gaeltarra Éireann. Zo ook in de regio van Glencolumbkille. In het nabijgelegen Kilcar staat bijvoorbeeld de wolfabriek Donegal Yarn, waarvan de historische wortels reiken tot de CBD en Alice Hart (zie deel 1). Daarna heeft de fabriek steun gekregen van Gaeltacht-organisaties. 

©2026 GEOGRAFIE & B.J. KÖBBEN
Figuur 1: De Gaeltacht-gebieden

In heel Ierland, buiten de Gaeltacht, is de Industrial Development Agency (IDA) actief. Deze bestaat sinds 1949 en heeft een vergelijkbare taak: bevordering van de industriële bedrijvigheid en werkgelegenheid. Tegenwoordig richt IDA zich bijna uitsluitend op het aantrekken en behouden van foreign direct investment. Al decennia is daarbij het ideaal dat investeringen van multinationals verspreid plaatsvinden, ook en vooral in disadvantaged areas (later aangeduid als designated areas) in West-Ierland (figuur 2). De voorkeur voor spreiding is volgens geograaf Proinnsias Breathnach mede ingegeven door het feit dat Fianna Fáil in Ierland meestal aan de macht is, een politieke partij die haar kiezers vooral op het platteland vindt.

©2026 B.J.KÖBBEN & GEOGRAFIE
Figuur 2: Designated areas in Ierland (rond 1980)

Over de wenselijkheid en mate van spreiding (tussen de 26 counties en ook binnen elke county) lopen de meningen (dan en nu) uiteen. Het Buchanan-rapport uit 1969, Regional Development in Ireland, pleit bijvoorbeeld voor concentratie van bedrijfsinvesteringen in Dublin en vooral Cork (na Dublin de grootste Ierse stad) en Limerick (met de nabijgelegen luchthaven Shannon). Daar zijn agglomeratievoordelen te vinden, waarnaar multinationals zoeken. Spreiding over het hele land is onwenselijk, aldus de consultants in die tijd. Banen dirigeren naar gebieden die werkgelegenheid het meest nodig hebben, gebieden dus met veel emigratie (het rapport noemt Donegal daarbij expliciet), zou ernstige restricties voor de groei van Ierse bedrijven met zich meebrengen en zou multinationals doen besluiten zich in een ander land te vestigen, zo is de gedachte. Concentratie van de economische groei in stedelijke gebieden betekent hogere nationale groei. Meer regionale ongelijkheid moet dan maar op de koop toe worden genomen.

De regering legt het advies van de Buchanan-consultants terzijde. Zo besluit IDA in het Regional Industrial Plan 1973-1977 voor Donegal tot verspreiding van nieuwe industrie over meerdere locaties. Het Buchanan-rapport heeft eerder in Donegal alleen Letterkenny als groeikern aangewezen, hoe ‘klein en zwak’ dat stadje in die tijd (met nog geen 5000 inwoners) ook is.

Meer regionale ongelijkheid moet volgens consultants maar op de koop toe worden genomen

Onzeker bezit

De designated areas in West-Ierland zijn dankzij subsidies en belastingvoordelen in die jaren redelijk aantrekkelijk voor industrie, aldus een studie van Frank Barley en Michael Scholz. Waar de county Dublin in 1963 wel 144 industriële vestigingen met meer dan 100 werknemers telt, hebben de achtergebleven gebieden er samen slechts 39. Twaalf jaar later, in 1975, is dat aantal in Dublin iets opgelopen tot 151 en in designated areas tot wel 60. Daarvan is de helft (31) buitenlands eigendom. Multinationals hebben er bestaande Ierse firma’s overgenomen of een nieuwe vestiging geopend. 

FOTO: LUKASSEK/SHUTTERSTOCK
Het Amerikaanse kledingconcern Fruit of the Loom investeert stevig in een vestiging in Buncrana, maar sluit die al na achttien jaar. Duizenden werknemers staan op straat.

Niet ontstaan en geworteld in de regio van vestiging, zijn de concerns echter een onzeker bezit. Zo gaat in Buncrana in Donegal de kledingfabriek Fruit of the Loom al na achttien jaar dicht. De Amerikaanse multinational kocht in 1987 een lokaal familiebedrijf dat in moeilijkheden verkeerde, het concern investeerde vervolgens 200 miljoen dollar en breidde de werkgelegenheid uit van 470 tot op het hoogtepunt 3000 werknemers. Maar in 2004 besluit Fruit of the Loom de productie van shirts en pullovers over te hevelen naar Marokko. Het jaar daarop staan de werknemers in Buncrana op straat, zonder voldoende vervangende werkgelegenheid. Toch blijft Buncrana redelijk op de been, als woonplaats voor forensen die in Derry/Londonderry of in Letterkenny werken. 

Het net over de grens gelegen Derry is in Noord-Ierland met ongeveer 100 duizend inwoners de tweede stad, na Belfast. Letterkenny is met inmiddels 23 duizend inwoners veruit de grootste stad in Donegal. De National Spatial Strategy 2002-2020 wijst Letterkenny aan als enige groeipool in Donegal, maar wel in combinatie met het 35 kilometer verderop gelegen Derry. Samenwerking in een cross-border network is mogelijk dankzij de verbeterde relaties met Noord-Ierland na het Goedevrijdagakkoord in 1998, dat een einde brengt aan de Troubles (zie Geografie 2018-8). 

BEELD: EXTRASPACE
Pramerica, een financiële dienstverlener van Prudential Financial, opende in 2000 een campus in Letterkenny. Deze werd in 2017 verkocht aan Tata Consultancy Services. Er werken bijna 1400 ict'ers.

Letterkenny trekt met steun van IDA onder meer itc-bedrijven aan die in Dublin onvoldoende werknemers kunnen vinden. Bijvoorbeeld Pramerica Systems Ireland, een shared service center van de Amerikaanse verzekeraar Prudential Financial, gespecialiseerd in administratieve afhandelingen. De afdeling begint in 2000 klein in Letterkenny, maar groeit uit tot een ict-bedrijf met 1500 werknemers in 2017. Dat jaar wordt het overgenomen door Tata Consultancy Services en herdoopt in TCS.

De voornaamste doelstelling van de National Spatial Strategy 2002-2020 doet vertrouwd aan: tegengaan van de groeiende regionale ongelijkheid. Dat betekent het afremmen van de groei van de regio Dublin – in 2002 woont daar 39% van de Ieren. Via een strategie van consolidating moet dat aandeel rond 2020 niet veel hoger liggen dan 40%. De minst perifere delen van West-Ierland komen in aanmerking voor de strategie van strengthening, de uitgesproken periferie voor revitalising.        

Tot 2040

In 2018 krijgt de National Spatial Strategy een opvolger in Project Ireland 2040: National Planning Framework. Belangrijkste punt: de nieuwe nota voorziet niet alleen 660 duizend nieuwe banen in Ierland tot 2040, maar ook een bevolkingsgroei van 4,8 miljoen (2016) naar 5,8 miljoen in 2040. Dat is altijd nog minder dan de 6,5 miljoen in 1841. Dit is uniek, want geen enkel ander land heeft nu minder inwoners dan twee eeuwen geleden. Naar welke plekken moet de groei? Slechts voor een kwart naar Groot-Dublin. Dit betekent dat de hoofdstedelijke regio tot 2040 met 20-25% toeneemt. Het tweede kwart van de groei moet terechtkomen in de vier steden met meer dan 50 duizend inwoners: Cork, Limerick, Galway en Waterford. Omgerekend een groei van 50-60% voor elke stad. Ten slotte moet de helft van de groei buiten deze vijf steden neerslaan: in provincieplaatsen en op het platteland. 

De planologen voorzien dat het perifere deel van het land, gedefinieerd als acht counties in Noord- en West-Ierland, zal groeien met 180 duizend mensen tot iets meer dan 1 miljoen inwoners in 2040. Het aantal banen zal er met 115 duizend toenemen. De acht counties zijn gebundeld in de Northern and Western Regional Assembly (NWRA). De NWRA verdeelt het geld uit het Europees Fonds Regionale Ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds+ over de regio, op basis van de ruim 300 pagina’s dikke Regional Spatial and Eonomic Strategy 2020-2032. Deze nota noemt in Donegal slechts één regional growth centre. Wederom is dat Letterkenny, als onderdeel van de Letterkenny-Derry Corridor. 

©2026 B.J.KÖBBEN & GEOGRAFIE
Figuur 3: Drie Regional Assembly's (sinds 2015 in huidige vorm)

Naast de NWRA blijft ook county Donegal zelf actief met de Donegal Local Development Company (DLDC), ‘to unlock the potential of people, organisations and communities across Donegal’. Ontwikkeling ter plekke moet van onderop komen, door de inzet van bewoners, bedrijven en andere organisaties. De DLDC kan hen subsidies toekennen uit het EU-programma LEADER, dat bedoeld is voor projecten van lokale aanvragers in plattelandsgebieden. In Donegal zijn dit bijvoorbeeld community groups  en social enterprises.

BEELD: DONEGAL LOCAL DEVELOPMENT CLG
Begin dit jaar ontvouwde de Donegal Local Development CLG de Social Enterprise Strategy
2025-2028, waarmee de overheid non-profit bedrijven die het leven van de bewoners verbeteren, wil ondersteunen.

Overheidsorganisaties dragen zo bij aan de leefbaarheid van een ooit vergeten regio. Donegal heeft de weg omhoog gevonden. Dat weerspiegelt zich in het inwonertal, van 108 duizend in 1971 naar 180 duizend in 2025. Na 130 jaar krimp zijn dat mooie cijfers. Van een geëxploiteerde periferie is Donegal een gesubsidieerde periferie geworden, een term van de Amsterdamse geograaf Jan Mansvelt Beck. Maar zonder lokale actoren was de omslag nooit gelukt.

Met dank aan Johan en Joséphine Borchert en Marrie Kortenbosch voor hun hulp. Het tweeluik berust niet op eigen onderzoek, maar op een bezoek aan de regio en een literatuurstudie. 

BELANGRIJKSTE BRONNEN:

  • Aalen, F.H.A. (1986). The rehousing of rural labourers under the Labourers (Ireland) Act, 1883-1919. Journal of Historical Geography 12, 287-306.
  • Aalen, F.H.A., Whelan, K., & Scott, M. (Eds.) (1997). Atlas of the Irish rural landscape. Cork: Cork University Press.
  • Atwood, E.A. (1962). Agriculture and economic growth in Western Ireland. Journal of the Statistical and Social Inquiry Society of Ireland, 172-195.
  • Barry, F., & Scholz, M. (2023). The regional location of indigenous and foreign manufacturing establishments, 1929-1975. Journal of the Statistical and Social Inquiry Society of Ireland, LIII, 34-60.
  • Beattie, S.. The lace schools of Donegal. www.govisitinishowen.com.
  • Beattie, S. (2009). Cottage industries: arts and craft in Donegal 1880-1920.
  • Böll, H. (1957, 1974). Irisches Tagebuch. München: dtv.
  • Breathnach, P. (2019). The Buchanan Report and its aftermath: Implications for Irish regional planning. Administration 67(3), 41-63.
  • Breathnach, C. (2004). The role of women in the economy of the West of Ireland, 1891-1923. New Hibernia Review 8(1), 80-92.
  • Buchanan, C. e.a. (1969). Regional Development in Ireland: a Summary. Dublin: An Foras Forbartha.’
  • Cloot, H.M.A. & G.P. Kooman (1971). Een onderzoek naar de hierarchie van steden in county Donegal. Doctoraalscriptie, Geografisch Instituut, Utrecht.
  • Collinson, P.S. (1999). Development, local politics and the ‘New Europe’ in County Donegal: an ethnographic study. PhD Oxford Brookes University.
  • Congested Districts Board (1893). First Annual Report of the Congested Districts Board for Ireland (1893). Dublin: Her Majesty’s Stationery Office.
  • Congested Districts Board (1893). Baseline Reports County of Cork: Reports of mr. Roche. Pat Crowley, www.academia.edu
  • DLDC, Strategic plan 2023-2025.
  • Duffy, S. (2000). The concise history of Ireland. Dublin: Gill Books.
  • County Donegal Development Plan (1967). Lifford: Donegal County Council.
  • Dictionary of Irish Biographywww.dib.ie (J.H.Tuke by D. Murphy; A. Hart by B. Hourican; J. D. McDyer by Sh. Boylan; A.J. Balfour by J. Quinn).
  • Donegal Local Development CLG, The Leader Programme 2023-2027, www.dldc.org.
  • Donegalyarns.com
  • Errigalbay.com
  • Freeman, T.W. (1939). Migration movements and the distribution of population in Eire. Journal of the Statistical and Social Inquiry Society of Ireland, 89-100.
  • Freeman, T.W. (1940). The changing distribution of population in Donegal, with special reference to the congested areas. Journal of the Statistical and Social Inquiry Society of Ireland 17, 31-42.
  • Freeman, T.W. (1943). The congested districts of Western Ireland. Geographical Review 33(1), 1-14.
  • Helland, J. (2004). Exhibiting Ireland, The Donegal Industrial Fund in London and Chicago. RACAR 29(1-2), 28-46.
  • Historical population of Ireland; en.wikipedia.org
  • Hospers, G.-J., & B. de Pater (2021). Place leadership: lokale actoren halen Nantes uit het slop. Geografie 30, juni, 26-29.
  • IDA Ireland (1972). Regional Industrial Plans 1973-1977 Part 2. Donegal Region. Dublin: Industrial Development Authority.
  • Larmour, P. (1990-1991). The Donegal Industrial Fund. Irish Arts Review Yearbook, 128-133.
  • Mansvelt Beck, J. (1988). The rise of a subsidized periphery in Spain. A geographical study of state and market relations in the eastern Montes Orientales of Granada 1930-1982. Proefschrift UvA, NGS 69.
  • McDyer, Father James (1982). Fr McDyer of Glencolumbkille. An autobiography. Dingle: Brandon.
  • McDyer, Father James (circa 1963). Father McDyer tells… The Glencolumbkille Story. An epic of the small farm to-day. Dublin: Fodhla Printing.
  • McGeady, S. (2006). Sad day as Fruit of Loom closes its doors in Buncrana. The Irish Times 19 mei.
  • Myrdal, G. (1957, 1963). Economic theory and under-developed regions. London: Methuen.
  • O’Brien, W.P. (1896). The Great Famine in Ireland and a retrospect of the fifty years 1845-1895 with a sketch of the present condition and future prospects of the Congested District. London: Downey & Co.
  • O’Riordáin, S. & Chr. van Egeraat (2016). The National Spatial Strategy: lessons for implementation a National Planning Framework. Administration 64, 3/4, 5-21.
  • Porter, L. (2009). Willie McCarter reflects on loom years. Inishowen Independent, 15 oktober.
  • Pramerica in Letterkenny undergoes rebrand with new jobs on the way (2022). Donegal Daily, 5 mei
  • Project Ireland 2040: National Planning Framework (2018). Government of Ireland.
  • Regan, C. & P. Breathnach (1981). State and community: rural development strategies in the Slieve League Peninsula, Co. Donegal. Occasional Paper no. 2. Maynooth: Geography Department.
  • Regional Spatial and Economic Strategy for the Northern and Western Regional Assembly (2020). NWRA.
  • RTE-Archives (2006). Last cloth cut in Buncrama.
  • The National Spatial Strategy 2002-2020. People, places and potential. Dublin: Stationery Office. www.irishspatialstrategy.ie
  • Sullivan, S.J. (2013). A social history of the Brooklyn Irish 1850-1940. Ph.D. Columbia University.
  • Tuke, J.H. (1880). Irish Distress and its Remedies: the land question. London: W. Ridgway.
  • Tuke, J.H. (1889). The condition of Donegal. Letters reprinted from ‘The Times’. London: W. Ridgway.
  • White, P.A. (1982). A concept of industrial development in the 1980s. Journal of the Statistical and Social Inquiry Society of Ireland, 51-72.