16 januari 2026

Enkel uitzondering op de regels?

Veerkrachtig platteland
landbouw
Kennis
FOTO: MARIJN VAN ASSELDONK & JOKS JANSSEN
De gebiedscoöperatie in het Buijtenland van Rhoon verenigt boeren, natuurorganisaties, recreatieondernemers en burgers.

Gebiedsgerichte aanpak in het Buijtenland van Rhoon

De Nederlandse landbouw bevindt zich op een kruispunt. Luid klinkt de roep om een fundamentele koerswijziging: van meer naar beter, van productie naar waardecreatie. De gebiedsgerichte aanpak in het Buijtenland van Rhoon mag geen tijdelijk experiment blijven.

 

In veel provincies wordt gewerkt aan gebiedsgerichte programma’s waarin landbouwtransitie, natuurherstel en leefbaarheid van het platteland samenkomen. Daarbij kan worden geleerd van plekken waar deze integrale benadering al in praktijk wordt gebracht. Het Buijtenland van Rhoon, onder de rook van Rotterdam, is zo’n plek. Hier zoeken boeren, bestuurders en natuurorganisaties sinds enkele jaren samen naar een nieuwe balans tussen landbouw en natuur. Wat begon als een fel conflict over natuurcompensatie, groeide uit tot een experimentele praktijk van natuurinclusieve akkerbouw.

Weerstand en samenspraak 

De oorsprong van het Buijtenland ligt in verzet. Toen de provincie Zuid-Holland de polder aanwees als natuurcompensatie voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte, voelden boeren zich overvallen. Hun historische akkerland dreigde te verdwijnen onder een laag zoet moeras. ‘Ons land wordt opgeofferd voor Rotterdam’, klonk het.

Maar uit dat verzet groeide iets onverwachts. Boeren, burgers en natuurorganisaties gingen om tafel met onderzoekers van onder andere het Louis Bolk Instituut en de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap. Samen zochten ze naar een alternatief dat landbouw en natuurdoelen kon verenigen. Het idee van natuurinclusieve akkerbouw kreeg vorm: akkers waar rustgewassen, akkerranden en landschapselementen biodiversiteit versterken en waar met minder chemische middelen en meer gewasdiversiteit wordt gewerkt.

Deze pilot voor natuurinclusieve landbouw kwam voort uit boerenverzet

De afspraken werden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst tussen provincie, boeren en natuurorganisaties. Zo ontstond ruimte om te experimenteren met nieuwe teelten, verdienmodellen en beheerafspraken. Wat begon als noodoplossing, werd een proeftuin voor natuurinclusieve landbouw. Een voorbeeld van hoe weerstand kan omslaan in samenwerking.

Polder als proeftuin 

Inmiddels is het Buijtenland uitgegroeid tot een levend laboratorium. Boeren werken samen binnen een gebiedscoöperatie en dragen via akkerbeheer en bloemrijke randen direct bij aan realisatie van natuurdoelen. De biodiversiteit neemt aantoonbaar toe: veldleeuweriken keren terug, akkervogels broeden in rustgewassen, de bodemkwaliteit verbetert. Ook sociaal ontstaan nieuwe verbindingen in het gebied, via recreatie, de verkoop van streekproducten en educatieprojecten.

Het gebied laat zien dat landbouw en natuur niet tegenover elkaar hoeven te staan, maar elkaar kunnen versterken. De opbrengst is meer dan voedsel alleen: ook schoon water, een aantrekkelijk landschap en een sterkere gemeenschap. Daarmee belichaamt het Buijtenland het ideaal van meervoudige waardecreatie dat in veel beleidsnota’s wordt nagestreefd, maar in de praktijk zelden wordt gerealiseerd.

FOTO: MARIJN VAN ASSELDONK & JOKS JANSSEN
Veld met gerst en akkerbloemen van een boer uit het gebied.

Window of opportunity 

De doorbraak kwam in 2017. Onder invloed van landelijke discussies over biodiversiteit en duurzame landbouw herzag de provincie haar plannen voor natuurcompensatie. Voormalig landbouwminister Cees Veerman trad op als bemiddelaar en verbinder tussen partijen – een schoolvoorbeeld van wat beleidswetenschappers een window of opportunity noemen.

Alles viel op dat moment samen: het maatschappelijke probleem, het beleidsalternatief en de politieke aandacht. Die drie ‘stromen’ creëerden ruimte voor gebiedsgerichte verandering. Zo kon het natuurinclusieve toekomstbeeld van de polder wortel schieten. Het illustreert hoe cruciaal timing, vertrouwen en ondernemend leiderschap zijn in transitieprocessen.

Maar zulke vensters blijven zelden lang open. Zodra politieke prioriteiten of budgetten verschuiven, verdwijnt de ruimte weer even snel als deze kwam. En dat speelt nu in het Buijtenland.

Houdbaarheidsdatum 

De gebiedscoöperatie in Rhoon draait op een mix van provinciale subsidie, pachtkorting en projectmiddelen. Die financiële steun maakt op dit moment experimenteren mogelijk, maar creëert ook afhankelijkheid. Wat gebeurt er als de subsidie stopt?

Het Buijtenland leeft van tijdelijke afspraken en beleidsmatige uitzonderingen. De huidige natuurinclusieve praktijken zijn ingebed in een contract van beperkte duur. Als dat afloopt, is er geen garantie dat de samenwerking doorgaat. Ook al zijn de ecologische resultaten veelbelovend.

De spanning tussen kortetermijnfinanciering en langetermijnopgaven vormt de kern van wat hoogleraar bestuurskunde aan de TU Delft Tamara Metze de ‘pilotparadox’ noemt. We leren volop van experimenten, maar slagen er zelden in die lessen structureel te verankeren in beleid. De innovatie blijft gevangen in een beschermde niche, zonder door te dringen tot het (bepalende) regime van regels, kennis en marktprikkels dat de landbouw stuurt.

Niche 

De Nederlandse landbouw wordt gedomineerd door een robuust systeem van subsidies, kennisnetwerken, afzetmarkten en regelgeving, dat gericht is op schaalvergroting, kostenefficiëntie en exportoriëntatie. Dit systeem is opmerkelijk veerkrachtig. Vernieuwers mogen experimenteren, maar de spelregels blijven gelijk en gericht op bestendiging van de gangbare praktijk.

Het Buijtenland wordt geprezen als voorbeeld van vernieuwing, maar functioneert feitelijk als uitzondering. De gangbare kennisinfrastructuur, pachtstructuren en prijssystemen zijn nauwelijks mee veranderd. De niche beïnvloedt het regime op symbolisch niveau, maar niet structureel. Het experiment laat zien dat het anders kan, maar verandert de spelregels niet of in onvoldoende mate.

Ziedaar de paradox: een samenleving die verandering wil in de richting van natuurinclusieve landbouwpraktijken, maar een stelsel dat die verandering absorbeert in plaats van te transformeren.

Druk van buitenaf 

Toch groeit de druk. Klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, stikstofoverschotten en veranderende publieke waarden maken voortzetting van het oude systeem steeds moeilijker. De roep om landbouw die bijdraagt aan brede welvaart – niet alleen aan productie, maar ook aan leefomgeving en landschap – klinkt steeds luider.

In het Buijtenland leidde de maatschappelijke druk tot ruimte voor experiment. Maar zolang dit niet gepaard gaat met institutionele aanpassingen – in grondbeleid, marktordening en kennisinfrastructuur – blijft de vernieuwing kwetsbaar. Zodra politieke aandacht verslapt of budgetten verschuiven, komt het veranderproces onder druk. De ervaring leert: zolang instituties niet meebewegen, blijft transitie steken in experiment. Het is verandering zonder verankering.

Vernieuwing stopt niet bij pilots, het echte werk begint daarna

Het echte werk 

Wat betekent dat voor beleid? Ten eerste dat vernieuwing niet stopt bij pilots. Het echte werk begint daarna: het vertalen van lokale leerervaringen naar structurele hervormingen.

Dat vraagt om instituties met leervermogen, organisaties die kunnen aanpassen, experimenteren en eigen regels durven herzien. Provincies en Rijk kunnen dit versterken door experimenteergebieden zoals het Buijtenland niet als tijdelijke projecten te zien, maar als structurele leeromgevingen. Bijvoorbeeld door meerjarige afspraken over grondgebruik, langetermijnmonitoring en integrale financiering van landschapsdiensten.

Daarnaast vraagt het om een andere waardelogica: boeren niet alleen belonen voor productie, maar ook voor de maatschappelijke diensten die zij leveren – van waterberging tot biodiversiteit en landschapskwaliteit. Alleen dan wordt natuurinclusieve landbouw economisch levensvatbaar.

Naar perspectief 

Het Buijtenland is veel meer dan een lokaal experiment. Het laat zien dat boeren, burgers en bestuurders bereid zijn te vernieuwen, mits ze ruimte en zekerheid krijgen. Maar zekerheid voor de lange termijn ontbreekt nog. De pioniers in de polder tonen passie, maar botsen op de grenzen van het systeem.

De uitdaging voor beleid is die persoonlijke inzet te honoreren met een duurzaam perspectief. Dat betekent: van project naar gangbare praktijk, van tijdelijke uitzondering naar nieuw normaal. Pas als de lessen uit het Buijtenland leiden tot verandering van instituties, regels en verdienmodellen, kan natuurinclusieve landbouw uitgroeien tot een volwaardig alternatief.

De landbouwtransitie begint niet in Den Haag, maar in polders, zoals in Rhoon. Deze slaagt echter pas als wat daar geleerd wordt, doorwerkt in het regime. Alleen zo is het Buijtenland een voorbode van een landbouw die natuur, landschap en samenleving weer met elkaar verbindt.

Marijn van Asseldonk is milieusocioloog en werkt bij Het PON & Telos als adviseur-onderzoeker. Joks Janssen is planoloog en senior adviseur-onderzoeker duurzame gebiedsontwikkeling bij Het PON & Telos. Daarnaast is hij als Professor of Practice verbonden aan Tilburg University.