Hoe anders is het nu, zoals het interview met Dolly Loomans (zie kader ‘Geen eenzame reis’) laat zien. Een dissertatie schrijf je tijdens een reguliere aanstelling met strikte deadlines. Onderzoek gebeurt niet meer in de vrije uurtjes die een andere baan overlaat, zoals bij Hoekveld, die werkte aan zijn proefschrift (over de ontwikkeling van Baarn; hij promoveerde in 1964) naast een baan als docent aardrijkskunde. Een proefschrift is nu geen boek meer, maar een bundel artikelen die eerder zijn (of nog worden) gepubliceerd in Engelstalige, peer-reviewed tijdschriften. Het is ook geen soloproject meer. De promovendus werkt samen met anderen, onder wie een promotor en dagelijkse begeleiders. Hun namen staan als coauteur vermeld bij de meeste artikelen, ook al heeft de promovendus het leeuwendeel verricht. Ook de impact is anders. Er lonkt geen leerstoel meer. Wie promoveert en aan de universiteit wil blijven werken, wacht veelal een moeizaam gevecht om tijdelijke aanstellingen en schaarse subsidies.
Dit alles weerspiegelt de veranderingen in de wereld van het universitaire (geografische) onderzoek tussen pakweg de jaren 1960-1970 en de jaren na 2000.
Losse onderzoeken
Tot eind jaren 1970 was onderzoek doen overwegend een individuele aangelegenheid. Ieder staflid op de universiteit kon de werktijd die overbleef na onderwijs en bestuur (plus tijd in de avonden en weekends) vullen met onderzoek dat hem of haar interessant leek. Voor een vaste aanstelling of benoeming tot wetenschappelijk hoofdmedewerker was de doctorstitel niet verplicht. De (schaarse) proefschriften waren overwegend dik, monodisciplinair en Nederlandstalig. De onderwerpen waren vaak zelfgekozen en weerspiegelden dus de interesses van de auteur.
Dit resulteerde in een stapel losse proefschriften, die – hoe waardevol misschien op zich ook – onderling geen verband hielden. Van werk aan een gemeenschappelijke research frontier of op elkaar voortbouwen was geen sprake. Overigens werd in de jaren 1960-1970 wel een voorzichtige start gemaakt met grotere projecten waaraan meerdere onderzoekers en soms ook studenten meededen. Bekend werden het Urban Core and Inner City-project van UvA-stadsgeografen en het Groene Hart-onderzoek in Utrecht.
VF
In de jaren 1980 werd het hobbyisme teruggedrongen. Er kwamen Voorwaardelijk Gefinancierde onderzoeksprogramma’s (VF-onderzoek) waarin teams van zo’n tien onderzoekers, allen afkomstig uit eigen instituut of faculteit, samenwerkten. Voor toezicht op de VF-programma’s werden gaandeweg lokale onderzoeksinstituten in het leven geroepen, met eigen namen, directeuren en visitekaartjes. Zij beoordeelden om de paar jaar de resultaten van elk programma. Kwam er weinig uit of was de samenhang gering (onder een VF-paraplu hingen vaak heel verschillende projecten; vaste stafleden lieten zich niet zo gemakkelijk dresseren), dan konden VF-programma’s worden beëindigd en onderzoekers overgeplaatst naar programma’s die wel resultaten boekten. Proefschriften werden geschreven binnen het kader van een VF-programma. Deze waren nog steeds monodisciplinair en Nederlands was de voertaal.
Focus en massa
Vanaf het eind van de jaren 1980 streefden ministers naar grotere, langlopende en samenhangende onderzoeksprogramma’s, zoals het programma Stedelijke Netwerken (ook al met een Engelstalige aanduiding: Urban Networks), waarin veel sociaal geografen en planologen participeerden. Dit waren de voorlopers van de latere nationale onderzoeksscholen, waarin meer dan honderd onderzoekers van verschillende universiteiten in Nederland werden samengevoegd. Focus (op ‘sleutelgebieden’) en massa (onderzoek in grote teams) waren het devies. Zo kwamen ontwikkelingsgeografen terecht in Ceres, stadsgeografen en planologen in Nethur, een acroniem voor Netherlands Graduate School of Housing and Urban Research. In dergelijke onderzoeksscholen waren tal van disciplines vertegenwoordigd, in Nethur bijvoorbeeld ook stadssociologie, verkeer & vervoer en economie. Het leidde tot multidisciplinaire studies, soms zelfs tot onderzoek dat paste in opkomende interdisciplines. Steeds meer publicaties verschenen in het Engels. Tussentijdse beoordelingen waren vanzelfsprekend en strenger dan voorheen.
Naast basisfinanciering (de eerste geldstroom) kwam projectfinanciering op: onderzoekers konden bij NWO (tot 1988 ZWO) voorstellen tot onderzoek indienen. Dan begon het hoopvol wachten: vielen ze in de prijzen (de tweede geldstroom)? Meestal draaide het uit op een teleurstelling. Ook voor (heel) goede voorstellen bleek vaak geen geld beschikbaar. Lukte het toch, dan werd er op taart getrakteerd, al keek de lokale boekhouder zuinig, want matching was veelal een voorwaarde. Dat wil zeggen dat de eigen organisatie geld in het project moet stoppen om de subsidie te matchen. Naast NWO werd de Europese Unie met haar kaderprogramma’s een steeds belangrijker financier van onderzoek. Ook kwam de zogeheten derde geldstroom tot ontwikkeling: concrete onderzoeksprojecten in opdracht van en betaald door (semi)overheden en bedrijven. Universiteiten ontwikkelden zich zo tot concurrenten van commerciële onderzoeks- en adviesbureaus.
Internationaal
Na het jaar 2000 was het tijdperk van nationale onderzoeksscholen een beetje voorbij; de rivaliteit tussen universiteiten bleef groot. Lokale onderzoeksscholen kregen weer meer de wind in de zeilen. Ze zijn sterk internationaal georiënteerd, met veel stafleden en PhD-studenten (veelal met een eigen beurs) uit het (verre) buitenland, sterk multidisciplinair, en om de zo veel jaar is er een beoordeling door een internationale visitatiecommissie. Dat zijn spannende momenten, want daarvan hangen de financiering en continuering af.
Onderzoekers van lokale onderzoeksscholen werken veel samen met collega’s in andere EU-landen. Geografen leerden gaandeweg de weg naar en in Brussel te vinden. Europees geld is alleen beschikbaar voor samenwerkingsprojecten waaraan onderzoekers uit meerdere EU-landen deelnemen. In de praktijk betekent het dat in bijvoorbeeld stadsgeografische projecten veel comparatief onderzoek wordt gedaan. In alle deelnemende landen bestuderen dan lokale onderzoekers een of twee steden: hoe staat het daar met segregatie of armoede of diversiteit? De voertaal is Engels.