1 januari 2023

Hoe de tiendwetering verdween uit de Krimpenerwaard

Dit artikel is verschenen in: geografie januari 2023
historische geografie
Kennis
FOTO: PAUL MINKJAN
Boerderijlint met tiendwetering, rechts daarvan polder Het Beijerse.

Wie op de topografische kaart van de Krimpenerwaard kijkt, vindt slechts eenmaal de naam ‘tiendwetering’. Watergangen die op oudere kaarten ook zo heetten, bestaan nog steeds, maar hun namen zijn veranderd. Hoe zit dat precies?

 

Om te beginnen: in heel Nederland waren er waarschijnlijk nooit meer dan elf tiendweteringen: negen in de Krimpenerwaard, allemaal in ontginningen in de buurt van Stolwijk, en twee in de Alblasserwaard. Op recente topografische kaarten staan er nog drie: een in de polder Zuidbroek in de Krimpenerwaard en twee in de Alblasserwaard. Daarvan stond er één al op de kaart Het Hooge Heemraadschap vande Crimpenerwaard van Douw en Leupenius uit 1683 (figuur 1 boven).

Tiendweteringen waren bedoeld voor een betere afwatering van veenontginningen. Met datzelfde doel werden al in de 13e en 14e eeuw in talrijke andere ontginningen en polders weteringen aangelegd. Van een veldwetering bij Lopik wordt het ontstaan zelfs gesteld op 1155. Mogelijk zijn de tiendweteringen in de Krimpener- en Alblasserwaard ook al zo oud; de vroegste vermelding die ik vond, komt voor in een document uit 1439. Maar de wisselende naamgeving maakt het tot een zoekplaatje. Wat zit hier achter?

Figuur 1: Tiendwetering ('Tiend Watering') in Het Beijerse op de kaart Het Hooge Heemraadschap vande Crimpenerwaard van Douw en Leupenius uit 1683.

Locatie

Op de kaart uit 1683 zie je rond Stolkwijk vier polders afgebeeld. In elk daarvan is één tiendwetering aangegeven. Drie andere liggen in aangrenzende polders die later ook tot de gemeente Stolwijk gingen behoren. Nog twee tiendweteringen liggen iets ten noorden en ten westen van die latere gemeente, in het noordelijk deel van de polder Het Beijerse en in de polder Berkenwoude.

De twee tiendweteringen in de Alblasserwaard vallen buiten de kaart uit 1683; deze zijn opgedoken bij archiefonderzoek. Een lag ten zuiden van Oud-Alblas en wordt genoemd in een huwelijksdocument uit 1676. De tweede lag – en ligt nog steeds – tussen Goudriaan en Meerkerk. Deze tiendwetering komt al voor in een document uit 1439 en is de enige echt historische tiendwetering in Nederland die nu nog op de topografische kaart te vinden is. Langs deze wetering is veel later, rond 1970, een tiendweg aangelegd.

BEELD: BAREND KÖBBEN/GEOGRAFIE

Locatie

Op de kaart uit 1683 zie je rond Stolkwijk vier polders afgebeeld. In elk daarvan is één tiendwetering aangegeven. Drie andere liggen in aangrenzende polders die later ook tot de gemeente Stolwijk gingen behoren. Nog twee tiendweteringen liggen iets ten noorden en ten westen van die latere gemeente, in het noordelijk deel van de polder Het Beijerse en in de polder Berkenwoude.

De twee tiendweteringen in de Alblasserwaard vallen buiten de kaart uit 1683; deze zijn opgedoken bij archiefonderzoek. Een lag ten zuiden van Oud-Alblas en wordt genoemd in een huwelijksdocument uit 1676. De tweede lag – en ligt nog steeds – tussen Goudriaan en Meerkerk. Deze tiendwetering komt al voor in een document uit 1439 en is de enige echt historische tiendwetering in Nederland die nu nog op de topografische kaart te vinden is. Langs deze wetering is veel later, rond 1970, een tiendweg aangelegd.

Namen zoek

Op de topografische kaart van 1871 is de noordelijke wetering in Het Beijerse naamloos geworden en die boven Berkenwoude ‘Oude Wetering’ gaan heten. Daarmee zijn er dus al twee van de negen tiendweteringnamen verdwenen.

De tiendwetering bij Zuidbroek heette eerst anders. Op de kaart uit 1683 wordt deze waterloop nog ‘Kerckwateringh’ genoemd en op de eerste moderne topografische kaart van dit gebied, uit 1871, is deze naamloos. Pas op de topografische kaart vanaf 1877 staat er ‘Tiendwetering’ bij. Ik beschouw dat als een onterechte naamsverandering, waarvoor geen historische reden bestaat. Op recente kaarten wordt ook de wetering langs de Tiendweg ten zuiden van Nieuw-Lekkerland aangeduid als een tiendwetering. Dit is in feite een tiendwégwetering, maar dat ‘weg’ wordt sinds 1981 ten onrechte weggelaten. Bij een tiendwegwetering gaat het om een lage kade (tiendweg) met een of twee weteringen erlangs. Tiendwegen-met-weteringen liggen vrijwel alleen in ontginningen die aan een rivier grenzen. Echte tiendweteringen zijn geïsoleerd liggende waterlopen, in ontginningen die níet aan een rivier liggen. En dat is het geval met de negen waterlopen in de Krimpenerwaard.

Onbetrouwbaar

Kaarten van vóór de 19e eeuw zijn als bron lang niet altijd betrouwbaar. Het gebruiksdoel stond voorop: zaken met weinig of geen betekenis voor dat doel werden vaak weglaten. Als iets niet op een oude kaart staat, wil dat dus niet zeggen dat het er inderdaad niet was. En eigenlijk geldt het omgekeerde ook: als iets op een kaart staat, wil dit niet zeggen dat het er inderdaad was. Dat is het resultaat van het schaamteloos kopiëren van eerdere kaarten en die vervolgens van een (veel) later jaartal voorzien.

Redelijk betrouwbare kaarten van Nederland zijn er pas vanaf midden 19e eeuw. De eerste Nederlandse topografische kaarten werden gepubliceerd in 1864. Maar ook die bevatten nog fouten. Zie bijvoorbeeld de Kerkwetering bij Zuidbroek, die op de kaart van 1877 ‘Tiendwetering’ wordt genoemd.

De vraag rijst dus wat een naam op een kaart van vóór midden 19e eeuw nou helemaal voorstelde. Voor een bepaalde weg of kade werden op verschillende kaarten en in documenten meerdere namen of spellingen gebruikt: soms staan er ook meerdere van die namen op de kaart. Maar vaker is er één gekozen, naar het lijkt willekeurig.

We komen tien(d)weteringen wel met naam tegen in de Nieuwe en zeer nette Atlas van Zuyd-Holland, 't Sticht van Utrecht en een gedeelte van Gelderland afgedeeld in heemraadschappen, baljuwschappen, heerlykheden, waarden, districten en uytgeveende waterplassen van Reinier en Joshua Ottens, uit ongeveer 1756. Zij duiden deze gewoonlijk aan met ‘Tiend Water’. Maar andere namen komen ook voor, zoals ‘Tien Sloot’. Verder nog een paar tiendwateringen (in allerlei spellingen). Maar alles bij elkaar zijn het dezelfde negen tiendweteringen als op de kaart uit 1683 van Douw en Leupenius. De Ottens lijken sowieso erg veel overgenomen te hebben van die kaart.

In archieven is soms nog een oudere vermelding van een van de elf tiendweteringen te vinden. In een document uit 1563 wordt een hofstede genoemd tussen de Tiendwetering en de Ree in de polder Lang Schoonouwen, bij Stolwijk. Dat is er een van de negen van de kaart uit 1683. Andere vermeldingen hebben waarschijnlijk allemaal betrekking op tiendwégweteringen. In 1537 wordt in een document bijvoorbeeld een ‘Tiendwetering’ genoemd bij Vreeswijk, maar daar ligt al sinds minstens 1394 een tiendweg (ook vaak ‘Tiendkade’ genoemd). En er is een vermelding van een ’Tiendgrave’ (gegraven watergang) in 1433 in de buurt van Buren/Zoelen, maar ook daar ligt nu nog steeds een tiendweg.

FOTO: PAUL MINKJAN
De tiendwetering ten zuidoosten van Berkenwoude met verbredingen en versmallingen.

Kenmerken

Als we de tiendweteringen op een recente kaart opzoeken, valt op dat een deel ervan – net als in 1683 – doodloopt in het oosten. Bijvoorbeeld de drie weteringen in polders aan de oostkant van het dorp Stolwijk. Dat geldt voor geen van de andere watergangen in die polders. De tiendweteringen liggen gemiddeld op ongeveer een derde van de lengte van de ontginningen en zijn zeer breed: minstens 16 meter en soms meer dan 20.

Uit de lucht gezien valt ook het kralenkettingpatroon van sommige tiendweteringen op: bij elke kavel een forse verbreding van het water, maar dan steeds weer de ‘insnoering’ op de plek van een bruggetje. Dit lijkt erop te duiden dat de weteringen oorspronkelijk smaller waren. De verbreding tussen de bruggetjes zou ontstaan kunnen zijn, doordat er bagger uit de wetering werd gehaald om het dalende land op te hogen. Maar het is logischer daarvoor de watergang te gebruiken aan de langste zijde van de kavel. Of is de wetering verbreed om de waterbergende capaciteit te vergroten?

‘Achterwetering’

Dat de naam tiendwetering in de Krimpenerwaard is verdwenen, komt vermoedelijk door T. (Teunis) Vink. Deze in Lekkerkerk geboren wis- en natuurkundige (die als aardrijkskundeleraar Vogel voorkomt in De Avonden van Gerard Reve) stelt in zijn dissertatie De Lekstreek uit 1926 dat er bij Stolwijk weteringen liggen die op de topografische kaart ten onrechte tiendweteringen worden genoemd. ‘Deze namen zijn totaal onbekend. Men spreekt altijd van Achterwetering, in tegenstelling tot de Voorwetering.’ De tiendweteringen die Vink hier bedoelt, liggen in de polders Lang Schoonhoven, Bovenkerk en Benedenkerk. Vink voegt als een van de stellingen aan zijn proefschrift toe ‘Onze Topographische kaarten (...) voldoen voor de Lekstreek niet aan dien eisch van nauwkeurigheid, die aan eersterangskaartwerk gesteld moet worden’. Waar zijn die ‘achterweteringen’ van Vink dan op de topografische kaart van 1926 te vinden in de Krimpenerwaard? Daar kan ik kort over zijn: er ligt er maar één, ten noorden van Achterbroek. De andere achterweteringen duiken pas op in 1968...

In 1963 laat W.F.J. Den Uyl zich in zijn standaardwerk over een andere gebied, De Lopikerwaard, ook uit over tiendweteringen. Hij stelt vast dat de met tiendweteringen vergelijkbare waterlopen ten oosten van de Vlist ‘Veldwetering’ heten. Daarvan staan er zeven op de kaart van de Lopikerwaard van Hattinga uit 1771. Deze weteringen lopen ook vaak dood aan een kant, in het oosten of in het zuiden. Ook de naam ‘Veldwetering’ is op moderne kaarten verdwenen.

Deze gang van zaken maakt in elk geval duidelijk dat de benaming tiendwetering in 1926 bij sommigen volledig in de vergetelheid was geraakt. Dat het wel degelijk een historisch juiste benaming is, had Vink toch even kunnen checken op een historische kaart, of anders wel degenen die zijn kritiek op die naam overnamen. Blijkbaar hebben ze dat niet gedaan.

Ook kunsthistorica Catharina van Groningen sluit zich in haar werk De Alblasserwaard (in de serie De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst) bij Vink aan. Dit gebeurt bij monde van historisch geograaf L. Prins, die de historisch-geografische inleiding schrijft, in 1992. Prins stelt dat de aanduiding van tiendwetering op de topografische kaart ‘wel eens discutabel kan zijn, zoals Vink voor enkele weteringen in de Krimpenerwaard aantoonde’. Naar mijn idee toonde de heer Vink alleen zijn eigen gebrek aan kennis aan, en niets anders. In Van Groningens latere boek over de Krimpenerwaard (1995) schrijft een andere historisch geograaf de inleiding. Deze A.M. Kooiman stelt kortweg: ‘Nu heten al deze tiendweteringen Achterwetering.’

De tiendweteringen in de Krimpenerwaard heten na 1968 op de topografische kaarten achterwetering en vanaf 2015 zijn ze naamloos. Behalve dus het dubieuze exemplaar bij Zuidbroek.

BRON: TOPOTIJDREIS
Figuur 3a-c: Na 1968 heten de tiendweteringen in de Krimpenerwaard op de topografische kaarten
‘achterwetering’ en vanaf 2015 zijn ze naamloos.
BRON: TOPOTIJDREIS
BRON: TOPOTIJDREIS

Tiendwetering of veldwetering?

De tiendweteringen lagen rond Stolwijk inderdaad in de polders op plekken waar we ten oosten van de Vlist op vergelijkbare locaties veldweteringen vonden. Tiendwetering betekent dan ook niets anders dan wetering in het veld. Het woord ‘tiend’ werd namelijk behalve voor de belasting ook veel gebruikt om een perceel aan te duiden. Het is bijzonder jammer dat de eeuwenoude naam ‘tiendwetering’ nu bijna overal verdwenen is, zoals met zo veel historische namen is gebeurd. Minder dan de helft van de 85 bekende Nederlandse historische tiendwegen heet nu bijvoorbeeld nog ‘Tiendweg’. Terwijl die namen soms meer dan 600 jaar oud zijn! Daarmee gaat veel historisch geografische informatie verloren. De vraag is waarom. Waarom worden namen van bijvoorbeeld watergangen en polders keer op keer veranderd? Zijn gemeentebesturen of bijvoorbeeld waterschappen daarvoor verantwoordelijk? Of zit er bij de Topografische Dienst (in 2004 opgegaan in het Kadaster) iemand zich gruwelijk te vervelen? Hier moet echt zorgvuldiger mee omgesprongen worden.

En met die constatering bevind ik mij dan ineens in het onverwachte gezelschap van de heer Vink: ‘Zou men bij onze ambtelijke of halfambtelijke instellingen de topographie door jongmaatjes laten behandelen? Volwassenen zouden toch eerbied hebben voor de oude uit bodem en volk opgegroeide namen, die door elk volgend geslacht als erfstuk der vaderen van de voorgaande geslachten overgenomen werden.’

Precies!