10 februari 2026

Olympische erfenis – last of legacy?

Duurzaamheid
Olympische Spelen
Kennis
De oude bobsleebaan in Cortina van de spelen van 1956
FOTO: HOLAPACO77/WIKIMEDIA COMMONS
De oude bobsleebaan in Cortina d’Ampezzo, gebruikt voor de Winterspelen van 1956, werd in 2008 gesloten.

In februari streken de Olympische Winterspelen neer in Noord-Italië. Milaan en Cortina d’Ampezzo presenteerden zich als gastheer van de meest duurzame Winterspelen ooit. Wie beter kijkt, ziet hoe die Olympische belofte opnieuw botst met geografische realiteit en bestuurlijke trots.

 

Toen Italië zich in 2019 kandidaat stelde voor de Winterspelen van 2026, was duurzaamheid een sleutelwoord. In het bidbook werd het begrip meer dan honderd keer genoemd. De Spelen zouden een kleine voetafdruk hebben, met respect voor de Dolomieten, die niet voor niets op de Unesco Werelderfgoedlijst staan. De keuze voor ‘verspreide Spelen’ zou maximaal gebruik van bestaande infrastructuur en minimale ingrepen in het kwetsbare berglandschap betekenen. Op papier klinkt dat logisch. In de praktijk blijkt spreiding ook versnippering te betekenen: meer verplaatsingen, meer tijdelijke infrastructuur en een grotere druk op kwetsbare berggebieden. In en rond Cortina d’Ampezzo werden skipistes uitgebreid, wegen aangelegd en tijdelijke accommodaties neergezet. Een nieuwe cabinelift moest toeschouwers naar de finish van de reuzenslalom voor vrouwen brengen. Elk project afzonderlijk leek beheersbaar, maar samen stapelden de ingrepen zich op.

Bobsleebaan als symbool

Niets symboliseert de spanning tussen belofte en praktijk zo sterk als de bobsleebaan in Cortina d’Ampezzo. De bestaande baan, gebruikt bij de Winterspelen van 1956, werd in 2008 gesloten. Renovatie bleek technisch en financieel onhaalbaar. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) stelde daarop voor uit te wijken naar een moderne baan in Oostenrijk of Zwitserland. Vanuit duurzaamheidsperspectief een logische optie. Maar nationale trots en politieke symboliek gaven de doorslag. De Italianen wilden geen olympisch onderdeel buiten de eigen landsgrenzen. Dus kwam er een gloednieuwe bobsleebaan à 118 miljoen euro. Voor de aanleg zijn 856 bomen gekapt. Milieuorganisaties spreken van onnodige aantasting van een kwetsbaar berglandschap voor een sport die in Italië nauwelijks wordt beoefend. ‘Dit is de laatste bobbaan ooit die in naam van de Olympische Spelen wordt aangelegd’, was het commentaar van de IOC-voorzitter. De geschiedenis herhaalt zich hier. Voor de Winterspelen van 2006 in Turijn werd in Cesana een vergelijkbare baan aangelegd. Vijf jaar later ging die alweer dicht. Het onderhoud was te duur, het gebruik minimaal. Italië telt slechts enkele tientallen actieve bobslee-, skeleton- en rodelatleten. De kans is reëel dat ook de baan in Cortina een kort leven beschoren is.

De verwaarloosde bobsleebaan van de Winterspelen van 1984 in Sarajevo
FOTO: ADAM HARANGOZÓ/WIKIMEDIA COMMONS
De bobsleebaan van de Winterspelen 1984 in Sarajevo, verwaarloosd en onder de graffiti in 2014.

Witte olifanten 

Dergelijke voorzieningen worden vaak aangeduid als ‘witte olifanten’: grootschalige, kostbare bouwwerken die na de Spelen geen functie meer hebben. Ze zijn te groot, te specialistisch of te duur in onderhoud. In de stad leiden ze tot verloedering en een kostenpost voor de overheid; in het landschap tot een blijvende verstoring van het ecosysteem. Het IOC wijst er graag op dat uit eigen onderzoek blijkt dat 85% van alle permanente Olympische locaties nog steeds in gebruik is. Dat klinkt geruststellend, maar deze cijfers verbergen grote verschillen. Gebruik kan uiteenlopen van intensieve dagelijkse exploitatie tot incidentele evenementen. Bovendien zegt ‘gebruik’ weinig over kosten, maatschappelijke waarde of ruimtelijke inpassing. 

Athene is een notoir voorbeeld. Voor de Zomerspelen van 2004 investeerde Griekenland naar schatting 9 miljard euro in nieuwe en uitgebreide sportaccommodaties. Vrijwel alles werd permanent gebouwd, op aandringen van het IOC. Na afloop bleken de meeste stadions structureel onderbenut. Een stad kan nu eenmaal niet 28 olympische sporten op hoog niveau dragen. Het resultaat was een versnipperd landschap van leegstaande complexen. Van de 22 olympische locaties staan er 21 leeg of worden zelden gebruikt. Jarenlang slokte het onderhoud miljoenen euro’s op – naar schatting 6% van de overheidsfinanciën. Pas 25 jaar later wordt het grootste complex, met hulp van EU-subsidies, herontwikkeld.

Van de 22 olympische locaties in Griekenland (2004) staan er nu 21 leeg

Ook Rio de Janeiro werd geconfronteerd met de keerzijde van het olympisch groeiverhaal. De Spelen van 2016 moesten Brazilië presenteren als opkomende wereldmacht. Er werd ongeveer 13,5 miljard dollar geïnvesteerd. Een jaar na afloop organiseerde slechts iets meer dan de helft van de locaties nog evenementen. Het Olympisch Park raakte snel in verval en werd uiteindelijk om veiligheidsredenen gesloten. Veel faciliteiten bleken zonder duidelijke langetermijnvisie gebouwd. De ruimtelijke logica ontbrak: locaties lagen geïsoleerd, zonder goede verbinding met bestaande stedelijke netwerken. Inmiddels zijn plannen gemaakt om het gebied te herontwikkelen tot een entertainmentcomplex – opnieuw een poging om een mislukte erfenis te repareren.

Niet alle olympische voorzieningen zijn even risicovol. Het betreft vooral gespecialiseerde accommodaties zoals bobsleebanen, skischansen en wielerbanen. Die kennen een beperkt gebruik, hoge onderhoudskosten en weinig alternatieve functies. Wintersportaccommodaties zijn bovendien seizoensgebonden - jaarrond exploiteren is geen optie. Ook stadions vormen een risico. Olympische stadions zijn vaak ontworpen voor eenmalige piekcapaciteit en blijken na afloop structureel te groot. 

De skischans van de Winterspelen van 1956 in Cortina
FOTO: GLOBETROTTER51/WIKIMEDIA COMMONS
De skischans van de Winterspelen 1956 in Cortina, die nu staat weg te rotten. 

Wat wel werkt

Er zijn steden waar vooraf wél integraal is nagedacht over de nalatenschap. Lillehammer (1994) wist zijn wintersportaccommodaties in te bedden in een toeristisch sportpark. Innsbruck (1976) transformeerde de bobsleebaan tot zomerattractie en mountainbikepark. Londen (2012) gebruikte tijdelijke constructies en flexibele gebouwen om het Olympisch Park in Oost-Londen te laten uitgroeien tot een gemengde stadswijk. Van de 30 Londense wedstrijdlocaties waren er 13 bestaand en 11 tijdelijk. Het Olympisch Park werd onderdeel van een bredere herontwikkeling van een voormalig industriegebied, met woningen, groen en nieuwe economische functies. Hier fungeerden de Spelen daadwerkelijk als katalysator, niet als einddoel. Toch is een kritische noot op zijn plaats. Oost-London is van oorsprong een arm stadsdeel, maar de arme mensen zijn nu uit de wijk verdreven. Tussen 1988 en 2008 zijn voor de Spelen meer dan twee miljoen inwoners gedwongen verhuisd, soms met geweld. De vraag blijft dus wie van de nalatenschap profiteert.

Het succes van Barcelona 1992 laat zien hoe belangrijk bestaande infrastructuur is. Ongeveer 70% van de benodigde infrastructuur en gebouwen was al aanwezig. De Spelen werden benut om havengebieden te herontwikkelen en de stad weer naar zee te openen. Het resultaat: nieuwe openbare ruimte, verbeterde infrastructuur en een blijvende impuls voor de stedelijke structuur. Van de 38 wedstrijdlocaties zijn er 32 nog steeds in gebruik. Ook Beijing (2008 & 2022) laat zien dat hergebruik werkt, mits er vraag is. De stad kent veel universiteiten. Studenten, sportprogramma’s en conferenties vinden nu onderdak in de voormalige olympische hallen. Die bovendien twee keer gebruikt konden worden, eerst voor de Zomer- en daarna voor de Winterspelen.

Tijdens de Winterspelen van 2018 in Zuid-Korea werd een pop-up-stadion vier keer gebruikt en daarna afgebroken

Pyeongchang koos in 2018 een radicalere benadering. Het Olympisch stadion werd ontworpen als tijdelijke pop-up-voorziening. Het eenvoudige complex had geen verwarming en geen dak, dus kregen toeschouwers dekens, warmtekussens en regenjassen om het ijskoude weer te trotseren. Het stadion werd vier keer gebruikt en daarna afgebroken. Hoewel dat op het eerste gezicht verspilling lijkt, waren de kosten relatief laag: 101 miljoen dollar. Ter vergelijking: het stadion van Sydney kostte bijna zeven keer zo veel. Tijdelijkheid kan dus ook een bewuste, duurzame keuze zijn.

Bedrijven spelen hier al op in. De in het Verenigd Koninkrijk gevestigde aannemer ES Global bouwde voor de Spelen in 2012 de tijdelijke waterpoloarena in het Olympisch Park in Stratford en de schietbaan in Woolwich. Zelf vermijdt de aannemer de term ‘tijdelijk’. Het bedrijf spreekt liever van ‘demontabel’, omdat de gebouwen kunnen worden gedemonteerd, in containers verpakt en op een andere locatie geplaatst. Met het oog op de toekomst heeft ES Global de ogen gericht op de Spelen van 2028; het bedrijf heeft een kantoor in de Verenigde Staten gevestigd.

Olympic legacy onder druk

Het IOC gebruikt het begrip legacy om de blijvende voordelen van de Spelen te benoemen: infrastructuur, woningen, economische groei. Maar een positieve erfenis ontstaat niet vanzelf. Deze vraagt om langetermijnplanning, integratie in bestaande structuren en bestuurlijke discipline. Juist daar wringt het vaak. De periode na de Spelen is de langste, maar ook de minst geplande. Onder tijdsdruk en politieke ambitie worden keuzes gemaakt die op korte termijn logisch lijken, maar op lange termijn problematisch zijn. Het resultaat: geïsoleerde locaties, financiële tekorten en ruimtelijke littekens. 

De vraag dringt zich steeds nadrukkelijker op of het nog van deze tijd is om de Spelen telkens in een nieuwe stad of regio te organiseren. Vanuit duurzaamheidsperspectief lijkt het antwoord ontkennend. Alternatieven worden voorzichtig verkend: meer gebruik van bestaande infrastructuur, rouleren tussen vaste locaties of structureel spreiden van onderdelen over meerdere landen. Het IOC beweegt voorzichtig mee. Het benadrukt dat steden die Olympische Spelen willen organiseren, bestaande of tijdelijke locaties moeten gebruiken. Het vraagt kandidaat-steden nu ook sporten buiten het eigen land te organiseren om te voorkomen dat nieuwe locaties worden gebouwd.

Parijs (2024) heeft weinig infrastructuur specifiek voor de Spelen aangelegd. Veel van de locaties waar de evenementen worden gehouden, bestonden al. Daarbij heeft de Franse overheid vooraf bedacht wat er na de Spelen met de nieuw gerealiseerde faciliteiten ging gebeuren. Los Angeles (2028) belooft zelfs helemaal zonder nieuwbouw te werken. Maar volgens experts is een radicalere stap nodig: vaste locaties of herhaalde toewijzing aan dezelfde stad. Dat botst met het internationale karakter van de Spelen, maar zou kosten en milieudruk drastisch verminderen.

 

BRONNEN: