1 januari 2023
Marike Bontenbal
German University of Technology, Oman

Unesco werelderfgoed, biosfeergebieden en geoparken. Behoud versus ontwikkeling

Dit artikel is verschenen in: geografie januari 2023
werelderfgoed
Kennis
FOTO: VERENIGING NEDERLANDS CULTUURLANDSCHAP
Maasheggen is sinds 2018 Unesco biosfeergebied.

Wereldwijd zijn er meer dan tweeduizend locaties met een Unesco-status. Samen beslaan zij een gebied ter grootte van China. Naast bescherming en behoud van natuur, landschap en erfgoed wordt ook duurzame ontwikkeling nagestreefd.

 

Drijfveren om de Maasheggen in 2017 voor te dragen als Unesco biosfeergebied waren er genoeg. De initiatiefnemers wilden het eeuwenoude cultuurlandschap met gevlochten heggen, weiden, drinkpoelen en knotbomen behouden, tegenwicht bieden aan de druk op de ruimte vanuit bijvoorbeeld de landbouw, en het gebied nationaal en internationaal op de kaart zetten. Maar toch ook: ruimte bieden voor ontwikkelingen in het gebied, zoals de transitie van het agrarisch areaal, en nieuwe kansen creëren voor werkgelegenheid, woningbouw en recreatie.

De Maasheggen kreeg de status van Unesco biosfeergebied in 2018, maar heeft nog altijd heel wat uit te leggen. Want veel mensen denken bij een Unesco-status al snel: bescherming, een stolp over het gebied, niet meer aan komen. Maar in Unesco biosfeergebieden, en ook geoparken, gelden andere doelen en regels dan bij werelderfgoedsites. In zulke gebieden staat juist ontwikkeling centraal. En er zijn meer verschillen. Een typologie.

Geoparken

Geoparken zijn gebieden van internationale waarde waar geologisch erfgoed duurzaam wordt beheerd. In 2001 verenigden vier Europese geoparken zich in het Global Geoparks Network, dat vanaf 2015 verder ging onder de vlag van Unesco. In twintig jaar tijd steeg het aantal geoparken naar 177. Bekende parken in Europa zijn de Tsjechische Bohemen, het Duitse Harzgebergte, het Griekse eiland Lesbos, het Spaanse eiland Lanzarote en de Engelse Rivièra.

In geoparken staat het behoud van geologisch erfgoed centraal, zoals gebergten, kloven, kustsystemen en rivierlandschappen. Ook is er aandacht voor het landschap, archeologie en duurzaam toerisme. In een Unesco geopark maken bewoners, ondernemers, lokale instellingen en scholen samen het geologische verhaal zichtbaar, zodat mensen eerder bereid zijn zorgvuldig met het geologisch erfgoed en cultuurhistorisch landschap om te gaan.

Nederland telt één Unesco geopark: de Hondsrug. Dit is een bijzondere glaciale landvorm, een zogenoemde megaflute, die is ontstaan in de Saale-ijstijd, en zich uitstrekt over Drenthe en Groningen. De geologische geschiedenis verklaart in grote mate het lokale landschap, de plek van de oorspronkelijke nederzettingen, archeologische vondsten en cultuurhistorische elementen. Daarbuiten zijn er nog enkele gebieden in Nederland die zich kandidaat willen stellen voor de status van Unesco geopark (zie kader).

FOTO: GOUWENAAR/WIKIMEDIA COMMONS
Zicht vanaf de Buunerbult in de richting van geopark De Hondsrug.

Heuvelrug, Gooi en Vecht

Kandidaat-geopark Heuvelrug, Gooi en Vecht is ontstaan uit een fusie van twee burgerinitiatieven, in de Gooi- en Vechtstreek en de Heuvelrug. Zij werken nu samen om het brede palet van aardkundige monumenten, geosites, waterwegen, archeologische vindplaatsen, natuurgebieden en landgoederen in de regio onder te brengen in één Unesco geopark.

Peelhorst en Maasvallei

Het breukenstelsel van de Peelrandbreuk vormt de geologische basis van het geopark-initiatief Peelhorst en Maasvallei. Het is nog steeds actief en omvat horsten, slenken en drassige wijstgronden. Daarbij kunnen archeologische vindplaatsen en de ligging van kerken, molens en verdedigingswerken geduid worden aan de hand van het breukenstelsel.

Schelde Delta

De voordracht van het kandidaat-geopark Schelde Delta is een grensoverschrijdend initiatief van de Nederlandse provincies Zeeland en Noord-Brabant en de Vlaamse provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen. Centraal staan het getijdegebied van de Schelde en de omgeving, zoals de Brabantse Wal, waarin zee, rivieren en mens het landschap hebben bepaald.

Kandidaat-Unesco geoparken in Nederland

Biosfeergebieden

Waar de geologie leidend is in geoparken, staat de natuur centraal in biosfeergebieden. Of eigenlijk: de interactie tussen mens en natuur. Dit Unesco-programma is al veertig jaar oud, maar nog steeds actueel: het richt zich op duurzame gebiedsontwikkeling rondom waardevolle natuur. Daarbij is er oog voor wat we nu ‘brede welvaart’ noemen, het welzijn van mensen in een gebied met een aantrekkelijke leefomgeving, voldoende economische kansen, sociale cohesie en goede voorzieningen. Biosfeergebieden beschermen natuur, maar hebben ook oog voor (duurzame) ontwikkelmogelijkheden in de zones rondom beschermd natuurgebied. Het initiatief moet gedragen worden door lokaal betrokkenen.

Wereldwijd zijn er 738 biosfeergebieden, waar meer dan 250 miljoen mensen wonen. De gebieden zijn verenigd in een mondiaal netwerk. Unesco ziet biosfeergebieden als proeftuinen (living labs), waar geëxperimenteerd wordt met een nieuwe aanpak van samenlevingskwesties als biodiversiteitsherstel, klimaatadaptatie en lokale economische ontwikkeling, bijvoorbeeld via duurzaam toerisme. Lokale scholen en onderzoeksinstellingen zijn vaak nauw betrokken bij de initiatieven en activiteiten in biosfeergebieden.

De gebieden zijn opgedeeld in een kernzone, die beschermd natuurgebied is (zoals Natura 2000), een bufferzone en een functionele zone. De zonering helpt om duidelijk te markeren welke functies waar mogelijk zijn, en een graduele overgang te creëren tussen beschermde natuur waar weinig activiteiten plaatsvinden, en intensief landgebruik voor landbouw, wonen en werken (figuur 1). Het veertig jaar oude zoneringsprincipe van de Unesco biosfeergebieden heeft als inspiratie gediend voor de Nederlandse overheid, die het sinds enkele jaren gebruikt als bouwsteen voor de Nationale Parken ‘nieuwe stijl’.

BEELD: BAREND KÖBBEN/GEOGRAFIE

Biosfeergebieden

Waar de geologie leidend is in geoparken, staat de natuur centraal in biosfeergebieden. Of eigenlijk: de interactie tussen mens en natuur. Dit Unesco-programma is al veertig jaar oud, maar nog steeds actueel: het richt zich op duurzame gebiedsontwikkeling rondom waardevolle natuur. Daarbij is er oog voor wat we nu ‘brede welvaart’ noemen, het welzijn van mensen in een gebied met een aantrekkelijke leefomgeving, voldoende economische kansen, sociale cohesie en goede voorzieningen. Biosfeergebieden beschermen natuur, maar hebben ook oog voor (duurzame) ontwikkelmogelijkheden in de zones rondom beschermd natuurgebied. Het initiatief moet gedragen worden door lokaal betrokkenen.

Wereldwijd zijn er 738 biosfeergebieden, waar meer dan 250 miljoen mensen wonen. De gebieden zijn verenigd in een mondiaal netwerk. Unesco ziet biosfeergebieden als proeftuinen (living labs), waar geëxperimenteerd wordt met een nieuwe aanpak van samenlevingskwesties als biodiversiteitsherstel, klimaatadaptatie en lokale economische ontwikkeling, bijvoorbeeld via duurzaam toerisme. Lokale scholen en onderzoeksinstellingen zijn vaak nauw betrokken bij de initiatieven en activiteiten in biosfeergebieden.

De gebieden zijn opgedeeld in een kernzone, die beschermd natuurgebied is (zoals Natura 2000), een bufferzone en een functionele zone. De zonering helpt om duidelijk te markeren welke functies waar mogelijk zijn, en een graduele overgang te creëren tussen beschermde natuur waar weinig activiteiten plaatsvinden, en intensief landgebruik voor landbouw, wonen en werken (figuur 1). Het veertig jaar oude zoneringsprincipe van de Unesco biosfeergebieden heeft als inspiratie gediend voor de Nederlandse overheid, die het sinds enkele jaren gebruikt als bouwsteen voor de Nationale Parken ‘nieuwe stijl’.

De werelderfgoedstatus brengt regelgeving en verantwoordelijkheden met zich mee, die lidstaten moeten naleven. De nationale overheid bepaalt welke nominaties worden voorgedragen bij Unesco én heeft de verantwoordelijkheid de eigen werelderfgoederen te beschermen.

Behoud versus ontwikkeling

Figuur 2 zet de verschillen tussen de drie gebiedstypen op een rij. Kort samengevat draait het bij werelderfgoed over het algemeen om behoud en bescherming en bij biosfeergebieden en geoparken om duurzame, toekomstgerichte gebiedsontwikkeling.

Cultureel, natuurlijk en geologisch erfgoed worden actief ingezet bij de laatste twee gebiedstypen en gebruikt als onderlegger om andere doelen te bereiken, namelijk ontwikkeling op sociaaleconomisch en maatschappelijk vlak.

In de praktijk zijn deze tegenstellingen niet zo hard. Eerder komt het voor dat doelen elkaar raken en dat kan schuren: bescherming versus ontwikkeling, een gestolde versus een dynamische omgeving, cultuur versus economie, lokale inwoners versus bezoekers, en internationaal belang versus lokale effecten. De kunst is deze soms tegenstrijdige doelen met elkaar te verenigen en naast elkaar te laten bestaan.

Praktische verschillen zijn er ook: werelderfgoed komt voort uit een conventie (verdrag) waaruit verplichtingen voortvloeien; de bal ligt hier bij de rijksoverheid. De biosfeergebieden en geoparken zijn geregeld via programma’s. De regie ligt hier bij het gebied zelf. De programma’s brengen geen nieuwe wettelijke verplichtingen met zich mee, maar maken gebruik van al bestaande beschermingsmechanismen, bijvoorbeeld een aanwijzing als Natura 2000-gebied of aardkundig monument. Verder komt het aan op lokaal draagvlak en lokale initiatieven.

Waar werelderfgoederen hun status ontlenen aan hun unieke, universele waarde voor de mens, en geoparken internationaal van significante geologische betekenis zijn, ligt dat bij biosfeergebieden toch wat anders. De kernzones zijn beschermd natuurgebied, maar de omliggende zones zijn soms sterk geïndustrialiseerd, vervuild of verstedelijkt. Denk aan de baai van Dublin, de grootste stad van Ierland, en Nordhordland, een gebied ten noorden van Bergen met de grootste olieraffinaderij van Noorwegen. Maar juist dan kan een biosfeerstatus helpen partijen bij elkaar te brengen om samen te werken aan een betere en schonere leefomgeving.

De Unesco-status biedt alle gebiedstypen handvatten om zich te profileren als een bijzondere plek die bezoekers en toeristen trekt. Daarmee worden economische kansen gecreëerd voor ondernemers en werkgelegenheid. Ook ervaren gebieden dat een Unesco-status fungeert als een keurmerk dat helpt bij bijvoorbeeld Europese of nationale fondsenwerving voor landschapsbeheer of gebiedsontwikkeling. Tot slot is de Unesco-status een kapstok om lokale netwerken van overheden, ondernemers, scholen, onderzoeksinstellingen en burgers met elkaar te verknopen.

Hoger doel

De lijsten van werelderfgoederen, geoparken en biosfeergebieden groeien elk jaar en de ideeën erover evolueren. Werelderfgoederen zijn bijvoorbeeld steeds meer bezig met de vraag hoe ze kunnen bijdragen aan lokale duurzame ontwikkeling – denk aan werkgelegenheid voor de lokale bevolking. Zo schept erfgoed ook kansen voor direct omwonenden en ondernemers. De biosfeergebieden kunnen zichzelf opnieuw uitvinden doordat de vraagstukken rondom biodiversiteitsverlies en de impact van klimaatverandering steeds urgenter worden. Het experimentele karakter van de gebieden (living labs) en de integrale gebiedsbenadering voor natuurherstel, klimaatopgaven, economische kansen en brede welvaart passen perfect in de gereedschapskist van de huidige generatie beleidsmakers. Geoparken helpen het verleden te verbinden met het heden en bieden een antwoord op de trend dat regionale identiteit, geworteld in de ‘grond’ waarop mensen wonen, steeds belangrijker wordt in tijden van globalisering.

Opbrengst

Over wat de Unesco-status nu daadwerkelijk oplevert voor de gebieden, is nog weinig bekend. De spaarzame literatuur hierover richt zich vooral op beoogde kansen voor duurzame en sociaaleconomische ontwikkeling en het behoud van erfgoed. Genereert de Unesco-status daadwerkelijk extra inkomsten, werken de idealen en waarden van de VN door in maatschappelijke ontwikkeling, hebben lokaal betrokkenen een grotere rol in de besluitvorming over de toekomst van het gebied? En worden er echt resultaten behaald die bijdragen aan de mondiale duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN?

 

FOTO: PAM FRAY/WIKIMEDIA COMMONS
Giant’s Causeway, Noord-Ierland. Alleen het Verenigd Koninkrijk berekent de jaarlijks opbrengst van Unesco-sites.

Voor zover bekend maakt het Verenigd Koninkrijk als enige jaarlijks een berekening van de totale waarde van alle Unesco-sites in het land. Volgens een rapport van de Britse Unesco Commissie kwam in 2020 ruim 150 miljoen Britse pond direct ten goede aan de lokale gemeenschappen in of nabij de Unesco-sites. Voor Nederland is zo’n berekening nooit gemaakt, maar het is ongetwijfeld een vraag die nieuwe kandidaat-gebieden en hun bestuurders bezighoudt.

 

Marike Bontenbal was van 2015 tot 2021 werkzaam bij de Nederlandse Unesco Commissie. Ze werkt nu bij het ministerie van LNV en schrijft in Geografie op persoonlijke titel.