Behoud versus ontwikkeling
Figuur 2 zet de verschillen tussen de drie gebiedstypen op een rij. Kort samengevat draait het bij werelderfgoed over het algemeen om behoud en bescherming en bij biosfeergebieden en geoparken om duurzame, toekomstgerichte gebiedsontwikkeling.
Cultureel, natuurlijk en geologisch erfgoed worden actief ingezet bij de laatste twee gebiedstypen en gebruikt als onderlegger om andere doelen te bereiken, namelijk ontwikkeling op sociaaleconomisch en maatschappelijk vlak.
In de praktijk zijn deze tegenstellingen niet zo hard. Eerder komt het voor dat doelen elkaar raken en dat kan schuren: bescherming versus ontwikkeling, een gestolde versus een dynamische omgeving, cultuur versus economie, lokale inwoners versus bezoekers, en internationaal belang versus lokale effecten. De kunst is deze soms tegenstrijdige doelen met elkaar te verenigen en naast elkaar te laten bestaan.
Praktische verschillen zijn er ook: werelderfgoed komt voort uit een conventie (verdrag) waaruit verplichtingen voortvloeien; de bal ligt hier bij de rijksoverheid. De biosfeergebieden en geoparken zijn geregeld via programma’s. De regie ligt hier bij het gebied zelf. De programma’s brengen geen nieuwe wettelijke verplichtingen met zich mee, maar maken gebruik van al bestaande beschermingsmechanismen, bijvoorbeeld een aanwijzing als Natura 2000-gebied of aardkundig monument. Verder komt het aan op lokaal draagvlak en lokale initiatieven.
Waar werelderfgoederen hun status ontlenen aan hun unieke, universele waarde voor de mens, en geoparken internationaal van significante geologische betekenis zijn, ligt dat bij biosfeergebieden toch wat anders. De kernzones zijn beschermd natuurgebied, maar de omliggende zones zijn soms sterk geïndustrialiseerd, vervuild of verstedelijkt. Denk aan de baai van Dublin, de grootste stad van Ierland, en Nordhordland, een gebied ten noorden van Bergen met de grootste olieraffinaderij van Noorwegen. Maar juist dan kan een biosfeerstatus helpen partijen bij elkaar te brengen om samen te werken aan een betere en schonere leefomgeving.
De Unesco-status biedt alle gebiedstypen handvatten om zich te profileren als een bijzondere plek die bezoekers en toeristen trekt. Daarmee worden economische kansen gecreëerd voor ondernemers en werkgelegenheid. Ook ervaren gebieden dat een Unesco-status fungeert als een keurmerk dat helpt bij bijvoorbeeld Europese of nationale fondsenwerving voor landschapsbeheer of gebiedsontwikkeling. Tot slot is de Unesco-status een kapstok om lokale netwerken van overheden, ondernemers, scholen, onderzoeksinstellingen en burgers met elkaar te verknopen.
Hoger doel
De lijsten van werelderfgoederen, geoparken en biosfeergebieden groeien elk jaar en de ideeën erover evolueren. Werelderfgoederen zijn bijvoorbeeld steeds meer bezig met de vraag hoe ze kunnen bijdragen aan lokale duurzame ontwikkeling – denk aan werkgelegenheid voor de lokale bevolking. Zo schept erfgoed ook kansen voor direct omwonenden en ondernemers. De biosfeergebieden kunnen zichzelf opnieuw uitvinden doordat de vraagstukken rondom biodiversiteitsverlies en de impact van klimaatverandering steeds urgenter worden. Het experimentele karakter van de gebieden (living labs) en de integrale gebiedsbenadering voor natuurherstel, klimaatopgaven, economische kansen en brede welvaart passen perfect in de gereedschapskist van de huidige generatie beleidsmakers. Geoparken helpen het verleden te verbinden met het heden en bieden een antwoord op de trend dat regionale identiteit, geworteld in de ‘grond’ waarop mensen wonen, steeds belangrijker wordt in tijden van globalisering.
Opbrengst
Over wat de Unesco-status nu daadwerkelijk oplevert voor de gebieden, is nog weinig bekend. De spaarzame literatuur hierover richt zich vooral op beoogde kansen voor duurzame en sociaaleconomische ontwikkeling en het behoud van erfgoed. Genereert de Unesco-status daadwerkelijk extra inkomsten, werken de idealen en waarden van de VN door in maatschappelijke ontwikkeling, hebben lokaal betrokkenen een grotere rol in de besluitvorming over de toekomst van het gebied? En worden er echt resultaten behaald die bijdragen aan de mondiale duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN?