Vakvernieuwing aardrijkskunde: actualiteit en samenhang vanuit vraagstukken
De actualisatie van de examenprogramma’s is in volle gang – ook bij aardrijkskunde. Twee leden van de subcommissie aardrijkskunde gaan met een lid van de advieskring in gesprek over de voortgang en de keuzes die nu op tafel liggen. Tussen februari en april vindt de laatste advieskringperiode plaats – een belangrijk moment om als docent via het KNAG invloed uit te oefenen.
De subcommissie aardrijkskunde is onderdeel van de vakvernieuwingscommissie mens en maatschappij en bestaat uit docenten, vakexperts en curriculumontwikkelaars. Onder leiding van een procesregisseur werken zij sinds september 2024 toe naar nieuwe, toekomstbestendige examenprogramma’s voor vmbo, havo en vwo.
De advieskring aardrijkskunde, met vertegenwoordigers uit het veld, waaronder het KNAG, geeft in drie rondes advies over de tussenproducten van de vakvernieuwingscommissie (zie ook p. 33). De advieskringleden halen daarvoor feedback op bij de achterban. Deze wordt gebundeld en besproken met de vakvernieuwingscommissie. Komende zomer worden de examenprogramma’s aardrijkskunde in concept opgeleverd.
Inhoudelijke herijking
Actualisatie van de examenprogramma’s aardrijkskunde is hard nodig. ‘We werken nu nog met programma’s die ruim vijftien jaar geleden werden vastgesteld’, aldus Ronald van Leeuwen, als docent lid van de subcommissie. ‘Met thema’s die toen maatschappelijk relevant waren, maar waarvan een deel nu minder goed aansluit op de wereld waarin onze leerlingen leven.’ Neem het thema globalisering, dat in de huidige programma’s op de havo en het vwo een belangrijk domein vormt. Van Leeuwen: ‘Toen dat geschreven werd, begin deze eeuw, lagen de mondiale verhoudingen anders dan nu. Internationale machtsverhoudingen en de politieke situatie tussen landen zijn inmiddels sterk gewijzigd. Er zijn nieuwe oorlogen, handelsconflicten en spanningen. Dat vraagt om een inhoudelijke herijking, zodat het schoolvak aardrijkskunde weer relevant voelt voor leerlingen.’
Ook tussen schoolsoorten liggen er uitdagingen. ‘Bij havo horen we vaak dat het programma te overladen is’, zegt Van Leeuwen. ‘Terwijl het vmbo kampt met een opzet die voor leerlingen wat willekeurig aanvoelt. Daar werken we met Nederland als basis, plus telkens twee vergelijkingsgebieden elders in de wereld. Maar leerlingen vragen zich af: waarom moet ik dit weten over Duitsland, Spanje of China? Die relevantie moet beter voelbaar worden.’
Vraagstukkenbenadering
Een andere belangrijke stap is samenhang creëren in de conceptexamenprogramma’s aardrijkskunde via actuele vraagstukken. ‘We willen af van de losse thematiek’, zegt Frederik Oorschot, die de vakvernieuwingscommissie als curriculumontwikkelaar vanuit SLO versterkt. ‘Voor deze adviesronde hebben we de eerste drie domeinen uitgewerkt: vaardigheden, geologie en voedsel. Daarbinnen koppelen we kennis en vaardigheden nauwer aan elkaar.’ Docent Van Leeuwen: ‘We willen dat leerlingen leren redeneren en argumenteren vanuit het oplossen van vraagstukken.’ Die zogeheten vraagstukkenbenadering vormt de kern van de nieuwe programma’s. ‘Door met vraagstukken te werken, leren leerlingen geografisch te denken’, licht Oorschot toe. ‘Ze onderzoeken bijvoorbeeld op welke locaties voedsel wordt geproduceerd en hoe het in de winkel terechtkomt. Is het logisch om sperziebonen uit Kenia te importeren? Welke gevolgen heeft dat daar en voor wie? Zo worden problemen en oplossingen vanuit verschillende perspectieven, ook buiten het westerse kader, onderzocht. Dat past beter bij de wereld van nu.’
Van Leeuwen geeft nog een ander voorbeeld van de vraagstukbenadering. ‘Hoe een vulkaan werkt is interessant. Op de uitbarsting heeft de mens geen invloed, wel op hoe we er daarna mee omgaan. Hazard management kan op verschillende manieren plaatsvinden, door verschillende betrokkenen en op verschillende schaalniveaus.’
Verdeling SE-CE
In de nieuwe opzet worden de inhouden anders verdeeld over het schoolexamen (SE) en het centraal examen (CE). ‘We willen dat leerlingen in zowel SE als CE kunnen laten zien dat ze complexe vraagstukken kunnen doorgronden’, zegt Van Leeuwen. ‘Bijvoorbeeld: hoe beïnvloeden klimaatverandering en bevolkingsgroei elkaar in een specifieke regio? Dat vraagt om meer dan feitenkennis alleen. Het evalueren van scenario’s en welke belangen er spelen bij diverse actoren, kan in het CE. Hoe je jezelf daartoe verhoudt en hoe je tegen het onderwerp aankijkt, past in het SE.’
Vertaalslag praktijk
De actualisatie van de examenprogramma’s is een intensief traject waarin het onderwijsveld nadrukkelijk meepraat. ‘De subcommissie aardrijkskunde bestaat uit een team van negen mensen, van wie er zeven ook voor de klas staan’, vertelt Van Leeuwen. ‘Uitspraken als “dat staat wel heel ver van de leefwereld van onze leerlingen”, “dat wordt te veel” en “dat kunnen ze wel!” houden ons als commissie bij de les. Bovendien bevragen we ook leerlingen in twee panelbijeenkomsten.’
In het begin was het wel zoeken. ‘We startten vrij abstract, met een beschrijving van de karakteristiek van het vak. Op papier mooie woorden, maar nog ver van de klas. De uitdaging is steeds: wat betekent dit concreet voor de leerling? Hoe landt dit in het lokaal?’ Om die vertaalslag te maken, werkt de commissie sinds kort in domeinteams met inhoudelijke expertise op een onderwerp, en functieteams. ‘Ik zit in het functieteam LAVA’, lacht Van Leeuwen. ‘Dat staat voor de leraren die “met de voeten in de klei” staan. Wij kijken hoe het programma er straks in de klas uitziet. Collega’s met een meer conceptuele blik zorgen voor de theoretische verankering. Dit werkt goed.’
Brede advieskring
De advieskring aardrijkskunde fungeert als spiegel voor de vakvernieuwingscommissie. De kring is breed samengesteld. Zo vertegenwoordigt het KNAG de leraren in het werkveld en zitten er daarnaast vertegenwoordigers in van de Landelijke Vereniging voor Geologische Activiteiten, Vereniging GDO en de Atlantische Onderwijscommissie. Ook worden Cito en CvTE om advies gevraagd. Anouk Haverkamp, lid van de advieskring namens Vereniging GDO (het netwerk van gemeenten en centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie): ‘Het is waardevol dat we zo veel invalshoeken meenemen.’ Ze legt uit: ‘Vanuit Vereniging GDO brengen wij het perspectief in van onderwijs dat leerlingen helpt zich te ontwikkelen tot bewuste burgers die gefundeerde keuzes kunnen maken. Wat kun je als burger zelf doen in een maatschappelijk vraagstuk? Dat vinden we belangrijk.’ De vakvernieuwingscommissie heeft veel aan alle input, aldus Van Leeuwen: ‘Er komen praktische suggesties uit die we soms bijna letterlijk kunnen overnemen. De advieskring benoemt vaak precies de dilemma’s waar wij als commissie intern ook over discussiëren.’ Oorschot: ‘De bijeenkomsten met commissie en advieskring samen zijn echt een dialoog. Het is: “hoe kunnen we dit samen beter maken?” Dat zorgt voor draagvlak, wat cruciaal is bij een vernieuwing die straks alle scholen raakt.’
Balans
Een grote uitdaging blijft de balans tussen diepgang en uitvoerbaarheid. Haverkamp: ‘In de tweede adviesronde zagen we dat veel van de opmerkingen van de advieskring waren verwerkt (zie tweede adviesronde). Dat is prettig, want er zit zo veel expertise in onze gezamenlijke achterban. We gaven onder meer aan dat er voor het vmbo toch te veel stof voorzien was. Ook vonden wij het verschil tussen havo en vwo te klein. Bovendien vroegen we ons af of een onderwerp als vulkanen voor vmbo basis/kader niet juist interessant is en daarom gehandhaafd moet blijven. Of moeten we het toch meer zoeken in onderwerpen uit de eigen omgeving van leerlingen? De kunst is om aardrijkskunde niet alleen uitdagend te houden, maar ook haalbaar.’ Oorschot: ‘We actualiseren de examenprogramma’s van alle schoolsoorten tegelijkertijd. Dat zorgt voor meer samenhang, maar betekent ook dat we moeten nadenken over differentiatie. Hoe kunnen leerlingen makkelijker doorstromen? Dat raakt immers direct aan kansengelijkheid.’
Doorlopende leerlijn
Ook de aansluiting op de vernieuwde kerndoelen mens en maatschappij en mens en natuur (zie Geografie 2025-1) is essentieel. Van Leeuwen: ‘Wat we nu vaak zien, is dat de onderbouw eigenlijk het bovenbouwprogramma light is. Dat moet beter. Sommige thema’s zijn in de onderbouw al sterk uitgewerkt, zoals watersystemen. Daarop bouwen we in de bovenbouw voort, in plaats van te herhalen.’ Zo ontstaat een doorlopende leerlijn die leerlingen stap voor stap helpt complexe vraagstukken te analyseren en vanuit diverse perspectieven te benaderen. ‘Leerlingen moeten de klas verlaten met een besef dat alles met elkaar samenhangt. En met het idee dat zij niet de enigen zijn op aarde. Er is al ruimte voor systeemdenken, maar het mag nog prominenter’, stelt Haverkamp.
Samen bouwen
Het overleg tussen commissie en advieskring verloopt volgens alle betrokkenen constructief. Haverkamp: ‘Iedereen heeft hetzelfde doel: moderne en relevante examenprogramma’s waar leerlingen echt iets aan hebben.’ Oorschot: ‘Er zijn in Nederland zo’n 1800 leraren aardrijkskunde actief in de bovenbouw. We hopen dat via het KNAG zo veel mogelijk docenten meedoen aan de derde adviesronde tussen 9 februari en 22 april. Dat is, samen met de fase van beproeven in 2027-2028 op scholen, hét moment om je invloed uit te oefenen.’ Haverkamp: ‘Wie nu aanhaakt, heeft nog de kans bij te dragen aan een programma dat straks vastligt. Dus laat je horen via je vakvereniging of straks bij de fase van beproeven.’
Op de hoogte blijven?
https://www.actualisatie-examenprogrammas.nl/mens-maatschappij