Aardrijkskunde op de pabo
Op de pabo’s in Nederland zien we de afgelopen dertig jaar een golfbeweging in de aandacht voor vakinhoudelijke kennis. In de jaren 80 moest je als afgestudeerd pabo’er beschikken over een brede en algemene kennisbasis. In de jaren 90 kwam de nadruk in de opleiding te liggen op pedagogische vaardigheden. Vanaf ongeveer 2005 kwam het besef dat ook vakinhoudelijke kennis onontbeerlijk is. Kennis om de wereld te kunnen begrijpen. Dit leidde tot het formuleren van kennisbases voor alle schoolvakken in de opleiding, waaronder dus ook aardrijkskunde. Die normen zijn in het studiejaar 2011-2012 ingevoerd. Daarnaast moeten degenen die zich aanmelden voor de pabo zonder een diploma aardrijkskunde, geschiedenis en/of natuur en techniek op zak, sinds het studiejaar 2015-2016 toelatingstoetsen afleggen voor die vakken.
De instapeisen zijn dus vastgesteld, maar er bestaat geen landelijk curriculum voor de lerarenopleiding basisonderwijs. Eind jaren 90 zijn hiertoe wel pogingen ondernomen. In antwoord op een vraag van het KNAG ontwikkelde SLO een leerplan aardrijkskunde voor de pabo om de identiteit en pedagogische kwaliteit van de opleiding aardrijkskunde te versterken.
De praktijk
Wat hebben al deze veranderingen op de pabo opgeleverd? De meeste pabo-studenten in ons peilonderzoek afgelopen januari vinden dat ze zelf over (ruim) voldoende aardrijkskundige kennis beschikken om in groep 8 goed les te kunnen geven. Ze menen ook dat aardrijkskunde op de pabo niet mag ontbreken. Maar op de vraag of de lessen aardrijkskunde hen (tot nu toe) goed hebben voorbereid op de praktijk in het basisonderwijs, reageren ze wat kritischer.
Ook de degenen die hen opleiden, zijn daar kritisch over. We stuurden via het KNAG-pabo-netwerk een vragenlijst rond, die zestien opleiders hebben ingevuld en teruggestuurd. Zij vinden de kwaliteit van het aardrijkskundeonderwijs op de pabo de afgelopen tien jaar verslechterd. Er zijn minder uren beschikbaar, er is minder aandacht voor de vakinhoud, en het curriculum is overvol. ‘De wereldvakken proppen we op de donderdagmiddag als we tijd over hebben’, klinkt het. ‘De nadruk ligt op rekenen, taal en pedagogiek in de opleiding. De toelatingstoets [AK, geschiedenis, NenT, red.] lijkt te verdwijnen’, zegt een ander. ‘En er zijn geen goede voorbeelden in de praktijk te zien, omdat leerkrachten ook geen idee hebben.’ Daarin klinkt ook kritiek door op de kwaliteit van het aardrijkskundeonderwijs op de basisschool. Een mening die gedeeld wordt door meer opleiders: ‘Er zit weinig expertise in het primair onderwijs, terwijl wij daar meer afhankelijk van worden, omdat er steeds meer in de stageschool wordt opgeleid.’
Ondanks de aangescherpte eisen zijn de pabodocenten van mening dat er een kloof gaapt tussen het beoogde niveau van vakinhoudelijke en vakdidactische kennis van hun studenten en het niveau dat zij daadwerkelijk bereiken.
De opleiders zijn vooral kritisch over de vakkennis die hun studenten opdoen. Zo denkt de meerderheid dat hun studenten te weinig weten van topografie en moeite hebben ruimtelijke vraagstukken (zoals klimaatverandering, globalisering en migratie) te beschrijven en verklaren. ‘Er is vaak weinig vakinhoudelijke kennis bij de studenten, waardoor ze de verbanden minder snel zien.’