Boekbespreking: Historische atlas van het Midden-Oosten [2]
In het eerste deel over de Historische atlas van het Midden-Oosten belichtten we de kaarten over rijke geschiedenis van de regio. Maar de atlas besteedt ook aandacht aan de actualiteit en de positie van het Midden-Oosten in de wereld.
De Historische atlas van het Midden-Oosten eindigt met 36 pagina’s over de actualiteit. Die maken het een onmisbaar werk. Dit deel bevat kaarten van de oorlogen die Israël met de buurlanden uitvocht; de Koude Oorlog die landen in de regio uiteendreef; de ontwikkeling van de staat Israël en het lot van de Palestijnen; de Golfoorlog in 1991; het expansionisme van Iran (1979-2025) met een netwerk dat zich uitstrekt van Afghanistan tot Syrië; de Irakoorlog in 2003; de Arabische Lente in 2010-2012; en de situatie in Syrië van 2011 tot 2025, die leidde tot een grote vluchtelingenstroom naar Europa.
Ontdekking olie
Met de ontdekking van een eerste olieveld in Perzië (1908) brak een nieuwe tijd aan in het Midden-Oosten (figuur 1). Aanvankelijk verliep de oliewinning langs bekende koloniale structuren. De westerse landen verkregen na de Eerste Wereldoorlog mandaatgebieden en verleenden concessies voor exploratie en winning aan de grote oliemaatschappijen, liefst uit eigen land. De rivaliteit tussen de mogendheden werd er enkel groter op. Na de olievoorraden in Perzië en Irak werd in de jaren 1930 een veelvoud hiervan ontdekt in de andere staten rond de Perzische Golf. Ook daar kwam de winning op gang.
Na de Tweede Wereldoorlog gingen de Golfstaten, met Saoedi-Arabië voorop, massaal olie produceren. De regio genereerde niet enkel een gigantische stroom inkomsten, maar kreeg ook een politiek wapen in handen tegenover het aan olie (en later gas) verslaafde Westen. Het Arabisch streven naar onafhankelijkheid ging gepaard met antiwesterse stakingen en de nationalisatie van westerse bedrijven. Na de oprichting – op initiatief van Venezuela en Iran – van de Organisatie van olie-exporterende landen (OPEC) in 1960, stichtten Koeweit, Libië en Saoedi-Arabië in 1968 als tegenhanger de Organisatie van Arabische olie-exporterende landen (OAPEC). In 1970 sloten Algerije, Bahrein, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten (VEA) aan, in 1972 Irak en Syrië en in 1973-74 Egypte en Tunesië. Olie werd een diplomatiek wapen, met de oliecrisis geïnitieerd door de OAPEC in 1973 als gevolg. De afsluiting van de Straat van Hormuz bewijst de effectiviteit van dit wapen tot op de dag van vandaag.
De Golfstaten kregen met de olie gigantisch veel geld maar ook een politiek wapen in handen
Terrorisme
Het is wrang dat een regio waar enkele van ’s werelds beslissende innovaties (mede) zijn ontwikkeld, zoals de landbouw, de taal, de stad en het monotheïsme (zie Geografie 2026-4), door een groot deel van de wereld vooral wordt gezien als bakermat van internationaal terrorisme. Het terrorisme vindt een voedingsbodem in politieke, economische en religieuze tegenstellingen tussen de Arabische wereld en vooral het Westen. Splijtzwam is vaak de positie van Israël en van de Palestijnen, toegelicht met diverse kaarten in de atlas. Zo toont een kaart (pag. 139) de bezette Palestijnse gebieden in Israël en de vluchtelingenkampen in Jordanië, Syrië en Libanon. Van hieruit opereerde de in 1964 opgerichte Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO). In de jaren 1970 nam het internationale terrorisme exponentieel toe: van 650 aanslagen en 160 slachtoffers in 1970, tot 2700 aanslagen en 4300 slachtoffers in 1980 (zie de kaart op pag. 148). Extreemlinkse organisaties zoals de Rote Armee Fraktion in West-Duitsland, de Italiaanse Rode Brigades en het Japanse Rode Leger, werkten samen met regionale separatistische bewegingen als de Baskische ETA, de Ierse IRA, de Corsicaanse FLNC, de Koerden van de PKK en Palestijnse groeperingen. De Palestijnse kwestie werd daarbij een gemeenschappelijke zaak, gepersonifieerd in het marxistische Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP). Palestijnse kampen in Libanon werden gebruikt om terroristen vanuit de hele wereld op te leiden. Met steun van de Sovjet-Unie werden deze door Moammar al-Qadhafi vanuit Libië van wapens voorzien, al dan niet geholpen door Algerije. Een sleutelkaart is die op pag. 149, over de ontwikkeling van het internationale jihadisme (figuur 2).
Op 11 september 2001 boorden twee vliegtuigen zich in de Twin Towers van het World Trade Center in New York. Een derde toestel wist het Pentagon te raken. En na een poging van passagiers om hun gekaapte vliegtuig te heroveren, stort dit vierde toestel neer voordat het zijn doel, mogelijk het Capitool of het Witte Huis, bereikte. Bij deze grootste terroristische aanslag uit de geschiedenis kwamen bijna drieduizend mensen om het leven. Verantwoordelijk voor de aanslagen was de Saoedi-Arabische multimiljonair Osama bin Laden en zijn terreurorganisatie Al Qaida. De aanslagen werden uitgevoerd door negentien uit het Midden-Oosten en voornamelijk Saoedi-Arabië afkomstige leden van de organisatie. Al Qaida was in de jaren 1980 in Afghanistan opgericht om de Sovjet-indringers te bestrijden (sic).
Al Qaida is in de jaren 1980 in Afghanistan opgericht om de Sovjet-indringers te bestrijden
De Verenigde Staten reageerden op de aanslagen van ‘nine eleven’ met een wereldwijde ‘War on Terror’. Het Talibanregime in Afghanistan werd in 2001 omvergeworpen (zie de kaarten op pag. 154-155), maar de Amerikanen slaagden er in ruim twintig jaar niet in om – samen met westerse bondgenoten – een functionerende staat op te bouwen. De Amerikanen verlieten Afghanistan in 2021, waarmee het land opnieuw in handen viel van de Taliban. In 2003 begonnen de VS de oorlog in Irak (kaart op pag. 141). Het regime van Saddam Hoessein kwam binnen zes weken ten val, maar daardoor ontstond een veiligheidsvacuüm, waarin de jihadistische beweging zich snel kon uitbreiden.
De Arabische Lente bloeide in december 2020 op in Tunesië, waarna de protesten oversloegen naar Egypte, Jemen, Libië en Syrië en er hoop was dat dictatoriale regimes ten val zouden komen (kaarten op pag. 144-145). In Jemen, Libië en Syrië escaleerden de volksopstanden in burgeroorlogen. Hiervan profiteerde in Syrië een nieuwe terroristische groepering, Islamitische Staat (IS), opgericht in 2013. In 2014 greep een internationale coalitie onder leiding van de Amerikanen in en in 2019 werd IS in Syrië verslagen. Islamitische Staat had echter ook invloed in Algerije, Libië en Egypte en in delen van Centraal- en West-Afrika, de Sahel en Somalië. In Afrika en het Midden-Oosten vallen tegenwoordig de meeste slachtoffers als gevolg van terrorisme (figuur 2). Ook Gaza, Iran en Libanon krijgen aandacht met evenzovele kaarten. Er is veel gebeurd, maar weinig bereikt, in ieder geval geen vrede of vreedzaamheid.
Tijdense de burgeroorlog In Syrië ontstond in 2013 Islamitische Staat
Wat blijft
Het Midden-Oosten blijft het geografisch snijpunt tussen Afrika, Azië, Europa en Rusland. Zeestraten spelen daarbij een strategische rol. Dat blijkt uit de ‘nieuwe Zijderoute’ vanuit China (zie ook Geografie 2017-9), de groeiende dreiging van maritieme piraterij in de Rode Zee en het afsluiten van de Straat van Hormuz (zie de kaart op pag. 164-165). Door de energietransitie zal olie een steeds kleinere rol gaan spelen en wordt kernenergie steeds populairder, zowel voor civiele als militaire toepassingen. Doordat het een niet gaat zonder het ander (zie Geografie 2026-4 over kernenergie en kernwapens) komt hier een hoop ellende van. Zoals nu met Iran en Israël en de VS. De kaart hiervan moet nog getekend worden. De autocratische regimes in de regio willen om economische redenen nauwere banden met Israël, maar kunnen de Palestijnse kwestie niet negeren. En tussen sjiieten en soennieten blijft het botsen (zie pag. 152-153).
Met de kaarten uit de atlas kun je in de klas duiding geven aan de actualiteit en dat is een groot goed. Het antwoord op vragen als hoe er vrede in de regio kan komen en hoe de burgerbevolking een veilig, menswaardig bestaan kan worden geboden, is het echter vergeefs zoeken.