16 juni 2023
Tialda Haartsen
Faculteit Ruimtelijke wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen

Stad-landverschillen en de rurale geografie

Dit artikel is verschenen in: geografie juni 2023 - lustrumeditie
150 jaar KNAG
Kennis
FOTO: RUUD KROL
Dwingeloo is geen autonoom agrarisch dorp meer, maar een toeristische kern met veel bezoekers van buiten.

Continuüm of kloof?

In de jaren 1970 ontwikkelde agrarische geografie zich tot rurale geografie, omdat het platteland steeds minder boerenland werd. De aandacht verschoof naar immateriële ‘beelden van het platteland’, die een hoofdrol spelen in ‘de kloof’ tussen stad en platteland die rondzingt in politiek en media. Hoog tijd deze te dichten met hernieuwde aandacht voor feitelijke ontwikkelingen op het platteland.

 

Al een aantal jaar worden we in Nederland geconfronteerd met protesterende boeren die met hun trekkers snelwegen, binnensteden en bedrijventerreinen blokkeren. Onder vertoon van omgekeerde vlaggen en spandoeken komen zij in opstand tegen ‘de stikstofmaatregelen’ die het ministerie van Landbouw probeert in te voeren. Op 10 juni 2022 kwam ‘Den Haag’ met een plan om de stikstofuitstoot te reduceren, in de vorm van een kaart met richtlijnen per regio (zie ook Geografie januari 2023). De concrete invulling moest op regionaal niveau gebeuren, om recht te doen aan de verschillende bedrijfsstijlen van boeren en aan te sluiten bij de fase waarin zij verkeren (zoals wel of geen opvolger, wel of geen investering in emissiearme stallen). Doel was te komen tot regio-specifieke oplossingen, precies zoals economisch geografen dat al sinds jaar en dag adviseren.

Ondanks de goede intenties van het ministerie zette een groot deel van de boeren de hakken in het zand. En sinds bemiddelaar Johan Remkes de reacties van de boeren in oktober 2022 positioneerde in de context van een algehele kloof tussen stad en platteland, zijn discussies over ‘de kloof’ niet meer uit de media weg te denken. Hoe is het zo ver gekomen? Zijn er echt zulke grote verschillen tussen stad en platteland? En (hoe) kan de plattelandsgeografie ‘de kloof’, of in elk geval het ervaren van die kloof, verklaren? Hoe gebeurde dat in de jaren 1970 en hoe gaat dat nu?

Boerendorpen worden woondorpen

‘De vroeger zo scherpe scheiding tussen stad en platteland is verdwenen. Het traditionele platteland met zijn zelfvoorzienende karakter en geringe stedelijke invloed bestaat niet meer.’ Zo begon Joeke Veldman, sociaal geograaf aan de Universiteit Utrecht, in 1984 zijn hoofdstuk ‘Geografie van landelijke gebieden’ in het boek Rondgang door de sociale geografie. Door rationalisatie en schaalvergroting was de landbouw zijn bepalende rol in werkgelegenheid kwijtgeraakt. Dorpelingen werkten steeds vaker in steden en kregen bovenlokale netwerken.

FOTO: TIALDA HAARTSEN
Johan Remkes positioneerde de boerenprotesten in de context van de algemene kloof tussen stad en platteland.

Om de niet-agrarisch gerelateerde problematiek van landelijke gebieden te kunnen onderzoeken, ontstond een nieuwe specialisatie: de geografie van landelijke gebieden. Het verschil tussen stad en landelijk gebied zag Veldman als een continuüm van stad via peri-urbaan naar perifeer landelijke gebieden, op basis van de afstand tot de grotere stedelijke centra. Bereikbaarheid, toegankelijkheid en het zogeheten kleine-kernenvraagstuk in relatie tot voorzieningen en leefbaarheid werden de thema’s van onderzoek (zie bijvoorbeeld de proefschriften van Paulus Huigen in 1986 en Frank van Dam in 1995). Qua mentaliteit zou er geen onderscheid meer zijn tussen plattelanders en stedelingen: het platteland was mentaal verstedelijkt. De Amsterdamse sociaal geograaf Frans Thissen constateerde in 1995 dat de identiteit van veel dorpen was veranderd. Van relatief autonome dorpen met agrarische werkgelegenheid en eigen voorzieningen waren zij in essentie woondorpen voor forensen geworden.

Plattelandsbeelden

Met de benoeming van Paulus Huigen als hoogleraar Regionale Geografie in Groningen in 1995 kreeg de aandacht voor het Nederlandse platteland een nieuwe boost. Conform ontwikkelingen in de internationale geografische discipline, zoals de cultural turn en de overgang van rurale geografie naar meer multidiciplinaire rural studies, stelde Huigen in 1996 dat de verschillen tussen stad en platteland misschien klein zijn, maar dat het platteland nog steeds sterk tot de verbeelding spreekt. Verschillen tussen stad en platteland werden verklaard vanuit de gedachte dat diverse actoren hun eigen specifieke plattelandsbeelden hebben, en zich op verschillende manieren met platteland en met regio’s identificeren (proefschriften Carola Simon in 2005 en Tialda Haartsen in 2002). De actoren met de meeste macht, zoals grondeigenaren, bedrijven, politici, media en dus ook stedelingen, kunnen hun plattelandsbeelden laten domineren. Volgens deze benadering was er wel degelijk een verschil tussen stad en platteland.

Verschillende actoren identificeren zich op eigen manieren met het platteland

Ook Dirk Strijker stelde bij zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar Plattelandsontwikkeling aan de RUG in 2006 dat de veranderingen op het platteland anders verlopen dan in de stad. Strijker zette het Nederlandse plattelandsgeografische onderzoek internationaal verder op de kaart. In de jaren erna onderzochten plattelandsgeografen de stad-landverschillen: bijvoorbeeld de digital divide en de relatief gebrekkige toegang tot betrouwbaar internet op het platteland, de gevolgen van bevolkingskrimp voor de leefbaarheid, en dorpskracht zoals burgerinitiatieven en participatie, en de kwetsbaarheden daarin. Ze vroegen aandacht voor de plattelandspecifieke gevolgen van de terugtrekkende overheid in de participatiesamenleving, de concentratie van beleidsinvesteringen in de groeiregio’s in de Randstad, het marktdenken, en het gebrek aan nationale visies op de ruimtelijke ordening van Nederland (zie ook Geografie februari en oktober 2022).

Kloven

En nu heeft Nederland opeens een kloof tussen stad en platteland. Protesterende boeren en provinciale politici gebruiken naar hartenlust de oude beelden van het agrarische platteland met autonome dorpen om hun gelijk te halen of stemmen te trekken. Dat deze groepen en deze beelden niet representatief zijn voor het platteland, weten plattelandsonderzoekers al lang, maar dit ‘landt’ nog steeds niet goed in de samenleving. Hoe komt dat? Hebben de onderzoekers het wel goed gezien; is het platteland wel mentaal verstedelijkt? Of is de stad niet voldoende verplattelandst? Of hebben ze hun onderzoeksresultaten niet goed genoeg gecommuniceerd? Wordt er te veel in internationale tijdschriften gepubliceerd en te weinig in de vorm van toegankelijke Nederlandstalige publicaties? En framen onderzoekers de thema’s die in perifere plattelandsgebieden spelen te vaak als negatief, zoals Marlies Meijer zich onlangs afvroeg in het internationale tijdschrift Fennia? Met de nadruk op thema’s als sociale uitsluiting, ongelijke investeringen en verdeling van resources en infrastructuur, en de lasten van landschapsvervuiling door hernieuwbare energiebronnen?

Wat ook kan, is dat er een kloof is tussen beeldvorming en feiten. Zoals Ben de Pater in zijn artikel ‘Middelpuntvliedende krachten’ stelt, zag de sociale geografie zichzelf in de jaren 1970 als ‘discipline die zich boog over de ruimtelijke organisatie van de samenleving (of de sociale organisatie van de ruimte) en het ruimtelijk gedrag van mensen’. Het hoogste doel was de algemene patronen hierin te ontdekken en die theoretisch te verklaren. Daarna sloeg dit helemaal om en lag de focus op het immateriële, de subjectieve meningen en beeldvorming. ‘De’ werkelijkheid bestond niet. Zijn we hierin te ver doorgeslagen? Is de tijd rijp om de algemene patronen in de ruimtelijke organisatie van de samenleving, en het daadwerkelijke ruimtelijk gedrag van mensen weer centraler te stellen in het plattelandsonderzoek? Of in elk geval de diverse beelden en belevingen van de geografische ruimte beter te verankeren in de algemene ruimtelijke patronen? Paul Cloke, decennia toonaangevend plattelandsgeograaf in Engeland, maakte zich in 2006 al zorgen over de ‘demateralization of the rural geography’, het gebrek aan aandacht voor de feitelijke ontwikkelingen.

Bewust heb ik mijn oratie voor de leerstoel Plattelandsgeografie op 22 april 2022 de titel gegeven: ‘Revisiting Rural Geography: op zoek naar de geografie in het platteland. Het is een oproep weer meer te focussen op feitelijke ontwikkelingen, zoals de gevolgen van het verdwijnen van bushaltes in dorpen, en met creatief maatwerk oplossingen te zoeken. Met de instelling van de eerste reguliere leerstoel Plattelandsgeografie in Nederland heeft de Rijksuniversiteit Groningen onderkend dat het ook in ons dichtbevolkte land wel degelijk nodig is kennis te vergaren over de ruimtelijke ontwikkelingen op het platteland en deze uit te dragen. Daarnaast werkt de RUG aan de ontwikkeling van een mastertrack Sustainable Rural Futures en organiseert ze van 26 tot 29 juni 2023 de derde editie van het internationale European Rural Geographies-congres. Het thema is Rural Geographies in Transition. In lijn met het Rural Pact dat de Europese Commissie in het verlengde van haar Long Term Vision for Rural Areas uit 2021 lanceerde, zal op dit congres ook een brug geslagen worden tussen onderzoek en beleid. En daarmee staat de Nederlandse plattelandsgeografie op de lokale, regionale, nationale en internationale kaart.

FOTO: ONZE WINKEL EEXT/FACEBOOK
Onze winkel in Eext (Drenthe) wordt draaiend gehouden door een coöperatie, zonder winstoogmerk en met een reële exploitatie. Inwoners uit het dorp en de  omgeving kunnen lid worden of participeren.

BRONNEN

  • Bock, B. (2016). Leegte en ruimte: Over bevolkingsdaling en leefbaarheid in Noord-Nederland? Oratie. Groningen: RUG.
  • Christiaanse, S. (2021). Het verlies van voorzieningen. Agora 37(3), 12-13.
  • Cloke, P. (2006). Conceptualizing Rurality. In: P. Cloke, T. Marsden & P. Mooney, The Handbook of Rural Studies 18 (p.18-28). London: SAGE Publications.
  • Van Dam, F. (1995). Meer voor minder: schaalverandering en bereikbaarheid van voorzieningen in landelijke gebieden in Nederland. NGS 188. Amsterdam: KNAG.
  • Europese Commissie (2021). Long term vision for rural areas.
  • De Haan, E. (2019). Citizens’ initiatives in depopulating rural areas. Understanding success, failure and continuity from multiple perspectives. PhD thesis. Groningen: RUG.
  • Haartsen T. (2002). Platteland: boerenland, natuurterrein of beleidsveld? Een onderzoek naar veranderingen in functies, eigendom en representaties van het Nederlandse platteland. Dissertatie. Groningen: Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen, RUG.
  • Haartsen, T., & Venhorst, V. (2010). Planning for decline: anticipating on population decline in the Netherlands. Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 101(2), 218-227.
  • Haartsen, T. (2002). Rural Geography Revisited. Op zoek naar de geografie in het platteland. Oratie. Groningen: RUG.
  • Hospers, G.J., & Reverda, N. (2012). Krimp het nieuwe denken: bevolkingsdaling in theorie en praktijk. Amsterdam: Boom Lemma.
  • Huigen, P.P.P. (1986). Binnen of buiten bereik? NGS 7. Utrecht/Amsterdam: Geografisch. Instituut RUU/KNAG.
  • Huigen, P.P.P. (1996). Verliest het platteland zijn streken? Inaugurele rede. Groningen: Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen, RUG.
  • Gieling, J. (2018). A place for life or a place to live. Rethinking village attachment, volunteering and livability in Dutch rural areas. PhD thesis. Groningen: RUG.
  • Meijer, M. (2018). Community-led Government-fed and Informal. Exploring planning from below in depopulating regions across Europe. PhD thesis. Radboud Universiteit Nijmegen.
  • Meijer, M. (2023). Shrinking geographies or challenged rurality’s? Three points of reflection – commentary to Syssner. Fennia: International Journal of Geography, 200(2), 251-254.
  • Meijers, E. & Van Rietbergen, T. (2022). Niet wéér een Randstadkabinet. Geografie februari.
  • NOS (2023). Ruim 1500 bushaltes minder dan in 2018, impact verschilt lokaal sterk.
  • Salemink, K. (2016). Digital Margins: How spatially and socially marginalized communities deal with digital exclusion. Groningen: RUG.
  • Salemink, K. & Strijker, D. (2018). Digitaal Platteland: White paper over digitale ontsluiting van het Nederlandse platteland. Groningen: RUG.
  • Simon, C. (2005). Ruimte voor identiteit. De productie en reproductie van streekidentiteiten in Nederland. Dissertatie. Groningen: Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen RUG.
  • Strijker, D. (2006). Rural dynamics: of hoe het platteland sneller verandert dan de stad. Oratie Rijksuniversiteit Groningen.
  • Thissen, F. (1996). Bewoners en nederzettingen in Zeeland. NGS 191. Amsterdam: ISG, UvA.
  • Thissen, F., & Loopmans, M. (2013). Dorpen in verandering. Rooilijn 46(2), 81-89.
  • Ubels, H. (2020). Novel forms of governance with high levels of civic self-reliance. PhD thesis. Groningen: RUG.
  • Van Wingerden, A., & Haartsen, T. (2022). Investeer in woningen in krimpgebieden. Geografie oktober, 16-18.
  • Veldman, J. (1984). Geografie van landelijke gebieden: Kleine woonkernen in een grote ruimte. In: B. de Pater & M. Sint (Red.), Rondgang door de sociale geografie (p. 51-65). Groningen/Amsterdam: Wolters-Noordhoff/Intermediair.