Is het platteland het kind van de rekening?
Onlangs deed ik met mijn vrouw, die bij de provincie werkt, een rondje Westbroek. Ik waande me terug in de Oost-Europese heilstaten, waar overal portretten van stoere arbeiders, boeren en ferme blonde vrouwen langs de weg stonden. De naam van modelarbeider Stachanov komt onmiddellijk bij me op. De borden bij Westbroek ademden geen socialistische gedachten, maar droegen vooral slachtofferschap uit. Het bord met de tekst ‘Samen staan we sterk, alleen iemand verziekt ons werk!’, waarbij nadrukkelijk naar de provincie werd gewezen, deed de stemming tijdens het fietstochtje geen goed. Het mini-vers ‘Op basis van rapporten gaat het slecht met natuur, dit maakt het extra zuur’ deed mijn bloed ook een beetje koken. Behalve het zielige ondertoontje wordt weer gedaan alsof de wetenschap maar wat doet en vooral tot doel heeft de boeren een oor aan te naaien. Ook dit lijkt overgewaaid uit de Verenigde Staten, waar wetenschap steeds minder serieus wordt genomen.
Vakbond
Terwijl Amerikaanse geografen Nederland al lang als één urban field zien, vindt een aantal mensen het nodig een Vakbond voor Plattelandsbewoners op te richten. Zogenaamd om het platteland te redden. Hun doel is: ‘een leefbaar, toegankelijk en vitaal platteland, met echte inspraak, voedselzekerheid en behoud van gemeenschappen en bescherming van het sensorisch erfgoed’. Volgens de website kan iedereen meedoen (zie tinyurl.com/samenoptrekken). De strofe vitaal platteland kom je trouwens in elke overheidsnota tegen. Het is duidelijk dat ook deze groep met Marianne Zwagerman in de gelederen vooral tégen is. Op Twitter schreef zij over de mensen op Sint-Maarten: ‘Je hóeft niet op een eiland te wonen waar eens in de zo veel jaar een orkaan alles verwoest.’ En tijdens de coronacrisis meende ze ‘dat we moeten accepteren dat mensen in risicogroepen [die zij aanduidde met de term 'dor hout', TvR] eerder doodgaan, zodat de rest van het land zonder coronamaatregelen kan leven’. Inmiddels verschijnt ze overal om windmolens tegen te houden en twijfel te zaaien over stikstofproblemen.
Het is de zoveelste groep aan de rechterkant van het politieke spectrum die alles wat de overheid en de wetenschap aandragen, schamper ter zijde schuift. Het klimaatprobleem bestaat niet, het stikstofprobleem is verzonnen en bestaat alleen in rapporten, windmolens zijn gevaarlijk voor de gezondheid en verstoren de nachtrust.
De directe landbouwproductie draagt voor 1,5% bij aan ons bruto binnenlands product
Marginale positie
Frank Kalshoven wijst er in zijn column in de Volkskrant al langer op dat boeren onder andere door hun tractoren veel meer gedaan krijgen dan andere beroepsgroepen. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is de toegevoegde waarde van de landbouw aan de Nederlandse economie (minder dan) 1,5% en gestaag dalend. Kalshoven: ‘Deze feitelijk marginale positie van de primaire landbouw maakt voor het maatschappelijke debat natuurlijk nogal wat uit. Van een ‘dragende’ sector kun je als land de nodige bijkomende nadelen accepteren. Maar waarom zou je dat doen van een ukkie? De boerengezinnen houden we economisch in leven met Europese landbouwsubsidies en miljarden aan fiscale voordelen.’ Hiermee blokkeren zij de hoop op een Nieuwe Internationale Economische Orde, die in 1974 door de Verenigde Naties werd gelanceerd om de wereldwijde economische structuren te herzien ten gunste van ontwikkelingslanden. Het doel was economisch kolonialisme te beëindigen door eerlijkere handelsvoorwaarden, soevereiniteit over eigen hulpbronnen en vermindering van afhankelijkheid van westerse landen. Met als belangrijk onderdeel dat Europa en andere rijke werelddelen hun invoertarieven moesten afschaffen, opdat armere landen via export de eigen ontwikkeling op gang konden brengen. Juist bij landbouw zagen ontwikkelingsdeskundigen kansen, omdat de grote arbeidsinput in deze sector hen relatief kansrijk maakt en een deel van de opbrengsten dan in andere sectoren kan worden geïnvesteerd. Helaas hebben de boerenlobby’s in de ontwikkelde wereld dit logische proces gefrustreerd, onder andere door te claimen dat zij milieuvriendelijker zouden produceren dan de boeren in ontwikkelingslanden.
Toen Farmers Defence Force dreigde met een ‘oorlog’ als de provinciale fractie van BBB niet terugkwam op haar steun voor de onteigening van een boerderij in Groningen, hoorde ik een immer genuanceerde stadsgeograaf zich duidelijk uitspreken. ‘Ik maak me wel eens boos over het feit dat een deel van de bewoners van het platteland denkt dat het platteland enkel van hen is. Prima, maar dan is de stad van de stadsbewoners en gaan jullie dan dus ook niet meer naar het ziekenhuis, de bioscoop of het voetbalstadion. En al die kippen en koeien eten jullie ook maar zelf op. Om in EU-Trump-terminologie te blijven: de stad zet de urbane handelsbazooka in. Geen handel meer met het platteland.’
Boerenlobby's in de ontwikkelde wereld claimen dat zij milieuvriendelijker produceren dat boeren in het mondiale Zuiden