Diversiteit
Figuur 1 toont de 61 deelgebieden die te onderscheiden waren in de programma’s die medio 2023 vaststonden (zie kader Evaluatie). De kaart laat goed zien dat de provincies de indeling verschillend instaken. Zo variëren de deelgebieden sterk in aantal en omvang. De kleinste liggen in de provincie Utrecht: Veenweiden de Meije (8700 hectare) en Vallei Utrecht (9800 hectare). De grootste (afgezien van deelgebieden die een stuk van de Waddenzee omvatten) zijn West-Brabant (170.000 hectare) en Veluwe en de Valleien (218.500 hectare). Zuid-Holland is de enige provincie die de deelgebieden verder splitst in (zestien) subgebieden.
De meeste provincies lijken voort te bouwen op een bestaande gebiedsindeling. De Groningse deelgebieden zijn gelijk aan die van de Samenhangende landschapshoofdstructuur, de Friese deelgebieden volgen de Hoofdlandschap landschapstypen en de Overijsselse gebieden lijken eerder te zijn opgesteld voor de gebiedsgerichte aanpak stikstof. Utrecht refereert aan de vijf Karakteristieke Landschappen in de provincie, maar baseert de deelgebieden daar uiteindelijk niet op.
Deelgebieden volgen meestal, maar niet altijd, gemeentegrenzen. 283 gemeenten, waaronder alle gemeenten in Overijssel, Noord-Brabant, Limburg en Zeeland, liggen in niet meer dan één deelgebied. En 50 gemeenten liggen in twee of meer deelgebieden. Midden-Drenthe valt in vijf deelgebieden en is daarmee de meest verdeelde gemeente. Er zijn twee deelgebieden die niet meer dan één gemeente bevatten. Deelgebied Veenweiden de Meije ligt volledig binnen de gemeente Woerden, maar de laatste loopt door in deelgebied Utrechtse Waarden. En deelgebied Vijfheerenlanden valt precies samen met de gelijknamige gemeente in Utrecht.
Waar de deelgebieden afwijken van gemeentegrenzen, volgen ze doorgaans een ander logisch element. De A9 tussen Beverwijk en Alkmaar is de grens tussen Laag-Holland en Noord-Kennemerland, maar doorkruist wel vier gemeenten. De zes gemeentes in Flevoland hebben geen deelgebied en Utrecht, Rotterdam en Capelle aan den IJssel worden als enige door de eigen provincies expliciet buiten de deelgebieden gehouden. Het Nationaal Programma Landelijk Gebied gaat natuurlijk ook niet over het stedelijk gebied, maar bij andere stedelijke gebieden maken de provincies dat niet zo expliciet.
Natuur of cultuur
De deelgebieden hebben vaak ook een fysisch-geografische of juist culturele grondslag. De provincie Fryslân kiest het duidelijkst voor een bodemkundige gebiedsindeling, met ‘klei’ en ‘veen’ als kenmerk in de gebiedsnamen. De pleistocene zandgronden van Gaasterland zijn een apart deelgebied, inclusief het grillige ‘schiereiland’ richting Joure omgeven door veenweidegebied. Zuid-Holland hanteert eveneens een fysische-geografische indeling (klei/veen/duin).
Andere provincies baseren hun indeling op cultuurhistorie en culturele identiteit. De Groningse deelgebieden zijn historische streekaanduidingen (uitgezonderd Waddenkust en Wierdenland). Bekende cultuurhistorische streken zoals Salland, Noord-Kennemerland, de Gooi- en Vechtstreek en Zeeuws-Vlaanderen vormen eveneens deelgebieden. Het Noordzeekanaal is een culturele en fysieke begrenzing van zuidelijk Noord-Holland en daarom overgenomen als deelgebiedgrens.
Van de aandachtsgebieden uit de Nationale Omgevingsvisie (Extra, NOVEX) wordt NOVEX de Peel expliciet genoemd door Noord-Brabant als een provincie-overschrijdend gebied. In het Limburgse programma landelijk gebied wordt de verbinding met de NOVEX minder expliciet gelegd. Het Limburgse deelgebied de Peel lijkt ook groter dan de NOVEX-omlijning. Deelgebied Zuid-Limburg correspondeert wel met het gelijknamige NOVEX-gebied. NOVEX het Groene Hart is weer niet duidelijk herkenbaar in de deelgebieden.
Gebiedsprocessen
Hoe geschikt zijn de deelgebieden als kader voor gebiedsprocessen? In feite zijn ze daarvoor te groot. Diverse gebiedsprocessen zullen naast elkaar en op kleinere schaal worden georganiseerd. Waar de culturele identiteit duidelijk begrensd is en niet correspondeert met het deelgebied, zal deze waarschijnlijk wel het gebiedsproces bepalen. Neem de individuele Waddeneilanden en de Zeeuwse (voormalige) eilanden. In veel gevallen wordt in de provinciale programma’s ook aangesloten op bestaande gebiedsprocessen, zoals de zeventien trajecten die al lopen in Noord-Brabant en de veertig die Overijssel voor ogen heeft. Daarbij zijn vaak de Natura2000-gebieden het uitgangspunt.
De deelgebieden zijn in essentie geografische begrenzingen waarbij ‘hetzelfde gebied’ de gemeenschappelijke deler is van de gebiedsprocessen. Dat kan wringen wanneer voor sommige processen een andere begrenzing beter past. Denk aan hydrologische processen binnen een bepaald stroomgebied. Ook kunnen gelijksoortige gebieden met dezelfde problematiek nu verdeeld raken over meerdere deelgebieden. Zo is de Utrechtse Heuvelrug (bos/heide, zandbodem, hooggelegen) opgeknipt in de deelgebieden Kromme Rijnstreek en Vallei Utrecht. Maar in het Nationaal Programma Landelijk Gebied staan diverse natuur-, water-, landbouw- en klimaatopgaven centraal, die juist integrale (en ook bovenregionale) oplossingen vragen. Indelingen en afbakeningen scheppen orde, maar werpen ook nieuwe barrières op.
Al met al vormen de deelgebieden uit de provinciale programma’s landelijk gebied een nieuwe, gemeente-overstijgende indeling, naast al bestaande indelingen zoals voor de Regionale Energie Strategieën en de veiligheidsregio’s. De opgaves in het landelijk gebied zijn complex en urgent en het is de vraag of de deelgebieden de aanpak zullen vergemakkelijken of juist belemmeren.
Landinrichting 2.0
De term ‘landinrichting 2.0’ is een knipoog naar het verleden waarin grote delen van Nederland werden herverkaveld en heringericht. De programma’s van het Rijk en van de provincies vragen echter om een machinerie voor gebiedsontwikkeling en inrichting die veel sneller draait dan in het verleden. Maar de capaciteit, organisaties en expertise daarvoor zijn de afgelopen decennia juist afgebouwd. Zo werd de Dienst Landelijk Gebied opgeheven en werd de inrichting van het landelijk gebied een decentrale taak van de provincies. Die stapten af van actief grondbeleid waarin de overheid gronden aankoopt om publieke doelen te realiseren. Het initiatief kwam te liggen bij private partijen. Dat betekende natuurontwikkeling via ‘zelfrealisatie’ van grondeigenaren of via vrijwillige kavelruil waarbij boeren het voortouw moesten nemen.
Grondaankoop
Een absolute voorwaarde om veel doelen te realiseren is dat er grond beschikbaar is. Voor nieuwe functies als natuur, maar ook om landbouwbedrijven te kunnen verplaatsen. Boeren die minder vee per hectare willen houden, zijn vaak ook op zoek naar extra grond. De provincies bereiden zich daarom weer voor op actiever grondbeleid. Ze willen inzetten op strategische grondvoorraden en passen hun provinciale regels aan om grond te kunnen aankopen. Ook is er sinds 2023 een Nationale Grondbank.
Het tempo waarin overheden nu grond verwerven, ligt echter vele malen lager dan in de tijd van de Dienst Landelijk Gebied. Waar die in 2008 nog circa 8000 hectare landbouwgrond per jaar aankocht om te ruilen, in te richten of weer te verkopen, verwierven de provincies in 2015-2022 bij elkaar gemiddeld maar 1200 hectare per jaar. Afgezet tegen de honderdduizenden hectare die anders ingericht moeten worden, is duidelijk dat die landinrichting decennia gaat duren. Oók als de landinrichtingsmachinerie weer zou draaien zoals in de hoogtijdagen van de Dienst Landelijk Gebied.