Onze reis begon met de wens meer te weten te komen over de Nederlandse volksbuurt. Wat is een volksbuurt? Wanneer zijn die buurten ontstaan? Wat is er in de loop van de tijd mee gebeurd, bestaan ze nog en hoe ziet hun toekomst eruit? Die vragen vormden het startpunt van een ontdekkingstocht langs de Nederlandse volksbuurt. Het resulteerde in acht artikelen voor de website van het Volksbuurtmuseum in Utrecht, waarin vooral de ruimtelijke veranderingen centraal stonden. Daarna volgde een cursus voor het Hoger Onderwijs voor Volwassenen (hovo) in Utrecht, Rotterdam, Nijmegen en Amsterdam. Gentrificatie had daarin een prominente plek en er kwamen veel voorbeelden voorbij uit het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV).
Waar blijft de volksbuurt?
In het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (2024) komt het woord volksbuurt niet voor. Dit gaat voorbij aan de eigenheid van deze buurten, die deels binnen het programma vallen. Hoe ontstonden ze, waarom raakten ze in verval en daarna weer in de belangstelling? De toekomst van de volksbuurt staat of valt bij de vrijheid die bewoners krijgen om hun buurt zelf vorm te geven.
De opkomst van volksbuurten begon in de 19e eeuw tijdens de industrialisatie in vooral grote en middelgrote steden. Arbeiders die veelal van heinde en verre kwamen, vestigden zich massaal in de stad, dicht bij fabrieken, spoorwegen en havens. Er was woningnood en deze wijken werden snel en goedkoop gebouwd. Kenmerkend waren de hoge dichtheden en vaak kleine woningen zonder sanitaire voorzieningen, die zonder overheidsregie werden neergezet. De Woningwet kwam pas in 1901. De wijken lagen vaak op de minder aantrekkelijke plekken nabij het stadscentrum. Beleidsmakers en bestuurders lieten deze buurten heel lang aan hun lot over. Pas na twee wereldoorlogen, toen suburbanisatie een vlucht nam en binnensteden zichtbaar in verval raakten, veranderde dat. Vanaf de jaren 1970 begon de periode van grootschalige stadsvernieuwing (ongeveer 1970-1990): de verkrotte volksbuurten in de stad moesten worden aangepakt.
Hechte gemeenschap
De term volksbuurt heeft een lading. In de meest gangbare definitie gaat het om buurten waar zogenoemd ‘gewoon volk’ woont: mensen met een laag inkomen, vaak praktisch opgeleid, in overwegend betaalbare huizen. Deze buurten hebben dikwijls een slechte reputatie: armoede, ruig, asociaal. Die beschrijving doet volksbuurten tekort. Minstens zo belangrijk zijn de minder meetbare kenmerken. Volksbuurten kennen vaak een eigen subcultuur, een sterk gevoel van gedeelde trots en identiteit en een rijk verenigingsleven. De volksbuurt is niet alleen een ruimtelijke eenheid met een verzameling woningen, maar functioneert als een hechte gemeenschap met sterke sociale verbanden.
De volksbuurt is een hechte gemeenschap met sterke sociale verbanden
Afgaand op meetbare indicatoren als de aanwezigheid van betaalbare woningen en het inkomens- en opleidingsniveau van bewoners zou je kunnen stellen dat er nog maar weinig volksbuurten over zijn. Maar wat is er gebeurd met het gewone volk zelf, met de eigen cultuur, de gedeelde trots en sterke verbondenheid en buurtafhankelijkheid? Juist deze minder tastbare kenmerken zijn bepalend voor een volksbuurt. Ze geven vorm aan de sociale structuur en het dagelijks leven. Zonder aandacht hiervoor wordt het begrip volksbuurt gereduceerd tot een louter sociaaleconomische classificatie.
Gentrificatie
Een volksbuurt als De Jordaan in Amsterdam veranderde al in de jaren 1960, toen grootschalige sloop tot doel had bewoners te bevrijden van hun dichtbevolkte krotten. Monumentenbeschermers, kunstenaars en later jonge hoogopgeleiden kwamen in actie tegen de afbraak. Hun komst leidde tot een vroege en zachte vorm van gentrificatie. Woningen werden gekocht en opgeknapt, nieuwe leefstijlen deden hun intrede en een deel van de oorspronkelijke bewoners trok weg naar groeikernen: eerst naar Purmerend en iets later naar Almere. Na de individuele pioniers (de eerste golf gentrifiers) volgde in de jaren 1970 en 80 een grootschalige stadsvernieuwing door de gemeente Amsterdam en woningcorporaties. Na de liberalisering van de woningmarkt vanaf de jaren 1980 (zie Geografie 2024-9) ontdekten projectontwikkelaars de bijzondere architectuur van de wijk. Zo ontwikkelde De Jordaan zich tot de populaire en hippe stadswijk die ze vandaag is.
Niet alleen de woningen (aantal, soort, kwaliteit) zijn in de loop van de tijd veranderd, met de instroom van nieuwe bewoners veranderden ook voorzieningen en ontmoetingsplekken – en dat gebeurt nog steeds. Zo verdwijnen veel buurthuizen en doen nieuwe winkels en culturele voorzieningen hun intrede. Deze commerciële gentrificatie betekent vaak een ingrijpende make-over van de buurt en een verdere verandering van de sociale samenstelling. Woningprijzen stijgen en het gevoel van thuishoren in de buurt neemt af. Vrienden en familie vertrekken, bestaande sociale netwerken raken aangetast of verdwijnen helemaal. Daarmee verandert niet alleen het fysieke en functionele gezicht van de wijk, maar ook het sociale weefsel dat volksbuurten kenmerkt.
Dit gebeurde niet alleen in De Jordaan, maar bijvoorbeeld ook in de Utrechtse volksbuurt De Zeven Steegjes, waar een renovatie en een ander toewijzingsbeleid leidden tot ingrijpende fysieke én sociale veranderingen. De Zeven Steegjes begonnen in de 18e eeuw als een katholieke armenzorgbuurt voor kinderrijke gezinnen die van de charitas afhankelijk waren. Later kwamen er arbeiderswoningen bij, onder andere door de nabijheid van brouwerij De Boog en de suikerfabriek. De enorme bevolkingsdruk ging gepaard met angst voor het uitbreken van besmettelijke ziekten als cholera. Met de Woningwet van 1901 ging de overheid eisen stellen aan de kwaliteit en indeling van woningen. De bouw van doodlopende straten werd verboden; de wind moest er doorheen kunnen waaien. De huisjes zelf waren sober en beschikten doorgaans niet over een eigen toilet of keuken. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog stond de buurt onder streng kerkelijk toezicht. Na de overdracht aan de gemeente in de jaren 1950 verwachtten bewoners dat de woonomstandigheden zouden verbeteren. Maar nee. Eerst overwoog de gemeente De Zeven Steegjes te slopen, maar dat stuitte – net als in De Jordaan – op heftig verzet van de bewoners. Pas in de jaren 1970 kreeg de wijk een bescheiden opknapbeurt. In de jaren 1990 volgde erkenning van de buurt als ‘sociaal monument’ en tussen 1992 en 1995 onderging deze een grondige renovatie. Hoewel het merendeel van de oorspronkelijke bewoners kon terugkeren, veranderde het karakter van de wijk ingrijpend. De toewijzingsregels werden aangescherpt en kinderen van bewoners kregen niet langer automatisch voorrang bij woningtoewijzing. Deze beleidswijzigingen werden gelegitimeerd vanuit het streven naar een sociale mix en diversiteit. In De Zeven Steegjes ging dit ten koste van de sociale cohesie. Bewoners geven nu aan dat zij ‘allemaal andere mensen zien’ en dat er minder onderling contact is. Waar mensen vroeger alles van elkaar wisten, is dat met de nieuwe bewoners nauwelijks nog het geval. Die zijn veel minder vaak thuis en worden vooral aangetrokken door de charmante, karakteristieke woningen en de centrale locatie in de binnenstad. Tegelijkertijd benadrukken bewoners dat, ondanks onderlinge verschillen en spanningen, mensen bij problemen nog steeds voor elkaar klaarstaan. Velen willen de wijk dan ook niet verlaten, zelfs al is deze ingrijpend veranderd.
Nostalgie
Volksbuurten roepen vaak nostalgische gevoelens op. Sommige bewoners zeggen dat het vroeger allemaal beter was, ondanks de ruzies, het geweld, drankmisbruik en armoede. Anderen omarmen de ironie en eigenzinnigheid van het volksbuurtleven, ook wel aangeduid als camp, zichtbaar in symbolen als de standbeelden van Johnny Jordaan en tante Leen en Perzische kleedjes op de tafels in de bruine kroeg. Nieuwe bewoners zeggen dat ze de authentieke cultuur en saamhorigheid van de volksbuurt waarderen.
Deze nostalgische gevoelens worden her en der ingezet als een marketinginstrument dat het gentrificatieproces ondersteunt. Elementen uit het volkse verleden worden selectief uitvergroot en gecommercialiseerd. Wat ooit een volksbuurt was, waarin prostitutie nauw verweven was met het havenleven, wordt nu verpakt in een aantrekkelijk narratief voor een nieuw publiek. De Rotterdamse wijk Katendrecht toont hiervan duidelijke voorbeelden in namen als café De Ouwehoer en restaurant De Matroos en het Meisje. Het rauwe, ‘roemrijke’ verleden van de volksbuurt fungeert hier als decor en verkoopargument. De historische hardheid wordt gereduceerd tot esthetiek, de volksbuurt als een merk, waarin de scherpe kanten van het verleden worden ingezet als hedendaagse reclame-uiting.
Elementen uit het volkse verleden worden selectief uitvergroot en gecommercialiseerd
Fysieke redding
Sinds de stadsvernieuwing komt het woord ‘volksbuurt’ niet meer voor in beleidsnota’s. In plaats daarvan worden ze aangeduid als probleemwijken, aandachtswijken of achterstandswijken en varianten daarop. In het dagelijkse taalgebruik blijft de volksbuurt voortbestaan. Dan gaat het vaak over de arbeiderswijken en tuindorpen buiten het historisch stadscentrum, zoals de tuindorpen in Amsterdam-Noord. Armoede en eenzaamheid contrasteren hier met dure koffies en gehaaste bakfietsgezinnen. In Tuindorp Oostzaan vind je in de ene straat bijvoorbeeld een weggeefwinkel in een voortuin en even verderop een chique koffiezaak. In de Van der Pekbuurt, waar bewoners streden tegen sloopplannen, doemen aan de randen dure appartementen op. Gentrificatie blijkt vaak de fysieke redding van de volksbuurt te zijn. Oudere bewoners die weinig te kiezen hebben, lijken er weg te kwijnen. In hoeverre blijft de volksbuurt behouden, wanneer het een gerenoveerd stedelijk decor is in plaats van een sterke leefgemeenschap?
De ‘nieuwe’ volksbuurt
Dat geldt ook voor de nieuwe woonwijken die vlak na de Tweede Wereldoorlog in hoog tempo door woningcorporaties werden gerealiseerd. Hier zouden nieuwe gemeenschappen ontstaan, met veel aandacht voor collectief groen, speelplaatsen, voorzieningen, kerken en verenigingen. Op basis van de veronderstelde saamhorigheid zou je die modern-volks kunnen noemen, of wellicht burgerlijk.
Veel van de gebieden die momenteel onder het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) vallen, behoren tot deze categorie. Een sprekend voorbeeld is Nieuw-West in Amsterdam, voorheen de Westelijke Tuinsteden, een stadsdeel waar De Jordaan wel vijftien keer in past (kaart). Volgens de Leefbaarometer, een wetenschappelijk meetinstrument dat de leefbaarheid in wijken registreert (zie ook Geografie 2019-7), draagt saamhorigheid hier tegenwoordig maar weinig bij aan de leefbaarheid. Weliswaar met uitzondering van de woonwagencomplexen en buurten met koopwoningen in dit stadsdeel – wat de vraag oproept of het meetinstrument recht doet aan de sociale werkelijkheid ter plaatse. Want als je er rondloopt, zie je tal van bemoedigende buurtinitiatieven en ervaar je de onderlinge betrokkenheid en solidariteit op inspraakavonden. Niet alle bewoners herkennen zich dan ook in het beeld van gebrekkige leefbaarheid.
Dat neemt niet weg dat Nieuw-West, net als veel andere naoorlogse wijken, tussen 1980 en 1990 individualiseerde en seculariseerde. De komst van nieuwe bevolkingsgroepen met migratieachtergrond stelden bestaande vormen van verbondenheid op de proef. Zowel hier als in alle andere NPLV-gebieden is het streven nu – net als in de traditionele volks- en arbeidersbuurten – gentrificatie met behoud van eigenheid. Sociale menging is uitgegroeid tot een beleidsdogma om leefbaarheid te bevorderen, maar leidt in de praktijk zelden tot gedeelde saamhorigheid.
Is dat erg? Niet echt, lijkt het in de ogen van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. De Voortgangsrapportage NPLV 2024 tot en met zomer 2025 rept met geen woord over volksbuurten. De focus ligt op het terugdringen van armoede en werkloosheid, bevorderen van gezondheid, onderwijs en veiligheid en tegengaan van criminaliteit. Om deze doelen te bereiken is bewonersbetrokkenheid nodig, alsmede allianties met maatschappelijke partners, stelt het rapport. Saamhorigheid krijgt hiermee een instrumentele inbedding, als middel om beleidsdoelen te realiseren.
Dat verschilt met de historische en organisch gegroeide saamhorigheid in oude volksbuurten, die vaak bestond zonder – en soms ondanks – de overheid. Actieve overheidsbemoeienis werd hier zelden op prijs gesteld. Bij deze vormen van zelfredzaamheid en informele sociale controle kun je bedenkingen hebben, maar ze zeggen veel over de veerkracht van de volksbuurt als sociale leefgemeenschap. Menige woonbuurt zou daar tegenwoordig jaloers op zijn. En dat brengt ons tot de conclusie dat het mogelijk verdwijnen van volksbuurten sterk afhangt van de vrijheid en ruimte die bewoners krijgen, en nemen, om hun buurt zelf vorm te geven.
Paul Kurstjens is stedenbouwkundige, onderzoeker en ontwerper bij KuRbiN. Daarnaast is hij docent binnen het Hoger Onderwijs voor Ouderen (hovo) en hij was enkele jaren vrijwilliger bij het Volksbuurtmuseum in Utrecht. Irina van Aalst is als stadsgeograaf verbonden aan de Faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht
Verder luisteren, kijken en lezen:
- Kurbin. Volksbuurt.
- Mijn noord.
- Ministerie van VRO (2025). Voortgangsrapportage Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid 2024 tot en met zomer 2025. Den Haag: Ministerie van VRO.
- NPO Radio (2023-2025). Welkom in de volksbuurt.