Dr. Cassandra

Locatie
Auteur
Fanta Voogd Fanta Voogd historisch journalist
Gepubliceerd
Tijdschrift

Johan van Veen en het Deltaplan

Negentig jaar terug stelde Johan van Veen al dat de dijken te laag waren en hij bleef dat doen tot de Watersnoodramp van 1953. Hij werd spottend dr. Cassandra genoemd, naar  de mythische prinses, beeldschoon en met een godgegeven vermogen de toekomst te voorspellen. Maar de ‘Vader van het Deltaplan’ is zonder meer de scherpzinnigste onheilsprofeet uit de Nederlandse geschiedenis.

‘Als er nu één verhaal verteld moet worden, is dat het verhaal van Johan van Veen’, schreef Rutger Bregman in zijn boekje Het water komt (2020). ‘Een van de grootste Nederlanders aller tijden. En vrijwel niemand die hem kent.’ Dat laatste is een beetje overdreven. Veel mensen zullen hem wel kennen als de Vader van het Deltaplan. Maar in vergelijking met Cornelis Lely, de man achter de Zuiderzeewerken, naar wie een gemaal, een stad en meer dan dertig straten zijn vernoemd, komt Van Veen er inderdaad bekaaid vanaf.

Jobstijdingen

In 1978, een kwart eeuw na de Watersnoodramp, publiceerde weekblad Elsevier een artikel met een nogal macabere anekdote, die veel zegt over het werk van Johan van Veen en zijn plek in de Nederlandse geschiedenis. Journalist Herman Looman blikte in het artikel terug op een interview dat hij in 1952 had gehad met de destijds nog onbekende Rijkswaterstaat-ingenieur Van Veen. Die had toen, ongeveer een halfjaar voordat de dijken in het deltagebied zouden bezwijken, luid en duidelijk gewaarschuwd voor het dreigende gevaar: ‘Een nieuwe Sint-Elisabethsvloed is zo maar mogelijk. Onze dijken tellen zo veel kwetsbare en gevaarlijke plaatsen dat een zeer zware stormvloed er grote bressen in zal slaan. Maar ze willen niet naar mij luisteren en beschouwen mij als een Cassandra, als een sombere waarzegger, die de verdrinkingsdood van duizenden mensen aankondigt. Maar het kán gebeuren. Morgen zelfs.’

Het interview werd destijds niet geplaatst. Hoofdredacteur Wouter de Keizer stak daar een stokje voor. Interviewer Looman herinnerde zich de woorden van zijn baas als volgt: ‘Denk jij nou dat ik dat artikel ga plaatsen? Moet je eens goed luisteren, Looman, dit volk heeft vijf jaar onder de terreur van de Duitsers geleefd. Nu zijn we een beetje toe aan het opruimen van het puin en dan kom jij vertellen dat ze ook nog gaan verzuipen! Weet je wat het is: jij bent een paniekzaaier.’

In retrospectief is het ongepubliceerde interview van 1952 het meest dramatische voorbeeld van Van Veens jobstijdingen. Het illustreert bovendien op bijna karikaturale wijze dat hij, net als de mythische figuur Cassandra toen zij de ondergang van Troje voorspelde, niet werd geloofd. En het was niet de eerste en enige keer dat Van Veen aan de bel trok.

In 1919, nadat hij zijn studie civiele techniek in Delft had voltooid, kon Johan van Veen aan de slag bij de Provinciale Waterstaat van Drenthe. Tien jaar later trad hij in dienst van Rijkswaterstaat. In de biografie Meester van de zee stipt auteur Willem van der Ham de momenten aan waarop Van Veen zijn waarschuwingen boekstaafde. Al in 1934 noemde de ingenieur in een nota over de Hollandsche IJssel de dijken bij Gouda ‘gevaarlijk laag’. In 1938 stelde hij vast dat bij Dordrecht een waterstand van 1,5 meter boven de bestaande dijkhoogte bij stormvloed zomaar mogelijk was. De stad zou dan vermoedelijk geheel worden weggevaagd. In hetzelfde jaar schreef Van Veen een nota over de dreigende verzilting. Het document bevat een kaart waarop de nieuwe of op te hogen dijken met zwarte lijnen zijn gemarkeerd. Er zijn ook lijnen ingetekend als afdamming van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse zeearmen. De kaart was in feite een eerste schets van wat later het Deltaplan zou gaan heten.

Van Veen schreef niet alleen tientallen nota’s en rapporten in opdracht van Rijkswaterstaat, maar trad ook naar buiten in vakbladen als De Ingenieuren het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, de voorloper van Geografie. Bijna een eeuw geleden, in 1925, dook zijn naam daar voor het eerst op. Het ging toen over Van Veens onderzoek naar de heuvelruggen in Drenthe. Tussen 1930 en 1950 was Van Veen verbonden aan het blad, als auteur, maar ook als lid van de redactiecommissie.

Deltawerken

Rijkswaterstaat was in de tijd dat Johan van Veen er in dienst trad, een wat starre, ingeslapen organisatie. Niet voor niets had minister van Waterstaat Cornelis Lely voor de voorbereidingen op de Zuiderzeewerken in 1918 een aparte dienst in het leven geroepen, die soepel en onafhankelijk van Rijkswaterstaat kon opereren. De oude methode om de noodzakelijke dijkhoogte vast te stellen, ging op z’n janboerenfluitjes: de hoogte van de laatste stormvloed en dan nog een stukje erbovenop. Johan van Veen stelde daar wetenschap tegenover. Empirisch onderzoek in de vorm van boringen, peilingen, metingen en eigen waarnemingen ter plekke. Daarnaast ontwikkelde hij een eigen ‘elektrische methode’: een analogon, gebaseerd op de analogie tussen de werking van water en elektriciteit. Het was een soort oer-computer waarmee Van Veen het gedrag van het rivier- en zeewater in de Delta snel en tamelijk nauwkeurig kon voorspellen. Dat alles combineerde hij met een grondige kennis van de Nederlandse watergeschiedenis.

Van Veens onderzoek en waarschuwingen leidden tot de instelling van de Stormvloedcommissie in 1939. Die bevestigde in diverse studies de eerdere bevindingen van Van Veen. Niet alleen langs de benedenrivieren, maar ook in Zeeland en op Goeree-Overflakkee bleken tientallen kilometers dijk te zwak en te laag. Maar de naoorlogse directeur-generaal bij Rijkswaterstaat, ir. Willem Harmsen, legde het rapport over de slechte staat van de Zeeuwse dijken demonstratief in een kast. Hoewel er met de instelling van de Stormvloedcommissie een ferme eerste stap was gezet, raakte het proces na de oorlog in het slop. Het was in deze jaren dat dr. ir. Johan Van Veen achter zijn rug dr. Cassandra werd genoemd, een bijnaam die hij later zelf als geuzennaam overnam. In 1952 kreeg de dienst van Van Veen de opdracht een plan uit te werken. Dit document, Afsluitingsplannen der Tussenwateren, verscheen op 20 januari 1953. Nog geen twee weken later zouden de dijken breken.

Van Veens biograaf Van der Ham oordeelt hard over het gebrek aan ambtelijke en politieke daadkracht van Rijkswaterstaat. Met de beschikbare kennis had men al eerder kunnen inzetten op ‘noodvoorzieningen bij de meest kwetsbare plekken’. ‘Ik denk dat dan de ramp voorkomen had kunnen worden, al kan ik dat natuurlijk niet bewijzen’, concludeert hij in een artikel in het Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis (2003). ‘Zeker is wel dat er dan heel wat minder dijkdoorbraken zouden hebben plaatsgevonden en dat er heel wat minder slachtoffers zouden zijn gevallen.’

In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 kreeg dr. Cassandra zijn droevige gelijk. Twintig dagen na de ramp, waarbij 1836 mensen het leven verloren, werd de Deltacommissie ingesteld, die met grote voortvarendheid de verwezenlijking van de Deltawerken voorbereidde. Van Veen was secretaris en vanaf 1954 ook lid van de commissie. Dat zou hij blijven tot hij in 1959 op 65-jarige leeftijd overleed.

'Een nieuwe Sint-Elisabethsvloed is zo maar mogelijk. Onze dijken tellen zo veel kwetsbare en gevaarlijke plaatsen dat een zeer zware stormvloed er grote bressen in zal slaan’ (1952)