Shanghai, Soochow en Foochow
De hodograaf en pedograaf van Thomas Ferguson in de praktijk getest
In de collectie van het KNAG zitten drie kaarten van Shanghai, Soochow en Foochow, gemaakt door Thomas Ferguson. Die werkte daar 35 jaar bij de Chinese maritieme belastingdienst en was in feite een hobby-cartograaf. Hij verrichtte daarvoor bijzondere metingen.
Thomas Ferguson schonk in 1902 twee door hem gemaakte kaarten aan het Aardrijkskundig Genootschap: een van de waterwegen bij Shanghai en een van het gebied rond de stad Soochow, beide uitgegeven door Kelly & Walsh te Shanghai. Op de achterzijde van de kaart van Soochow (Suzhou) is een brief van de auteur geplakt, waarin hij uitlegt hoe hij de kaart gemaakt heeft. Twintig jaar later schonk Ferguson nog een kaart, van de stad Foochow (Fuzhou). Wat maakt zijn kaarten zo bijzonder?
Portret van Thomas Ferguson als bijzonder hoogleraar in Utrecht.
Foto UTRECHTS UNIVERSITEITSMUSEUM, INV.NR. 0285-3272
Karteringsinstrumenten
Als ‘hobbyist’ hield Ferguson zich onder meer bezig met methoden om te kunnen karteren. Hij ontwikkelde daarvoor drie instrumenten, de hodograaf, cyclograaf en pedograaf. Over deze instrumenten verschenen in 1903 diverse artikelen.
Louis August Bakhuis schreef in 1903 in het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap dat de hodograaf ‘bij een te water afgelegde weg automatisch en successievelijk afgelegde afstanden en de ingeslagen richtingen op[tekent].’ De bootreiziger moet er alleen op letten dat de schaal gelijk blijft. Het tweede instrument, de pedograaf, doet hetzelfde bij afgewandelde paden, waarbij de voetganger moet zorgen ‘dat het blad teekenpapier, waarop dat pad wordt afgeteekend, steeds georiënteerd is ten opzichte van de ingeslagen richting’. Over de cyclograaf schrijft Bakhuis niets. Dit instrument heeft dezelfde functie als de beide andere, maar dan voor gebruik op een fiets.
Ook in het Marineblad en De Ingenieur verschenen artikelen, van Ph. de Kanter en Ferguson zelf (1903). De beschrijvingen zijn uitputtend en zeer technisch. Iets beter leesbaar, maar nog steeds heel gedetailleerd, is de uitleg in De Nieuwe Courant van 28 december 1902. ‘De hodograaf wordt in werking gebracht door een schroefje, dat achter aan het schip door de vaart in draaiende beweging wordt gebracht en werkt op een strook papier, dat afgerold wordt en een verkleind beeld geeft van den afgelegden weg. Een spiraalvormige kompasroos trekt een stippellijn op het papier, welke lijn verandert met de verandering in koers.’ Het tweede instrument, de pedograaf, werkt met een hamertje, dat bij iedere voetstap een slingering maakt, die wordt overgebracht op een tandrad, dat een merkje achterlaat op een papier. ‘Weet de voetganger nu hoe groot zijn passen zijn, dan kan hij dien afgelegden weg berekenen. Met een kompasnaald wordt ook de verandering in richting geregistreerd.’
De hodograaf is minder nauwkeurig, zoals Ferguson zelf schrijft: ‘Afgezien van kwesties als stroming, koersafwijking (‘leeway’), ongelijke propeller slip, enzovoort […] laten de indirecte manier waarop de resultaten worden verkregen, veel ruimte voor fouten en uitglijders.’
Resultaat van een test met de pedograaf. Kaart van het parcours van 8 mijl door Den Haag dat Thomas Ferguson op 7 september 1902 aflegde.
Bron NATIONAAL ARCHIEF INV. 2.13.46. NR. 70
In 1902 stuurde Ferguson een brief aan de minister van Oorlog, waarin hij de pedograaf aanbood voor gebruik door de verkenningsdienst van het leger. En als het instrument in Nederland niet bruikbaar was, of de minister het dan bij zijn collega van Koloniën onder de aandacht wilde brengen. Het resultaat was dat het leger de pedograaf ging testen. De directeur van de Dienst Militaire Verkenningen en twee van zijn officieren liepen ieder in Den Haag een parcours met de pedograaf. Ze rapporteerden over de bevindingen, met daarbij de kaarten die het instrument had gemaakt. De conclusie was dat ‘het instrument voor den dienst der Militaire Verkenningen van beteekenis kan worden geacht’. Want: ‘In die streken toch, waar door volkomen gemis aan kadastrale onderverdeeling, zooals bv. op woeste gronden, heiden, zandverstuivingen, in de duinen enz. de officier-verkenner genoodzaakt is veel tijdroovenden arbeid te verrichten om een, dikwijls nog niet ten volle betrouwbaar, beeld te geven van de soms grillig loopende wegen, karresporen, voetpaden, steile randen, heuvelrijen, beekjes, van de plaats en van den vorm van vennen, wilde beplanting enz.’, kan een pedograaf flinke tijdswinst én een veel nauwkeuriger terreinbeeld opleveren. Daarbij is het instrument ook inzetbaar bij regen, terwijl anders de verkenners hun werkzaamheden moeten staken. De dienst Militaire Verkenningen en het ministerie van Koloniën schaften elk twee pedografen aan, voor 110 gulden per stuk.
Uit diverse artikelen over de pedograaf en hodograaf in kranten en tijdschriften in de jaren 1902-1905 blijkt dat de verwachtingen hoog gespannen waren. Over de cyclograaf zwijgen de bronnen. Echter, na 1905 worden beide in het geheel niet meer vermeld. Ook Bakhuis zegt er niets meer over in 1906, in het hoofdstuk ‘Topographie’ in de mede door hem bewerkte uitgave van Serruriers De Pionier. Handleiding voor het verzamelen en waarnemen op natuurkundig gebied, inzonderheid in tropische gewesten. In de uitgebreide bespreking van dat boek vraagt J.F. Niermeyer zich af: ‘Waarom is geen melding gemaakt van de belangrijke en vernuftige opnemingswerktuigen, uitgevonden door den Nederlander Th. Ferguson?’ Moeten we daaruit concluderen dat de instrumenten in de praktijk toch niet zo goed werkten?
Map of the Country round Soochow, surveyed by Thos. Ferguson, 1900-1901.
Bron ALLARD PIERSON UVA, HB-KZL 104.19. 02; BRUIKLEEN KNAG
Foochow and Nantai and Surrounding Country, surveyed by Mr. Thos. T.H. Ferguson, 1923.
Bron ALLARD PIERSON UVA, HB-KZL 100.16.05; BRUIKLEEN KNAG
Drie kaarten
Ferguson vervaardigde met zijn instrumenten drie kaarten van zijn woonomgeving in China, te weten Waterways near Shanghai (1901), Map of the Country round Soochow (1902) en Foochow and Nantai and Surrounding Country (1923).
De eerste is een schetskaart, vooral bedoeld om de werking van de hodograaf in de praktijk te oefenen. Dat staat ook in een noot op de kaart, met de aantekening dat de meeste kreken twee keer zijn bevaren in tegengestelde richting, zodat de nauwkeurigheid niet veel lager is dan die van een topografische kaart.
In zijn handleiding Automatic Surveying Instruments and their Practical Uses on Land and Water (1904) schrijft Ferguson over de eerste twee kaarten (vrij vertaald) ‘dat de hodograaf heeft geholpen bij de constructie van tenminste twee kaarten van waterlopen, meren, enzovoort’ en dat het sneller ging omdat er ‘maar veertig boottochten per kaart nodig waren, uitgevoerd in het weekend en op vakantietochten’.
Dat het om een proefproject ging, blijkt ook uit het feit dat op de kaart van Shanghai behalve de zeer gedetailleerde waterwegen en direct aan de rivieroevers gelegen topografische elementen, alleen spoor- en telegraaflijnen en de grenzen van de buitenlandse concessies zijn weergegeven. De kaart oogt dus nogal leeg en het Virtual Shanghai Platform vindt het dan ook verrassend dat de mate van detail vrij laag is en concludeert dat Ferguson een beperkte topografische kennis van het gebied had.
Ook bij de kaart van Soochow, een oostelijke voorstad van Shanghai, ligt de nadruk op de waterwegen, maar hier zijn daarnaast enkele wegen en wat reliëf weergeven en topografische elementen verder van de waterwegen. De kaart zelf vermeldt niet hoe die gemaakt is. Maar toen Ferguson de kaart aan het Aardrijkskundig Genootschap schonk, schreef hij in een toelichting dat hij eerst een triangulatie had uitgevoerd en daarna vanuit de Europese nederzetting ongeveer 35 dagtochten had gemaakt met een huisboot, waarop zijn hodograaf stond. Voor meeroevers en kleinere kreken zette hij zijn meetapparaat in een kano. In Shanghai: A Handbook for Travellers and Residents uit 1911 worden beide kaarten van onschatbare waarde genoemd voor degenen die dagtochten met boot willen maken. Een kanttekening is wel dat deze gids van dezelfde uitgever is als de beide kaarten.
Van 1916 tot 1920 woonde Ferguson in Foochow, ongeveer 600 km ten zuiden van Shanghai. Tijdens zijn verblijf karteerde hij de omgeving. De vele wegen en voetpaden op deze kaart mat hij met zijn pedograaf. Daarnaast is er veel aandacht voor de waterwegen, waarvoor hij waarschijnlijk zijn hodograaf gebruikte.
Geschenk
Toen Ferguson zijn kaarten van Shanghai en Soochow in 1902 aan het Aardrijkskundig Genootschap schonk, leek het erop dat men die van Shanghai niet als een volwaardige kaart beschouwde, maar als een soort schetskaart, en terzijde legde om later te catalogiseren. Bij de voorbereiding van dit artikel bleek de kaart in de catalogus te ontbreken. Pas toen dit artikel zo goed als voltooid was, vond Allard Pierson-medewerker Pieter Kuiper de waterkaart van Shanghai in een kast met nog te verwerken objecten. Na 122 jaar is deze alsnog beschreven en in de catalogus opgenomen!
De adressen op de achterzijde van de kaart van Foochow.
Bron ALLARD PIERSON UVA, HB-KZL 100.16.05; BRUIKLEEN KNAG
In 1923 schonk Ferguson ook de kaart van Foochow aan het genootschap. Het merkwaardige is dat deze kaart tweemaal per post werd verstuurd – en dan niet in een envelop. Het adres is op de achterkant geschreven en de postzegels zijn er pardoes bijgeplakt. De verzender is beide keren Cornelis Easton – ondanks zijn Engels klinkende naam een Nederlandse journalist en populairwetenschappelijk schrijver. Van 1906 tot 1923 was Easton hoofdredacteur van het Nieuws van den Dag en daarna redacteur van de Haagsche Post en hoofdredacteur van het Haagsch Maandblad. Hij publiceerde over sterrenkunde en klimatologie en schreef enkele reisgidsen. Easton was ook lange tijd redactielid van het Tijdschrift van het genootschap en verzorgde vanaf 1897 de rubriek ‘Aardrijkskundig Nieuws’.
De eerste keer stuurde Easton de kaart vanuit Scheveningen als drukwerk aan J.J.K. Enthoven in Den Haag, gefrankeerd met twee zegels, van 4 en 2 cent. De datum van afstempeling is lastig te ontcijferen, iets als ‘9-9-23 2-31’. Het adres is doorgestreept. Enthoven wilde de kaart kennelijk niet hebben en liet deze terugbezorgen. Easton vermeldde geen retouradres, maar dat hoeft ook niet, want ze kenden elkaar zeer goed. Enthoven volgde Easton in 1918 op als voorzitter van de redactie van het Tijdschrift.
Easton stuurde de kaart vervolgens aan Louis van Vuuren, lector koloniale landbeschrijving aan de Universiteit van Amsterdam. Dit keer schreef Easton zijn eigen adres er wel bij. Hij frankeerde met drie zegels, twee stuks van 1 cent met opdruk 2 cent, en een verdwenen zegel van vermoedelijk ook 2 cent. Het laatste deel van de afstempeling (23 2-31) lijkt identiek aan de andere.
Om te achterhalen wanneer de kaart verstuurd werd, heb ik eerst de postzegels en frankering nagezocht. De blauwe 4 cent-zegel dateert uit 1923, net als de zegel met 2 cent-opdruk. Het posttarief was sinds 1921 voor drukwerk tot en met 500 gram 2 cent per 50 gram (of een gedeelte daarvan). De kaart weegt 127 gram en moest daarom met 6 cent gefrankeerd worden. De kaart is dus in 1923 verstuurd, vermoedelijk in september.
Waarom deze op zo’n merkwaardige manier in de collectie is gekomen, blijft een mysterie.