AI-proof aardrijkskunde onderwijs
Generatieve AI is inmiddels zo gewoon geworden voor jongeren, dat docenten moeten weten wat hun leerlingen ermee doen, en bekijken wat dat betekent voor hun onderwijs.
Vraag het leerlingen
Ik gebruik zelf een korte enquête waarin ik onder andere vraag: hoe vaak gebruik je AI, welke AI-programma's gebruik je en hoe vaak? Gebruik je AI bij schoolwerk en wat doe je er dan mee? Heb je het idee dat je er beter door leert? Praten docenten met je over AI? Wat zou je op school over AI willen leren?
Zo’n enquête is een goede ingang voor het gesprek tussen leerlingen en docenten. Dat gesprek kun je voeren tijdens mentor-uren, in de gewone les of bijvoorbeeld in een leerlingenarena. Mijn indruk is dat de meeste leerlingen inmiddels AI gebruiken, dat ze daar onderling behoorlijk veel over praten, maar met hun docenten veel minder. Of dat voor jouw school ook geldt, is iets om uit te vinden. Mocht je het lastig vinden zo’n enquête te maken: stuur me een mail (bkr [at] lyceumypenburg.nl (bkr[at]lyceumypenburg[dot]nl)), dan stuur ik je mijn versie toe.
Als je met leerlingen over hun AI-gebruik praat, zul je merken dat ze best veel willen vertellen, zolang ze zich veilig voelen. Leerlingen hebben nogal eens de neiging eerst te zeggen dat ze AI niet of nauwelijks gebruiken. Ze weten immers niet altijd hoe de docent zal reageren. Wordt bij jou op school AI vooral benaderd als iets wat leerlingen eigenlijk niet moeten gebruiken, dan krijg je geen open gesprek.
Dat gesprek is juist belangrijk. Als docent mag je best vertellen waarover je je zorgen maakt. Misschien besteden leerlingen opdrachten uit waarvan je wilt dat ze er zelf over nadenken. Misschien nemen ze antwoorden over zonder deze goed te begrijpen. Of ze leveren thuiswerk in waarvan je niet meer weet wat ze zelf hebben gedaan. Bespreek dat. Leerlingen luisteren uiteindelijk echt wel naar hun docenten, zeker als je uitlegt waarom je wilt dat ze sommige dingen zelf blijven doen.
Leerlingen willen best veel vertellen, zolang ze zich veilig voelen
Eerst de school op orde
Als je beter weet wat leerlingen met AI doen, worden ook de gevolgen voor het onderwijs zichtbaar. Is traditioneel huiswerk nog steeds effectief of gebruiken leerlingen daar nu vooral een chatbot voor? Moet je de opzet van werkstukken en profielwerkstukken aanpassen? En wat dan precies?
Vervolgens moet de school zorgen dat alle docenten een zekere basisvaardigheid hebben. Dat ze ongeveer weten wat generatieve AI is, wat leerlingen ermee kunnen en wat dit voor het eigen onderwijs betekent.
Je hebt ook een groep docenten nodig die een stap verder is. Die zelf behoorlijk met AI kunnen werken, dingen kunnen uitproberen en onderwijs kunnen ontwerpen waarin AI soms wel en soms juist geen rol krijgt. En er moet een kleine groep mensen zijn – binnen één school, een scholengroep of een vereniging – die de ontwikkelingen bijhoudt. Niet iedere docent hoeft achter elk nieuw model aan te rennen. Maar er moeten wel mensen zijn die weten wat er gebeurt en die collega's kunnen helpen. Want de ontwikkelingen gaan snel.
Het is ongewenst dat leerlingen schoolwerk doen op een eigen, onveilig AI-account en daarmee privégegevens delen. De school kan helpen door een veilige AI aan te bieden die voor iedereen gelijk is, en leerlingen leren hoe ze die veilig gebruiken. De school heeft dus een AI-account nodig, voor leerlingen én docenten. Daarvoor bestaan diverse mogelijkheden. Welke je kiest, hangt onder andere af van de ict-omgeving van de school, de afspraken met de leverancier, privacy en de kwaliteit van de AI zelf. Belangrijk is dat leerlingen niet afhankelijk zijn van wat ze thuis toevallig hebben. De ene leerling met een betaald ChatGPT-account en de andere met een gratis versie is geen eerlijke uitgangspositie voor onderwijs.
De leeftijd van leerlingen maakt het iets ingewikkelder. Leveranciers stellen voorwaarden aan het gebruik door jonge leerlingen, en scholen moeten zich houden aan de privacyregels. Het kan zijn dat je in de brugklas nog niet met de gekozen AI kunt werken. Je kunt er wel al les over geven.
Dat kan een ongemakkelijke situatie geven. Uit je enquête kan blijken dat 12-jarige leerlingen thuis ChatGPT of een andere AI gebruiken voor hun schoolwerk. Ze werken dus met een account waarover de school helemaal niets heeft geregeld. Iets om als schoolbestuur goed over na te denken.
Voor docenten geldt iets vergelijkbaars. Als je als school verwacht dat zij leren werken met AI, geef ze dan ook toegang tot een goede versie waarmee ze veilig kunnen oefenen. Anders wordt AI-geletterdheid afhankelijk van of een docent zelf een abonnement afsluit en bereid is daarvoor te betalen.
Dan de les
Zonder telefoon en laptop kun je gewoon veel blijven doen wat je altijd al deed. Bij aardrijkskunde moeten leerlingen nog steeds een kaart kunnen lezen, een dwarsdoorsnede begrijpen, geografische informatie beoordelen en een verklaring kunnen geven. Soms is het beter AI er helemaal buiten te laten.
Maar er komen ook momenten waarop het vreemd wordt AI buiten de les te houden, terwijl leerlingen het thuis volop gebruiken. In de leerdoelen van SLO voor digitale geletterdheid staat dat elk vak een bijdrage moet leveren – zeker bij aardrijkskunde liggen er mogelijkheden.
Je kunt eenvoudig beginnen. Laat AI bijvoorbeeld een verklaring geven voor een geografisch verschijnsel en laat leerlingen met atlas, lesboek, kaarten, data of andere bronnen controleren of die verklaring klopt. De leerling gebruikt AI, maar moet zelf blijven beoordelen.
Ik zou het daar niet bij laten. Want met AI kan een leerling vragen onderzoeken die bij een gewone schoolopdracht al snel te ingewikkeld of te tijdrovend worden. Bijvoorbeeld: ontwerp een klimaatadaptieve woonwijk. Leerlingen kunnen daar zelf een kaart van maken. Waar komen de woningen, waar blijft ruimte voor groen, hoe vang je extreme neerslag op en wat doe je tegen hittestress? Met AI kun je zo’n opdracht vrij gemakkelijk ambitieuzer maken. Laat leerlingen hun ontwerp bijvoorbeeld voorleggen aan AI en vragen welke problemen ze over het hoofd hebben gezien. Laat ze vervolgens uitzoeken welke kritiek terecht is. Of laat ze onderzoeken hoeveel waterberging er nodig is, wat bepaalde maatregelen ongeveer kosten en welke technische problemen kunnen optreden. Ze kunnen kijken naar verschillende belangen: wat wil de gemeente, wat wil een projectontwikkelaar, wat vinden toekomstige bewoners en wat betekent het ontwerp voor natuur en waterbeheer?
Je kunt nog verder gaan. Wat gebeurt er met het ontwerp als de gemeente meer woningen eist? Welke maatregelen blijven overeind als het budget met 20% wordt verlaagd? AI kan bij zulke vragen snel mogelijkheden aandragen. De leerling moet blijven controleren, vergelijken, rekenen en uiteindelijk zelf keuzes maken en verdedigen.
Wil jouw school inzetten op samenwerking tussen vakken, dan helpt AI daarbij. Stel bij dezelfde woonwijk economische vragen over investeringen, kosten en betaalbaarheid. Laat leerlingen onderzoeken hoe groot het draagvlak is bij bewoners en welke belangen botsen. Ga dieper in op natuurwaarden en biodiversiteit. Zo ontstaan bijna vanzelf verbindingen met economie, maatschappijleer of maatschappijwetenschappen en biologie. De opdracht wordt zo ook realistischer: een wijk van de toekomst is immers geen puur geografisch vraagstuk.
Bij een onderzoek kun je AI vragen welke variabelen je nog mist. Bij een verklaring kun je AI vragen een concurrerende verklaring te geven. Je kunt een redenering laten bekritiseren, scenario's naast elkaar zetten of bekijken hoe hetzelfde probleem eruitziet vanuit het perspectief van meerdere actoren.
Ook bij kaarten en ander beeldmateriaal ontstaan mogelijkheden. In plaats van een afbeelding die ongeveer laat zien hoe zoet water door Nederland stroomt, kun je een doorsnede maken waarin duinen, polders, hogere zandgronden, grondwater en oppervlaktewater met elkaar samenhangen. Een schematische vulkaan uit een toets kun je vervangen door een doorsnede waarin de relatie tussen vulkaan, magmakamer en gesteenten zichtbaar wordt. Da’s in eerste instantie handig voor de docent. Maar leerlingen kunnen op dezelfde manier leren geen genoegen te nemen met het eerste antwoord of het eerste product. Klopt dit wel? Wat ontbreekt er? Kan het nauwkeuriger? Welke bron heb ik nodig om dit te controleren? Hoe zou iemand met een ander belang hiernaar kijken?
Wat blijft van de leerling?
Dit is ook voor mij een zoektocht. Onderzoek van Josien Boetje en collega's vind ik in dit verband interessant. Zij kijken onder andere naar de verdeling van regie tussen mens en AI tijdens het oplossen van informatieproblemen. Wat besteedt een student op welk moment aan AI uit, wat blijft hij zelf doen en hoe bewust maakt hij daarin keuzes? Boetjes onderzoek gaat over studenten in het hoger onderwijs, je kunt de uitkomsten dus niet zomaar overzetten naar onze leerlingen. Maar de onderliggende vraag speelt in het voortgezet onderwijs net zo goed. Het juiste antwoord is volgens mij níet dat we AI zo veel mogelijk buiten het onderwijs moeten houden. Leerlingen zullen ermee werken, tijdens hun opleiding en vrijwel zeker later in hun werk. Maar ze moeten wel een stevige kennisbasis hebben om er verstandig mee te kunnen werken.
Als aardrijkskundedocenten moeten wij zorgen dat een leerling een kaart zelf kan lezen. Een geografisch begrip kent en begrijpt. Een redenering kan volgen en zelf formuleren. Herkent wanneer een antwoord onwaarschijnlijk is. En zelf een verklaring kan opschrijven zonder eerst een taalmodel te raadplegen. Schaf de gewone schriftelijke toets dus voorlopig niet af. Pen, papier, geen AI. Als leerlingen tijdens het leren voor een toets AI gebruiken en ze weten dat ze het op de toets zelf met pen en papier moeten opschrijven, zullen ze AI vanzelf bewuster gebruiken.
Hetzelfde speelt bij werkstukken en onderzoeken. Als een leerling een heel werkstuk thuis kan maken met hulp van AI, zorg dan dat er een eigen veldwerk in zit, een interview, zelf verzamelde gegevens, een experiment, een kaart die de leerling zelf heeft gemaakt. Of plan halverwege een gesprek waarin de leerling uitlegt wat hij aan het onderzoeken is. Bij een profielwerkstuk zou ik vooraf afspraken maken: waarvoor mag je AI gebruiken, waarvoor niet en hoe laat je zien wat je ermee hebt gedaan?
Als je dat bij het profielwerkstuk goed regelt, heb je meteen een aantal principes die je ook bij kleinere opdrachten kunt gebruiken.
AI-ready aardrijkskunde
Misschien moeten we voorlopig niet te snel zeggen dat een school AI-ready is. AI-proof is al een behoorlijke ambitie. Je weet wat leerlingen doen. Je praat erover met ze. Docenten begrijpen ongeveer wat er aan de hand is. Leerlingen en docenten hebben toegang tot een veilige AI. Je hebt nagedacht over huiswerk, opdrachten en toetsing. En een aantal docenten probeert in de lessen uit wat AI kan toevoegen.
AI-ready wordt het voor mij pas als leerlingen daar zelf steeds verstandiger mee omgaan. Dat ze niet bij iedere opdracht vragen: mag ik AI gebruiken? Dat ze begrijpen wanneer AI hen verder helpt en wanneer ze het eigen leerproces ermee om zeep helpen. Dat ze weten dat ze een antwoord moeten controleren. En dat ze ook snappen waarom een docent soms zegt: nu even zonder.
Daar heeft aardrijkskunde goede papieren voor. We werken met kaarten, data en bronnen. We proberen fysische en menselijke processen te verbinden. We onderzoeken gebieden op meerdere schaalniveaus. We kijken naar belangen van verschillende actoren en naar vraagstukken waarop zelden één eenvoudig antwoord bestaat. Daarmee kan AI goed helpen. En de leerling kan er veel van leren.
Tot slot wil ik docenten vooral oproepen zelf ook een lerende houding aan te nemen. Je hoeft niet te doen alsof je alle antwoorden al hebt. Probeer dingen uit, kijk wat werkt en wat niet, en onderzoek samen met je leerlingen wat verstandig gebruik van AI is. Ga dicht bij ze staan. Juist omdat er nog zo veel verandert. Da’s beter dan vanaf de zijlijn proberen vast te leggen hoe het allemaal moet.