Check je plek!

Collectie
Auteur
Gepubliceerd
Tijdschrift

Leefbaarheid is voor leerlingen veraf én dichtbij. Veraf als het gaat om abstracte begrippen zoals sociale cohesie en subjectieve veiligheid, dichtbij omdat het (ook) hun directe omgeving betreft. Een onderzoekend veldwerk in de vorm van een placecheck biedt een goede mogelijkheid om abstracte leerstof te koppelen aan eigen geografische ervaringen van leerlingen. 

Het idee van een placecheck is ontstaan in Engelse steden, waar gezocht werd naar een manier om bewoners meer te betrekken bij de verbetering van hun directe leefomgeving. Het moest een methode zijn zonder abstracte begrippen en stedenbouwkundig jargon. En eenvoudig uit te voeren door niet-specialisten: de bewoners en gebruikers van de wijk. 

Die aanpak laat zich heel goed vertalen naar activerend veldwerk bij aardrijkskunde. Hoe ziet dat er ongeveer uit? 

Methodiek

Een placecheck begint met een walk & talk-wandeling. Gedurende een, maximaal twee uur onderzoeken leerlingen de leefbaarheid van een straat of een plein door waar te nemen (walk) en in gesprek te gaan met bewoners, voorbijgangers en gebruikers (talk). De waarnemingen en gesprekken draaien om drie vragen. Wat vind je goed, aangenaam aan deze plek? Wat vind je slecht, onaangenaam aan deze plek? En: wat moet aan deze plek worden verbeterd? Zie ook de hulpvragen (kader).

Tijdens de wandeling maken de leerlingen foto’s van kenmerken en objecten die hun waarnemingen ondersteunen. Denk aan een heel straatbeeld, maar ook een foto van een detail, zoals een beveiligingscamera of een zitbankje. De gesprekken met mensen in de straat worden kort samengevat en genoteerd.  

Na de wandeling wisselen de leerlingen de verzamelde informatie uit en bespreken ze mogelijke vervolgstappen om de leefbaarheid te verbeteren en welke personen of instanties erbij betrokken moeten worden. 

Aan de slag in Eindhoven

Afgelopen voorjaar deden dertig 4-vwo’ers een placecheck in de omgeving van hun school, het Van Maerlantlyceum in Eindhoven. Omdat niet alle 4 vwo’ers aardrijkskunde in hun profiel hadden, werd gestart met een korte inleiding over het concept leefbaarheid, onderverdeeld in kenmerken van de fysieke omgeving, veiligheid en sociale cohesie. Daarna kregen ze twee uur de tijd om zelfstandig hun onderzoek uit te voeren. Dat deden ze in groepjes van vier. De groepjes waren bewust klein, zodat leerlingen gemakkelijker in contact konden komen met mensen op straat. Iedere groep kreeg een straat, met een begin- en eindpunt, toegewezen als hun onderzoeksgebied. Er was gekozen voor zeven aanloopstraten naar het centrum van de stad, waar niet alleen woningen, maar ook bedrijven, winkels en andere voorzieningen te vinden zijn. Die verscheidenheid aan functies en gebruikers geeft een gevarieerd perspectief op de leefbaarheid. Daar komt bij dat je op een doordeweekse (school)dag in zo’n gemengde straat meer mensen zult tegenkomen dan in een woonstraat. Leerlingen kunnen bij winkels en andere bedrijven binnenlopen om met de eigenaren een praatje aan te knopen over de leefbaarheid.  Omdat alle groepjes zo’n type straat bezochten, was het mogelijk bij de nabespreking de straten te vergelijken. 

Na de walk & talk maakten alle groepen een presentatie van hun bevindingen. Foto’s werden geprint en op een posterformaat papier geplakt. Tekst en tekeningen maakten het beeld compleet. Iedere groep gaf vervolgens een korte toelichting en bracht de belangrijkste bevindingen nog eens voor het voetlicht.

Uitkomsten

De drie basisvragen lijken op het eerste gezicht nogal breed, maar bieden de leerlingen voldoende houvast om in relatief korte tijd een beeld te schetsen van de ervaren leefbaarheid in een wijk. De drie leefbaarheidskenmerken fysieke omgeving, veiligheid en sociale cohesie kwamen in de presentaties duidelijk naar voren. Soms in meer algemene termen, maar ook in details en rake observaties door de leerlingen. Denk aan afval op straat, parkeeroverlast door niet-bewoners, mooie kunst en veel beveiligingscamera’s. Soms duikt in een verslag een verassende bevinding op, zoals ‘veel illegale hennepkwekerijen’, waarbij je je afvraagt waar de leerlingen die informatie vandaan hebben. 

De suggesties van leerlingen voor een betere leefbaarheid richten zich onder andere op de verkeersveiligheid, met concrete maatregelen als een snelheidslimiet instellen en een verkeersdrempel aanleggen. Leerlingen komen ook met concrete voorstellen om de sociale cohesie te versterken, zoals bankjes in de openbare ruimte plaatsen en buurtactiviteiten organiseren.

Uit de presentaties wordt duidelijk dat leerlingen leefbaarheid als een meerdimensionaal begrip zijn gaan zien en dat leefbaarheid niet voor iedereen hetzelfde is, ook niet voor de leerlingen zelf. Zij zijn zich door de placecheck meer bewust geworden van hun eigen beleving van leefbaarheid in de directe omgeving

‘Zelf vond ik het een heel fijne straat. Het was veilig, in ieder geval voelde dat zo. Bovendien was het ondanks de drukte een goed georganiseerde straat. Ik als fietser kwam ook op geen enkel moment in de buurt van een auto. Zo voelde de straat toch nog best rustig aan. Mijn conclusie van dit onderzoekje was dan ook: kijk niet alleen naar wat er ontbreekt in een straat, maar kijk naar de sfeer; wat vinden de bewoners en de werkenden ervan? En hoe ervaar je zelf de straat?

‘Mijn favoriete deel was vragen aan de mensen op straat wat ze mooi vonden en ook de dingen die ze anders zouden willen zien. Het gaf een helder beeld van waar de prioriteiten lagen tijdens de bouw en inrichting van het stadsdeel. Ook was het snel helder waar nog ruimte voor verbetering was.’

‘Het was opmerkelijk hoe verschillende ‘typen mensen’ andere belangstelling hadden. Bijvoorbeeld ouderen die meer gefocust waren op zaken als geluid(overlast).’

Poster gemaakt op basis van een placecheck in de Eindhovens Hoogstraat.

Leeropbrengst

Sommige aspecten van leefbaarheid, zoals woningen en voorzieningen, zijn direct waarneembaar voor leerlingen. Maar als het gaat om veiligheid en sociale cohesie geven vaak enkel cijfers een beeld van de leefbaarheid in een woonwijk of  -buurt. Een placecheck maakt het mogelijk achter die cijfers te kijken. Hoe ervaren individuele bewoners de leefbaarheid in hun woonwijk? Voelt dat voor iedereen hetzelfde? De placecheck is ook geschikt om abstracte begrippen als sociale cohesie concreter te maken en de geografische werkwijze van het ‘bijzondere’ te relateren aan het ‘algemene’.

Bij een placecheck komen ook sociale en communicatieve vaardigheden aan bod. Leerlingen zoeken tijdens de walk & talk contact met bewoners en anderen in hun onderzoeksgebied. Dat is veel spannender dan berichtjes sturen via WhatsApp. Ook het presenteren van hun onderzoek is een goede oefening in communiceren. 

Omdat je een placecheck in de directe omgeving van de eigen school kunt organiseren, raken  leerlingen ervan doordrongen dat leefbaarheid hen direct aangaat en dat zij zelf kunnen helpen de leefbaarheid te verbeteren. Op die manier wordt in de aardrijkskundeles weer een steentje bijgedragen aan het realiseren van burgerschapsdoelen.