Natuur als leefgebied of grondstof?

Lesmethode omgang met historisch koloniaal erfgoed
Locatie
Auteur
Gepubliceerd
Tijdschrift
Nieuw-Guinea kaart witte vlekken

Bij aardrijkskunde gaat het vaak over ‘natuurlijke hulpbronnen’ en ‘grondstoffen’. Maar hoe kijken andere mensen naar natuur? In een lesmodule over het koloniale verleden in Nieuw-Guinea onderzoeken leerlingen met HET KNAG-archief uiteenlopende mens-natuurrelaties en leggen zij verbanden met actuele milieu- en klimaatvraagstukken.

Nieuw-Guinea kaart witte vlekken

Figuur 1: Kaart Nederlands Nieuw-Guinea

Bron Het Utrechts Archief (172 Stukken betreffende nabeschouwingen over de expeditie Nieuw-Guinea II, met kaarten, 1939-1943, Volgnummer: 14/ 287)

De hierboven afgebeelde KNAG-kaart van Nieuw‑Guinea uit de jaren 1930 bevat grote witte vlakken (figuur 1). Voor Nederlandse onderzoekers was dit ‘terra incognita’. Kranten berichtten destijds over expedities om het landschap in kaart te brengen en te achterhalen welke natuurlijke rijkdommen er verborgen lagen in deze uithoek van het koloniale rijk. Tussen 1904 en 1959 organiseerde het KNAG drie grote expedities naar Nieuw‑Guinea. De expedities naar Nieuw‑Guinea, sinds 1963 onderdeel van Indonesië, illustreren hoe geografische kennis werd verzameld in een koloniale context. De kaarten, verslagen en foto’s zijn koloniaal erfgoed, waarmee je leerlingen kunt laten nadenken over verschillende perspectieven – onder andere op de relatie tussen mens en natuur. Dit helpt om actuele vraagstukken, zoals ontbossing, grondstofwinning en klimaatverandering, beter te begrijpen. 

Storymap

De module 'Natuur als leefgebied of grondstof?' bestaat uit twee onderdelen. In stap 1 werken leerlingen met een storymap. De les begint dicht bij de eigen beleveniswereld: ze ontdekken dat voor de smartphones van 25 leerlingen bijna 38 kilo kopererts nodig is, en waar dit koper vandaan komt. Via een van de grootste kopermijnen ter wereld, de Grasbergmijn in Westelijk Nieuw‑Guinea (ook vaak aangeduid als West-Papua), maken ze kennis met de regio. Vervolgens analyseren ze historische kaarten, archieffoto's, krantenartikelen en recente satellietbeelden. Ze constateren dat veel koloniale kaarten het gebied presenteren als 'onbekend' of 'leeg', terwijl het al meer dan 40.000 jaar wordt bewoond door Papoea-gemeenschappen. Leerlingen komen erachter dat het landschap in koloniale bronnen vaak werd beschreven vanuit de zoektocht naar grondstoffen en economische mogelijkheden.

Door historische kaarten, archiefmateriaal en hedendaagse satellietbeelden naast elkaar te leggen, ontdekken ze hoe verschillende manieren van kijken naar natuur doorwerken in het heden. Na het vertrek van de Nederlanders stopte de aantasting van de leefomgeving namelijk niet. Ook vandaag verliest Westelijk Nieuw-Guinea grote stukken oerwoud aan mijnbouw, palmolieplantages, infrastructuurprojecten en papierproductie. Leerlingen onderzoeken hoe economische belangen en uiteenlopende opvattingen over natuur hierin een rol spelen. Daarbij stellen zij vast dat hetzelfde landschap tegelijkertijd kan worden gezien als een bron van grondstoffen, een leefgebied en een cultureel betekenisvolle plek.

Een landschap kan tegelijkertijd een bron van grondstoffen, leefgebied en cultureel betekenisvolle plek zijn

Reflectie

In stap 2 verschuift de focus naar reflecteren. Met behulp van een ‘emotienetwerk’ (figuur 2), positioneren leerlingen zichzelf eerst tussen twee stellingen: ‘de mens is onderdeel van de natuur’ en ‘de mens is de baas over de natuur’. Vervolgens bespreken zij in tweetallen waarom zij op die plek zijn gaan staan en vergelijken zij hun keuzes met die van hun klasgenoten.

Dan komt er een tweede as bij, met aan de ene kant: ‘ik heb invloed op hoe in Westelijk Nieuw‑Guinea met natuur wordt omgegaan’, tegenover: ‘ik heb hier geen invloed op’. Zo ontstaat een kwadrant waarin leerlingen hun positie bepalen. Door met elkaar in gesprek te gaan, ontdekken zij dat opvattingen over natuur, verantwoordelijkheid en grondstoffenwinning sterk kunnen verschillen.

Daarbij gaat het niet om het juiste antwoord, maar het gesprek. Leerlingen luisteren naar elkaars argumenten, gaan na waarom zij van mening verschillen en verkennen op welke manieren zij zelf invloed kunnen uitoefenen. De werkvorm biedt ruimte voor emoties zoals betrokkenheid, twijfel of onrechtvaardigheidsgevoel, zonder dat deze direct opgelost hoeven te worden. 

Emotienetwerk

Figuur 2: Emotienetwerk

Verbinding eigen leven

Een belangrijk element in de module is een verbinding leggen met het leven van de leerlingen. Vandaar dat we beginnen met de grondstoffen in hun smartphone. Door te onderzoeken waar die vandaan komen en welke gevolgen de winning ervan heeft, ontdekken leerlingen dat mondiale vraagstukken niet ver van hen afstaan.

Vervolgens gaan ze na in hoeverre de eigen keuzes die ze maken, samenhangen met processen zoals grondstofwinning en ontbossing. Daarmee ontstaat ruimte voor handelingsperspectief: het besef daalt in dat je als consument, burger en leerling onderdeel bent van mondiale netwerken en daarop invloed kunt uitoefenen. Die invloed is vaak klein, maar is er wel degelijk. Door een smartphone langer te gebruiken of bewust om te gaan met producten waarvoor bos wordt gekapt, kunnen leerlingen invloed uitoefenen op landgebruik elders in de wereld.

Deze lessenserie is een voorbeeld van hoe aardrijkskunde mogelijkheden biedt om verschillende perspectieven op dezelfde plek, hetzelfde landschap of hetzelfde vraagstuk naast elkaar te zetten. Zo leren leerlingen dat geografische vraagstukken niet alleen draaien om feiten en locaties, maar ook om belangen, waarden en perspectieven. 

Krantenartikel KNAG-expeditie

Figuur 4: Krantenartikel over KNAG-expeditie naar het Sterrengebergte.

Bron De Volkskrant, 5 oktober 1956.