Dwars door het oerwoud naar de laatste witte plekken op de kaart
Dichte jungles, hoge bergen en een eiland dat voor het westen nog een groot mysterie was: in de twintigste eeuw reisden wetenschappers met het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap tot drie keer toe af naar het tropische Nieuw-Guinea, toen nog een kolonie van Nederland. Wat dreef het genootschap voor het eerst naar dit afgelegen eiland en waarom bleven ze er terugkomen?
Schetskaart van Nieuw-Guinea / Topografische dienst. (2004). Koninklijk Instituut voor de Tropen KIT. https://hdl.handle.net/1887.1/item:2011183
Collectie Universiteit Leiden
Rond 1900 was Nieuw-Guinea nog grotendeels onbekend terrein voor Nederland. Het grote eiland telde slechts drie Nederlandse bestuursposten, die zich allemaal langs de kust bevonden. De binnenlanden waren voor de Nederlanders een mysterie. Om zijn macht over het eiland te versterken, moest Nederland eerst meer over deze gebieden te weten komen. Daarbij leefde de hoop dat er in het binnenland waardevolle grondstoffen verborgen lagen, zoals aardolie, steenkool of zelfs goud. Genoeg reden voor Nederland om het eiland in kaart te brengen. Daar was bovendien haast bij, want in Nederland vreesden politici, industriëlen en wetenschappers dat andere westerse landen deze Nederlandse kolonie eerder zouden verkennen. Ook de Duitsers en de Engelsen, die over de oostelijke helft van het eiland heersten, deden namelijk volop onderzoek. Tegenwoordig wordt Groenland als grootste eiland op aarde beschouwd, maar destijds was dat nog anders.
“Wanneer men op de kaart van Nieuw-Guinea de westelijke helft van dit grootse eiland der aarde vergelijkt met de oostelijke, dan blijkt hoe weinig nog van het Nederlandse deel bekend is, in vergelijking met hetgeen we weten van de Engelsche en Duitsche bezittingen. […] Hoe meer het oostelijk deel van het eiland wetenschappelijk wordt blootgelegd, des te meer zal onze werkloosheid in deze als verwijt tot ons gericht kunnen worden,”(1) schreef het KNAG ten tijde van de eerste expeditie. Wie met de eer én de grondstoffen wilde strijken, moest dus haast maken.
Na de eerste expeditie van 1904-1905 bleef ook in 1939 en later in 1959 de competitiedrang met andere westerse landen een rol spelen. Zolang er nog sprake was van terra incognita, bestond er in Nederland de wens om deze witte plekken als eerste in kaart te brengen. Maar er ontstonden ook nieuwe motivaties. Zo was de groeiende interesse in Nederlands Nieuw-Guinea als potentiële vestigingskolonie een extra drijfveer in 1939 en speelde in 1959 het dreigende verlies van Nieuw-Guinea aan het inmiddels onafhankelijke Indonesië een belangrijke rol. Door die veranderende belangen bleef Nieuw-Guinea decennialang interessant voor zowel de wetenschap als de politiek. Van krantenartikelen en tentoonstellingen tot een tweedelige voorlichtingsfilm, de expedities gingen niet onopgemerkt voorbij.
Meer dan aardrijkskunde
Hoewel het KNAG een aardrijkskundig genootschap was, reisden ook wetenschappers vanuit andere disciplines bij de expedities af naar Nieuw-Guinea. Voor aardrijkskundigen was het eiland in de eerste plaats interessant omdat het nog niet volledig door westerse onderzoekers in kaart was gebracht. Een groot deel van het land was voor buitenstaanders nog terra incognita. Biologen gingen aan de slag met het categoriseren van de flora en fauna op het eiland en antropologen wilden de kenmerken van de inheemse bevolking vastleggen. Ze voerden bij de bevolking schedelmetingen uit en namen menselijke resten zoals schedels mee. (2)
Omdat het westen van Nieuw-Guinea onder Nederlands gezag viel, vonden sommige leden van het KNAG dat Nederland daar als eerste onderzoek moest doen. Niet alleen wetenschappelijke nieuwsgierigheid, maar ook nationalistische motieven brachten meerdere vakgebieden samen. “…de aardrijkskunde [is] bij uitstek geschikt voor ‘cultureel vlagvertoon’,”(3) stelde het KNAG in een reclame voor lidmaatschap in 1939. Door het in kaart brengen van Nieuw-Guinea, zette Nederland zichzelf dus ook internationaal op de kaart.
Een inventarislijst van materialen verzameld tijdens de eerste expeditie (inv. nr. 144, volgnummer 1, collectie KNAG, HUA).
De rekening van een expeditie
Het organiseren van expedities zoals die van het KNAG kostte veel geld: expeditieleden moesten vervoerd worden naar hun bestemmingen en hadden eten, drinken, onderdak en passende kleding nodig. Bij afgelegen bestemmingen zoals Nieuw-Guinea, die vaak moeilijk begaanbaar waren, liepen de kosten nog verder op.
Voor westerse onderzoekers was Nieuw-Guinea, vooral het binnenland, een onherbergzaam gebied. In dichtbegroeide gebieden zonder geschikte wegen was het niet mogelijk om gebruik te maken van een auto. Tijdens de eerste twee expedities was het daarom noodzakelijk om veel afstanden te voet af te leggen. Alle benodigdheden, van kleding tot onderzoeksmaterialen, moesten door mensen gedragen worden. Dragers uit Nieuw-Guinea of elders in Nederlands-Indië werden geacht om deze taak op zich te nemen, waarvoor zij lang niet altijd een fatsoenlijke vergoeding kregen. Soms duurden expedities langer, waardoor de kosten opliepen. Later ontstond de mogelijkheid om gebruik te maken van helikopters, maar ook deze waren niet goedkoop. Het KNAG had dus een belangrijke taak aan het rondkrijgen van de financiën voor de expedities, wat met name in 1959 uitgroeide tot een waar hoofdpijndossier.
Een drager belast met bagage trekt door een landschap in Nieuw-Guinea tijdens de expeditie van 1959 (inv. nr. 191, volgnummer 577).
Steun van binnen en buiten de wetenschap
De benodigde steun, in de vorm van stortingen of door het beschikbaar stellen van bijvoorbeeld voertuigen, vond het KNAG op verschillende plekken. In de eerste plaats speelde de overheid hierin een belangrijke rol. Die stelde geld beschikbaar, zowel subsidies als leningen. De laatste en duurste expeditie kon rekenen op zo’n 330.000 gulden aan subsidie met daarbovenop nog een lening van 100.000 gulden. Ook zorgde de overheid ervoor dat het KNAG gebruik kon maken van gouvernementsvoertuigen zoals schepen en later vliegtuigen. Daarnaast werd het KNAG ondersteund door onder andere de marine, die ervoor zorgden dat de expeditieleden veilig te werk konden gaan.
Maar ook het bedrijfsleven speelde een rol in het mogelijk maken van deze expeditie. Zo stelde scheepsmagnaat Cornelis Verolme zich garant voor de expeditie van 1959 toen deze bijna afgeblazen werd vanwege een tekort aan geld. Voor zakenmannen als Verolme waren de expedities van het KNAG interessant omdat deze mogelijk nieuwe kansen voor economische groei bloot konden leggen, bijvoorbeeld door het ontdekken van waardevolle grondstoffen.
Zelf haalde het KNAG ook geld op voor de expedities. Een deel van de financiering kwam uit de contributies van leden, maar er werd ook gebruik gemaakt van creatievere methodes. Zo verkochten de leden van de laatste expeditie naderhand de overgebleven voorraad en kleding aan geïnteresseerden op Nieuw-Guinea. Met de verkoop konden de expeditieleden wat geld verdienen en hoefden ze niet te betalen om deze spullen weer terug naar Nederland te vervoeren. Het genootschap kon bovendien rekenen op het medeleven van een deel van de bevolking van Nederland en Nederlands-Indië. Expeditieleiders Brongersma en Venema konden zo toch een positieve noot vinden wat betreft het gebrek aan geld in 1959:
Het is verheugend om te ondervinden hoe men met de expeditie meeleeft. Men gaat met intekenlijsten rond, organiseert wedstrijden en muziekavondjes; op deze manier bezorgen de financiële moeilijkheden van de expeditie nog vele mensen plezier ook.
Brongersma and Venema, Het witte hart van Nieuw-Guinea, 235.
Pure wetenschap?
Het KNAG werd bij het organiseren van de expedities in zekere mate beïnvloed door de wensen van de verschillende partijen die financiële ondersteuning leverden. Het genootschap wilde niet alleen concurreren met wetenschappelijke organisaties in andere landen, maar ook bewijzen dat Nederland een competente koloniale macht was die het verdiende om te regeren over Nieuw-Guinea. Daarnaast stond het genootschap open voor het zoeken naar waardevolle grondstoffen, waar de overheid en het Nederlandse bedrijfsleven baat bij zouden hebben. Het opsporen van materialen als goud, wat in Brits Nieuw-Guinea was gevonden, was een van de expliciete doelen van de eerste expeditie. Met name in de eerste helft van de twintigste eeuw stond het genootschap open voor het dienen van politieke en economische ambities. Een reclame voor lidmaatschap uit 1950 beschrijft het genootschap als een soort kruispunt voor wetenschappelijke, bestuurlijke en financiële overwegingen:
Het [genootschap] werd het ontmoetingspunt, waar de mannen der wetenschap hun ervaringen toetsten en waar de koopman, industrieel en belangstellende de wetenschappelijke resultaten van het werk der eerste groep tot nut en vermeerdering hunner kennis opnamen.
“Reclame voor lidmaatschap”, ca. 1950, inv. nr. 366, volgnummer 2, collectie KNAG, HUA.
Aan de andere kant had het genootschap de wens om de wetenschap prioriteit te geven. Zo was de Dienst van Mijnbouw in 1939 bereid om een geoloog te leveren voor de expeditie, maar wees het KNAG dit af. Het genootschap vreesde namelijk dat een geoloog van deze organisatie enkel economische belangen zou volgen, met name het zoeken naar waardevolle grondstoffen. Hoewel de wens om bijvoorbeeld aardolie te ontdekken ook bij het KNAG meespeelde, waren de geologen van het genootschap in bredere zin geïnteresseerd in de samenstelling van de aardlagen op het eiland, of ze hier nou goud zouden ontdekken of niet.
In 1959 beklaagden de expeditieleden zich over de aanwezige pers, waardoor de expeditie soms meer weg had van een PR-campagne dan een wetenschappelijke expeditie. “Het valt niet te ontkennen dat – een enkele uitzondering daargelaten – de deelnemers er langzamerhand schoon genoeg van krijgen om gefotografeerd en gefilmd te worden. Eerst moesten zij optreden voor de televisiereportages van Van Sprang en Ter Laag en voor de fotoreportage van Klaarenbeek en nu begint alles weer opnieuw,” schreven expeditieleiders Brongersma en Venema toen zij erop terugblikten. Tot ongenoegen van sommige deelnemers werd de expeditie van 1959 beëindigd met het beklimmen van een berg, wat geen onderdeel uitmaakte van het oorspronkelijke plan maar wel spectaculaire foto’s opleverde voor de pers. Pieter Platteel, gouverneur van Nederlands Nieuw-Guinea, was zo tevreden met de beelden dat hij een van de foto’s gebruikte voor zijn kerstkaarten dat jaar.
Het KNAG was dus tot op zekere hoogte bereid zich te lenen voor belangen naast de wetenschap, maar was ook niet bereid om de speelbal van de politiek of economie te worden. Op papier bleef het doel altijd om de kennis van Nieuw-Guinea uit te breiden – niet alleen voor de aardrijkskunde , maar ook voor andere vakgebieden. Hierin slaagde het genootschap: na drie expedities waren grote delen van de terra incognita, waar het KNAG zich begin twintigste eeuw zo aan stoorde, in kaart gebracht. Tegelijkertijd waren het bestuur en de expeditieleden zelf niet immuun voor economische overwegingen en de wensen van het bedrijfsleven, waardoor bijvoorbeeld ook het zoeken naar winstgevende grondstoffen onderdeel werd van de expedities. Hoewel de motivaties van de Nederlandse politiek en het bedrijfsleven gedurende de eeuw veranderden, bleven de expedities van het KNAG voor hen een instrument om Nederland als koloniale mogendheid op de kaart te zetten en te houden. Het genootschap was bereid zich hiervoor te lenen, soms uit nationale trots, dan weer om aan geld en middelen te komen. Een ding bleef gedurende de eeuw consequent: het genootschap hield altijd principieel vol de wetenschap op nummer een te hebben, al was het maar op papier. De expedities laten bovenal zien dat het KNAG zeker geen hulpeloze pion van het kolonialisme was, maar zich wel altijd moest verhouden tot de machthebbers van toen – of dit nou was uit oprecht idealisme of simpelweg om hun eigen ambities te financieren.
Bronnen:
- Brongersma, L.D. and G.F. Venema (1960). Het witte hart van Nieuw Guinea. Scheltens & Giltay.
- Collectie Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap 1873-1966 (toegang 73). Het Utrechts Archief, Utrecht. Online toegankelijk.
- Le Roux, Charles C.F.M (1948). De Bergpapoea’s van Nieuw-Guinea en hun woongebied I. E.J. Brill.
- Le Roux, Charles C.F.M (1950). De Bergpapoea’s van Nieuw-Guinea en hun woongebied II. E.J. Brill.
- Rouffaer, G.P. De Zuidwest Nieuw-Guinea-Expeditie 1904/5 van het Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap (1908). E.J. Brill.
- “Nieuw-Guinea Kroniek 17: Expeditie naar het Sterrengebergte, deel 1.” Rijksvoorlichtingsdienst (1959). Toegankelijk op YouTube.
- “Nieuw-Guinea Kroniek 18: Naar de sneeuwtoppen op de evenaar, deel 2.” Rijksvoorlichtingsdienst (1959). Toegankelijk op YouTube.
Verwijzingen
- “Nota betreffende een onderzoekingstocht naar het Sneeuwgebergte in Nieuw-Guinea”, inv. nr. 141, volgnummer 14-16, collectie KNAG, HUA.
- Zie “Nieuw-Guinea Kroniek 17: Expeditie naar het Sterrengebergte, deel 1.” Rijksvoorlichtingsdienst (1959). Toegankelijk op YouTube, en “Lijst van ethnographische voorwerpen”, inv. nr. 144, volgnummer 1, collectie KNAG, HUA.
- “Concept reclame voor lidmaatschap”, inv. nr. 365, volgnummer 98, collectie KNAG, HUA.