Boeken 2026 | 6
Pas verschenen
- Van Hoorn, F. Het verhaal van Linschoten. 264 p., € 23,90 (incl. porto). Bestellen: www.hetverhaalvanlinschoten.nl
Frank van Hoorn (1956), geograaf en werkzaam in de volkshuisvesting, kwam in 1989 in Linschoten wonen, een dorp gelegen tussen Woerden, Oudewater en Montfoort. Na zijn pensionering maakte hij serieus werk van een veel omvattende geschiedenis van Linschoten, van de prehistorie tot de naoorlogse uitbreidingswijken. Het verhaal van Linschoten is een gedetailleerde, goed geschreven en geïllustreerde studie van het dorp en de omgeving, het landschap, de kerken en kastelen en de mensen die het dorp maakten – van landadel en burgemeesters tot hangjongeren. Ruim aandacht ook voor Linschoten tijdens de Tweede Wereldoorlog.
- Wright, I. Atlas van opmerkelijke feiten. Noordboek, 232 p., € 24,90.
Een bestseller onder de atlassen is Atlas van opmerkelijke feiten: in 2021 de eerste druk, in 2026 de vierde. De atlas is gemaakt door een Canadese Londenaar, Ian Wright, de man achter brilliantmaps.com. De thematische kaarten zijn soms serieus (Welke landen hebben de afgelopen vijftig jaar een vrouw als regeringsleider gehad? Koplopers zijn IJsland, India en Bangladesh met 20-24 jaar vrouwen aan de macht), soms speels (Wie brengt de kerstgeschenken in Europa? In Finland is dat de kerstbok, en Welke landen hebben geen McDonald’s?), soms fysisch-geografisch (Wat zijn de twintig grootste eilanden? Welke landen hebben geen rivieren?).
- De Boer, G. e.a. The Unspoiled Queen – Landschap en erfgoed van Saba. Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed, Saba Heritage Center, 175 p.
- De Boer, G. e.a. The Historical Gem. Landschap en erfgoed van Sint Eustatius. Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed, Openbaar Lichaam Sint Eustatius, 175 p. Beide open access beschikbaar op internet.
Landschapsbiografieën van twee Caribische eilanden, inclusief digitale kaarten. Grondig uitgezocht, toegankelijk, mooi vormgegeven. Van klimaat en fysische geografie via de prekoloniale tijd, Europese dominantie, historische nederzettingen, het zoetwatervraagstuk, en maritieme sporen in het landschap tot immaterieel erfgoed zoals feesten.
Signalementen
Grenslijnen
- Elledge, J. A History of the World in 47 Borders. The Stories Behind Lines on Our Maps. Wildfire, 368 p., pocket, £ 11.
- Baston, L. Borderlines. A history of Europe in 29 Borders. Hodder Press, 314 p., pocket, £ 11.
‘Rond 1700’, schrijft John Elledge in zijn A History of the World in 47 Borders, ‘begonnen kaarten nationale grenzen in dikkere lijnen aan te geven dan andere grenzen – voor het eerst was het belangrijkste om te weten over een stuk land in welke staat het lag.’ In zijn boek wijdt hij korte, met Britse humor gelardeerde hoofdstukken aan allerlei grenzen in de wereld, in lang vervlogen tijden – het boek opent met de grens tussen Opper- en Neder-Egypte, 5000 jaar geleden – maar ook in het heden – het eindigt met de space race: waar ligt de grens tussen de atmosfeer en het heelal? Het gaat niet alleen om landsgrenzen, wel voornamelijk, maar ook om andere grenzen, zoals stadsgrenzen, tijdzones, maritieme grenzen en grenzen in de lucht. Soms vertelt Elledge microverhalen, bijvoorbeeld waarom Soedan noch Egypte Bir Tawil wil hebben – het land dat dit woestijngebied accepteert als eigendom, doet automatisch afstand van een veel groter gebied, de door beide landen begeerde Hala’ib-driehoek. Ook macroverhalen komen aan de orde, bijvoorbeeld de opdeling van Afrika in 1885 in Berlijn en de claims van China op de Zuid-Chinese Zee. Aandacht heeft Elledge ook voor grenzen binnen landen, bijvoorbeeld tussen Engeland, Schotland en Wales, of de Mason-Dixon lijn die in de Verenigde Staten verschillende betekenissen heeft gehad. Een boek voor wie ooit Grensstreken; waarom grenzen liggen waar ze liggen van Milo van Bokkum (besproken in Geografie 2022-4) met plezier las. Wel sober geïllustreerd met slechts 23 kaartjes.
Ook Borderlines is karig voorzien van afbeeldingen: enkele overzichtskaartjes en wat foto’s in zwart-wit. Anders dan Elledge, heeft Lewis Baston zich beperkt tot een werelddeel (Europa), in tijd (grenzen en grensgebieden vanaf ongeveer 1900) en tot één soort grenzen, die tussen landen. Baston reist langs 29 grenzen en vertelt hun geschiedenis, van Scandinavië (Finland – Rusland – Estland) naar Midden-Europa (Oostenrijk – Hongarije) en van West-Europa (Ierland – Noord-Ierland) naar Oost-Europa (Oekraïne). Volop ruimte voor mooie details: bijvoorbeeld hoe West-Duitsland tot de Ostpolitik van Willy Brandt (1970) de grenzen van Duitsland in 1937 als de wettelijke grenzen beschouwde. Gevolg: de weerkaarten op de Duitse televisie toonden ook het weer in Breslau en Königsberg, steden die sinds 1945 feitelijk in Poolse (Wrocław) respectievelijk Russische handen (Kaliningrad) waren.
Ideeën over mens & landschap
- Van Aerschot, R. De kloof. Of hoe landschappen culturen dragen. Noordboek, 264 p., gebonden, € 49,90.
De hoofdtitel, De kloof, was raadselachtig, Vanwege de ondertitel, Of hoe landschappen culturen dragen, verwachtte ik een boek over hoe culturen verschillen tussen bijvoorbeeld berg- en steppegebieden en tussen maritieme en continentale landschappen. Of algemener: zijn culturen een afgeleide van de landschappen, van de fysieke omgeving waarin ze voorkomen? Daarover gaat dit mooi uitgegeven boek echter niet. Planoloog Rob van Aerschot schreef een ideeëngeschiedenis van hoe in de loop der eeuwen in Azië en Europa is nagedacht over twee vragen: ‘Wat is de betekenis van die omgeving voor de mens, zowel individueel als collectief en hoe vertaalt dat zich in verschillende tijden en culturen weer in de vormgeving van die omgeving?’
Van Aerschot bedt zijn ideeëngeschiedenis in een breed kader in. Deel 1, ‘Onze verhouding tot de werkelijkheid’, begint met een historisch overzicht van het denken van filosofen over de relatie (‘de kloof’) tussen mens en werkelijkheid. Het is een compacte tekst, met veel citaten (ook in de 647 eindnoten), een hoog abstractieniveau en tal van grote denkers (allemaal mannen trouwens, bij de 24 portretjes zit geen enkele vrouw). Het lezen wordt zo zwoegen. Gelukkig komt tegen het einde van deel 1 het landschap in zicht. Deel 2, ‘Hoe landschappen culturen dragen’, gaat over hoe het ontwerp en de beleving van het landschap in verschillende culturen vorm hebben gekregen. Achtereenvolgens passeren tribale culturen, China, Japan, islamitische gebieden en Europa (chronologisch de middeleeuwen, renaissance en barok, verlichting en romantiek en de moderne tijd). Veel afbeeldingen, bijvoorbeeld van Chinese en Japanse tuinen, geven lucht aan het betoog, dat wederom op veel plaatsen informatiedicht en abstract is.
In deel 3, ‘Een veranderende wereld’, komen postmoderne denkers, samenlevingen en landschappen aan bod. Het is de actuele wereld van de planoloog. Onze wereld, aldus Van Aerschot, is gebaat bij het samengaan van het analytische westerse denken met de holistische Aziatische filosofie. Een wereld waarin regionale culturen en regionale landschappen voortbestaan, waarin authenticiteit en welzijn mogelijk zijn en waarin een balans bestaat tussen zich thuis voelen en op pad gaan, de wereld in. In het boek krijgt dit geen uitwerking. Dat had denk ik best gekund, want Van Aerschot was in zijn werk als planoloog daadwerkelijk betrokken bij het landschap, bijvoorbeeld als programmamanager landschap van de Metropoolregio Amsterdam. Eerlijk gezegd had ik liever over zijn praktijkervaringen gelezen dan over dit ‘verbindende theoretische verhaal’.
Ruzies om een modderplas
- Nijenhuis, C. De strijd om het IJ. Het meeslepende verhaal van een ambitieuze koning en zijn rivaliserende ingenieurs. Alfabet, 271 p., € 24.
Corine Nijenhuis voelt zich thuis op het water. Ze woont op een oud, nog varend, binnenvaartschip en schrijft over mens en water in Nederland. Soms leidt dat tot non-fictieboeken, zoals haar portret van Zeeland na 1953 (zie Geografie 2023-5), soms tot een historische roman die gebaseerd is op een ware geschiedenis, zoals Waddenwolf, over jonkheer Teding van Berkhout, die faalt in zijn poging om een dam tussen Holwerd en Ameland te bouwen (Geografie 2021-4). De strijd om het IJ is een mix van een historisch-geografisch relaas over plannen en plannenmakers over de toekomst van het IJ tussen 1808 en 1838, en romanelementen.
Amsterdam kampte aan het begin van de 19e eeuw met een afnemende bereikbaarheid. Voortdurend moest het IJ worden uitgebaggerd en het ondiepe Pampus in de Zuiderzee kon alleen met behulp van een scheepskameel – die het schip enigszins oplichtte uit het water – overwonnen worden. Inspecteur-Generaal van de Waterstaat Jan Blanken stelde voor om de houten palenrij waarmee de stad haar haven afsloot, te vervangen door een dokdijk die het dichtslibben van het IJ moest tegengaan. Ook moest er een kanaal door Noord-Holland naar Den Helder komen, om de stad weer beter bereikbaar te maken. Amsterdam wilde niet meewerken aan een dokdijk, maar het Noordhollandsch Kanaal kwam er wel, met schoorvoetende steun van koning Willem I, die voortdurend op het project wilde bezuinigen.
In dezelfde tijd pleitte Blankens collega Adrianus Goudriaan ervoor het IJ af te dammen en een kanaal (later bekend geworden als het Goudriaankanaal) te graven via Waterland en Marken naar de Zuiderzee. Zo hoefden schepen niet meer via het Pampus te varen. Willem I was bereid te investeren in dam en kanaal – niet voor niets was zijn bijnaam de Kanalenkoning. Maar Amsterdam was tegen de IJdam en het Goudriaankanaal en ontdekte bij Marken, waar het kanaal moest uitmonden in de Zuiderzee, een ondiepte. Willem I besloot daarop het hele project te staken; kanaal noch IJdam kwam er. Op Topotijdreis.nl en in het landschap is de loop van het Goudriaankanaal nog te zien; de IJ wordt pas afgedamd als men begint aan het Noordzeekanaal, een halve eeuw later.
Nijenhuis schildert levendig de machtsstrijd tussen de koning en Amsterdam, en vooral de ruzies tussen Blanken en Goudriaan. Wie heeft het laatste woord? Ze doet dat aan de hand van een literatuurstudie (overigens zonder een bronnenlijst op te nemen). Maar ze laat ook haar verbeelding spreken: hoe dachten Amsterdammers destijds over al die projecten? De lezer wordt meegenomen naar de Nieuwe Stadsherberg, op palen in het IJ, bereikbaar via een lange steiger die halverwege wordt onderbroken door een ophaalbrug. Daar discussiëren jeneverdrinkers op verhitte toon over de ideeën. Als ’s avonds de brug wordt opgetrokken, is de vaste wal onbereikbaar. Net op tijd glippen de aangeschoten gasten terug over de brug. ‘De brugwachter scheldt dat het een aard heeft als hij zijn klapbrug onder luid geratel optrekt.’ Levensecht proza dat laat zien dat Nijenhuis ook als romanschrijver uit de voeten kan.